vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8248728 CV EXPL 20-56 vonnis van: 19 juni 2020 vonnis van de kantonrechter I n z a k e
(2017), is feitelijk sprake van samenwoning. [eiser 2] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij 20 uur per week bij de gemeente werkt en daarnaast met iemand anders een eigen zorgbedrijf heeft. Hoe [eiser 2] onder deze omstandigheden de 24 uur toezicht en verzorging van [eiser 1] uitvoert is niet duidelijk geworden. Los daarvan kunnen bij de intenties van zowel [eiser 2] als [eiser 1] vraagtekens worden gezet, nu onbetwist is gebleven dat zij allebei hebben gereageerd op aanbod van andere woningen nadat de samenwoning feitelijk is gestart.
- De vaststaande feiten wijzen er naar het oordeel van de kantonrechter op dat de samenwoning is te beschouwen als een praktische oplossing die tegemoet komt aan een wederzijdse behoefte; de behoefte van [eiser 1] aan dagelijkse verzorging (omdat hij eenzaam was in het verpleegtehuis) en de behoefte van [eiser 2] aan een woning voor haar en haar vier kinderen. Tussen [eiser 1] en [eiser 2] is geen sprake van een affectieve relatie. Wel is aannemelijk dat sprake is van een vriendschappelijke band tussen de beide families die al lange tijd bestaat. Niet echter is gesteld of gebleken dat [eiser 1] en [eiser 2] elkaars leven op elkaar hebben afgestemd, of de nodige tijd met elkaar doorbrengen, zoals in de weekends of vakanties of andere uitjes. In elk geval niet meer dan wat nodig is om aan de hiervoor genoemde - praktische - behoefte te voldoen.
- Voor wat betreft de gestelde deling van kosten van levensonderhoud is tegenover de betwisting slechts een overeenkomst tot het openen van een gezamenlijke bankrekening overgelegd. Een feitelijke toelichting en/of andere bewijsstukken onderbreken.
- Het voorgaande voert tot het oordeel dat de samenwoning van [eiser 2] en [eiser 1] niet kwalificeert als een duurzaam gemeenschappelijke huishouding in de wettelijke zin. Eisers (op wie de stelplicht en bewijslast rust) hebben tegenover het gemotiveerd verweer en in het licht van de overgelegde stukken geen nieuwe aanknopingspunten gesteld die kunnen leiden tot een ander oordeel. Voor een bewijsopdracht bestaat geen aanleiding.
- De kantonrechter is op grond van de vaststaande feiten tevens van oordeel dat de vordering de kennelijke strekking heeft om [eiser 2] de positie van huurder te verschaffen.
- Een en ander betekent dat de vordering zal worden afgewezen. In reconventie Ontbinding en ontruiming
- Nu aan de voorwaarde voor de eis in reconventie is voldaan wordt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan toegekomen. De Alliantie vordert in reconventie ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
- Hiervoor is gebleken dat [eiser 1] in strijd met zijn verplichtingen als huurder de woning in gebruik heeft gegeven aan [eiser 2] en haar kinderen, zonder schriftelijke toestemming van De Alliantie. Dit is een tekortkoming die grond geeft voor ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Hierover wordt het volgende overwogen.
- Zoals hiervoor is geoordeeld kwalificeert het gezamenlijk gebruik van de woning door [eiser 2] en [eiser 1] niet als duurzame gemeenschappelijke samenwoning, maar is sprake van een praktische oplossing die voorziet in een wederzijdse behoefte. Blijkens de vaststaande feiten is De Alliantie al sinds 2015 op de hoogte dat [eiser 1] gedurende twee jaar op een ander adres ingeschreven heeft gestaan en dat [eiser 2] met haar kinderen op de woning staat ingeschreven en verblijft. Zonder nadere toelichting die ontbreekt valt niet in te zien waarom De Alliantie toentertijd niets heeft ondernomen tegen de geconstateerde situatie.
- Vanwege de geestelijke en fysieke toestand van [eiser 1] acht de kantonrechter verder aannemelijk dat [eiser 1] niet wist dat hij toestemming nodig had voor de wijze van gebruik van de woning. De geestelijke en fysieke toestand van [eiser 1] pleiten ook tegen ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen.
- Gelet op het voorgaande en na afweging van de betrokken belangen is kantonrechter van oordeel dat de tekortkoming vanwege de bijzondere aard en de overige omstandigheden van dit geval, waaronder de ruim 30 jaar durende huurrelatie, niet de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
- De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal daarom worden afgewezen. In conventie en reconventie
- Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten in beide procedures gecompenseerd, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. BESLISSING De kantonrechter: in conventie en reconventie wijst de vorderingen af; compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.