← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:2828

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/111370-19 Datum uitspraak: 26 mei 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. C.M.H. van Vliet naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 5 december 2018 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeluk, dan wel het veroorzaken van gevaar op de weg waarbij verdachte tegen [persoon] is aangereden, waardoor aan [persoon] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Vrijspraak 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde. Wel acht hij het subsidiair ten laste gelegde bewezen. Verdachte heeft onvoldoende opgelet bij de voetgangersoversteekplaats, waardoor zij gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Als gevolg hiervan werd het slachtoffer, [persoon], aangereden, die aan dit ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van dertig uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Aan de zijde van verdachte kan geen mate van schuld worden vastgesteld in de zin van 6 WVW. Dit geldt ook voor het subsidiair ten laste gelegde. Weliswaar heeft verdachte de voetgangster niet opgemerkt en heeft zij haar geen voorrang verleend en aldus een verkeersfout gemaakt, maar er kan niet worden gesproken over gedragingen die gevaar veroorzaken in de zin van artikel 5 WVW. Het ongeval lijkt eerder het gevolg te zijn van een uiterst ongelukkige samenloop van omstandigheden, in plaats van een in strafrechtelijke zin verwijtbare gevaarzetting van de zijde van verdachte. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen. Hiertoe is het volgende van belang. Op 5 december 2018 kwam verdachte aanrijden in haar auto vanuit het Stadshart van Amstelveen. Het was donker en het regende, waardoor het zicht beperkt was. Op de Van der Hooplaan rijdt verdachte tussen twee rotondes met een snelheid van ongeveer 40 kilometer per uur. Als zij aanrijdt op de volgende rotonde, waarvóór ook een voetgangersoversteekplaats is in de vorm van een zebrapad, remt zij af. Zij kijkt of er iemand oversteekt, maar ziet niemand. Bij het kruisen van het zebrapad verschijnt plotseling mevrouw [persoon] in de koplampen, die op dat moment het zebrapad oversteekt. Ondanks dat verdachte direct op de rem trapt, kan een aanrijding niet worden voorkomen en [persoon] raakt daarbij zwaargewond. Uit voorgaande feiten en omstandigheden blijkt niet van een ernstige verkeersfout aan de zijde van verdachte. Zij heeft niet te hard gereden, heeft afgeremd bij het zebrapad en uitgekeken naar overstekende voetgangers. Daarbij heeft zij mevrouw [persoon] over het hoofd gezien. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het gevolg geweest van de weersomstandigheden en het slechte zicht op de oversteekplaats. Dit blijkt niet alleen uit de foto die op de plaats van het ongeval – in het donker – vanuit de auto van verdachte is genomen, maar ook uit het feit dat de gemeente Amstelveen recentelijk nieuwe veiligheidsmaatregelen heeft aangebracht op de bewuste oversteekplaats, omdat deze als gevaarlijk te boek stond. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte in strafrechtelijke zin geen verwijt valt te maken. Het was een ongeluk en niets meer dan dat. Hiermee wil de rechtbank overigens geenszins afbreuk doen aan de gevolgen die dit ongeluk heeft gehad voor het slachtoffer. Uit de brief die mevrouw [persoon] heeft geschreven, komt duidelijk naar voren hoezeer zij door de gevolgen van het ongeluk is getroffen. De rechtbank betreurt het ongeluk en de gevolgen die dat heeft veroorzaakt, maar ziet geen schuld in strafrechtelijke zin aan de zijde van verdachte. Zij zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. 4Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch, voorzitter, mrs. A.A. Spoel en I. Mannen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei
  2. Bijlage – Tenlastelegging [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.