RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummers: 13/741042-19 (A), 13-047629-19 (B) (gev. ttz) en 13-079757-19 (C) (gev. ttz) Datum uitspraak: 28 februari 2020 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2020. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in zaak A schuldig heeft gemaakt aan 1. een woninginbraak aan de [adres 2] op 8 mei 2019, samen met een ander of anderen; 2. zich met geweld verzetten tegen zijn aanhouding op 8 mei 2019 te Amsterdam; in zaak B: het voorhanden hebben van een vuurwapen op 3 februari 2019 te Amsterdam samen met een ander of anderen; in zaak C: het beledigingen van twee politieagenten op 20 februari 2019 te Amsterdam. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft, op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte in de zaken A en C, gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van zaak B heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte heeft verklaard: “Vuurwapen is een groot woord”. Gelet hierop was verdachte kennelijk op de hoogte van het wapen en dat het een gaspistool betrof. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen zoals ten laste gelegd in zaak B. Anders dan dat verdachte is aangetroffen in een auto die toebehoort aan een ander en waarin later een vuurwapen wordt gevonden, bevat het dossier geen bewijsmiddelen die maken dat bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto. Van het aangetroffen DNA-spoor op het vuurwapen is gebleken dat dit niet aan verdachte toebehoort. De raadsman heeft ten aanzien van de overige feiten geen inhoudelijk verweer gevoerd. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak voor het ten laste gelegde in zaak B De rechtbank acht, met de raadsman, niet bewezen hetgeen in zaak B ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen in de tas in de kofferbak van de auto waarin hij is aangetroffen door de politie. Ook de verklaring van verdachte (“Vuurwapen is een groot woord”) maakt dit niet anders nu deze verklaring van verdachte op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Het is niet duidelijk in reactie waarop hij dit heeft gezegd en hieruit kan niet worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van het wapen in de kofferbak. 3.3.2 Bewezenverklaring voor het ten laste gelegde in de zaken A en C De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak en goederen en een geldbedrag heeft weggenomen. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaar [persoon 1] toen zij hem wilde aanhouden. Ten aanzien van het verzet van verdachte tegen [persoon 1] tijdens zijn aanhouding heeft verdachte ter zitting erkend dat hij zich heeft losgerukt maar dat hij [persoon 1] daarbij niet heeft geslagen en geschopt. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte verzet heeft gepleegd op de wijze waarop het aan hem ten laste is gelegd en baseert zich daarvoor op het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van [persoon 1]. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de betrouwbaarheid hiervan te twijfelen. Ten aanzien van het ten laste gelegde in zaak C, de belediging van twee politieambtenaren, heeft verdachte ter zitting een bekennende verklaring afgelegd. Samen met de bewijsmiddelen in het dossier acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich aan dit feit schuldig heeft gemaakt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 1 in zaak A: op 8 mei 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen uit een woning gelegen aan de [adres 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een of meer elektronische apparaten en - een of meer tassen (met inhoud) en - een kledingstuk en - een portemonnee en - een paspoort, op naam van [persoon 2], en - een geldbedrag, toebehorend aan [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4], waarbij hij, verdachte en zijn mededader zich de toegang tot die woning hebben verschaft en die weg te nemen goederen en het geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de huissleutel uit het sleutelkastje en braak; Ten aanzien van feit 2 in zaak A: hij op 8 mei 2019 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [persoon 1], agent politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van haar bediening, te weten noodhulpassistentie en de aanhouding van hem, verdachte ter zake overtreding van artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, door te rukken en te trekken in een richting anders dan die waarin die ambtenaar hem wilde geleiden en meermalen tegen de benen van voornoemde [persoon 1], te schoppen en haar te slaan; ten aanzien van zaak C: hij op 20 februari 2019 te Amsterdam, opzettelijk twee ambtenaren, te weten [persoon 5], werkzaam als hoofdagent bij de politie eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Jij bent een vieze flikker" en "je bent gewoon een hoerenkind" en "Kankerhoeren moeder" en "vuile flikker" en "hij is gewoon een flikker", en [persoon 6], werkzaam als hoofdagent bij de politie eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "je bent een flikker". Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 4Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 5De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 6Motivering van de straffen en maatregelen 6.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met aftrek van voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit aan verdachte een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke straf. Ten aanzien van de duur daarvan heeft de raadsman verwezen naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS en zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak waarbij zij goederen en geld hebben weggenomen. Woninginbraken zijn buitengewoon ergerlijke feiten, die niet alleen overlast en financiële schade mee brengen, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en de maatschappij in het algemeen veroorzaken. Verdachte heeft zich vervolgens schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld tegen een opsporingsambtenaar te verzetten. Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan de belediging van twee politieagenten. De verdachte heeft het gezag van de politieagenten ondermijnd en de agenten in hun eer en goede naam aangetast door kwetsende woorden te gebruiken. De reclassering heeft op 3 februari 2020 een rapport opgemaakt over verdachte. Uit het rapport blijkt, kort samengevat, dat verdachte nadat hij begin oktober 2019 zijn enkelband heeft doorgeknipt niet meer in beeld is geweest bij zowel de reclassering, als de politie, WPI en de casusregisseur. De reclassering acht gelet op de risicofactoren echter wel interventies geïndiceerd en ziet daartoe reclasseringsmogelijkheden. Verdachte heeft zich tot oktober 2019 opengesteld voor begeleiding en er leek sprake te zijn van ingangen voor gedragsverandering. Verdachte leek hulp te accepteren, iets dat hij eerder niet deed. Om recidive te voorkomen, is het van belang dat verdachte begeleid zal gaan Wonen, het liefst buiten Amsterdam. Weggaan uit zijn oude omgeving die aan hem blijft trekken is een vereiste. Een belangrijke voorwaarde is dat verdachte zal meewerken aan screening en/of nadere diagnostiek, zodat duidelijk wordt wat de (on)mogelijkheden van verdachte zijn en welke begeleiding er bij hem zal aansluiten. Een enkelband hoeft volgens de reclassering geen onderdeel meer uit te maken van het begeleidingstraject. Ook zonder enkelband kan verdachte laten zien in hoeverre hij zelf in staat is om zijn leven op een gestructureerde manier vorm te geven. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zich inzetten voor een passende dagbesteding zoals het volgen van een opleiding en/of het hebben van werk. De rechtbank zal het advies van de reclassering overnemen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij blij is dat de reclassering zich nogmaals wil inzetten voor hem en dat hij aan de geadviseerde voorwaarden zal meewerken. De rechtbank vindt dat verdachte de kans moet krijgen om verder te gaan met het eerder met de reclassering ingezette traject. Verdachte lijkt oprecht in zijn voornemen zijn leven weer op de rit te willen krijgen met hulp van de reclassering en het is te prijzen dat hij daartoe de eerste aanzet heeft gegeven door tevens ter zitting te verschijnen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Gelet op de vrijspraak van het vuurwapenbezit en de oriëntatiepunten van het LOVS zal de rechtbank, anders dan door de officier van justitie geëist, aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van twee maanden met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van twee jaren. Tevens zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 200 uren worden opgelegd met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Verbeurdverklaring Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp dat aan verdachte toebehoort, te weten een handschoen, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het in zaak A bewezen geachte is begaan. Bewaring rechthebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.