RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751135-20 RK nummer: 20/931 Datum uitspraak: 27 mei 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2020 door het Tribunal Judicial da Comarca do Porto (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1982, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], locatie ‘[locatie]’, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft bij verklaring van 25 mei 2020 afstand gedaan van haar recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van haar zaak. Haar raadsman, mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, heeft desgevraagd laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Bulgaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis dat is uitgesproken op 7 maart 2017, herzien op 21 februari 2018 en in gewijsde gegaan op 1 augustus 2019. Referentie: 347/10.8PJPRT. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, zodat de overlevering moet worden geweigerd. Zij overweegt daartoe als volgt. In onderdeel
- d)van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit aanvullende informatie van de Portugese autoriteiten blijkt dat de opgeëiste in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 7 maart 2017 van het Tribunal Judicial da Comarca do Porto heeft geleid. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld. Op 21 februari 2018 heeft the Court of Appeal of Porto uitspraak gedaan en de straf aangepast. Die uitspraak is op 10 mei 2019 bevestigd door the Supreme Court of Justice. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat the Supreme Court of Justice de in hoger beroep opgelegde straf heeft bevestigd en geen oordeel heeft gegeven over de feiten. Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, lid 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem of haar een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C‑270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)). De rechtbank stelt vast dat een inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Het vonnis in eerste aanleg is daarom niet relevant voor de toetsing of aan de vereisten van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW is voldaan. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting in hoger beroep en dat zij niet in persoon voor die zitting is gedagvaard. Zij werd vertegenwoordigd door een door de rechtbank toegewezen advocaat. De opgeëiste persoon heeft deze advocaat niet gemachtigd om namens haar op te treden. De uitspraak in hoger beroep is niet aan de opgeëiste persoon betekend. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet de in artikel 12, onder d, OLW bedoelde garantie gegeven. Nu zich geen van de omstandigheden van artikel 12 onder a tot en met d OLW heeft voorgedaan, moet de overlevering op grond van dit artikel worden geweigerd. 5Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 12 Overleveringswet. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Tribunal Judicial da Comarca do Porto (Portugal). STELT VAST dat de overleveringsdetentie is beëindigd. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. A.W.C.M. van Emmerik en V.V. Essenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2020. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.