RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/994047-17 (Promis) Datum uitspraak: 30 juni 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen: [verdachte] , post- en vestigingsplaats: [post- en vesstigingsplaats] . 1Het onderzoek tijdens de zitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13, 14 en 15 mei
(9)en de ingekorte rioolput afgedekt met een betonnen putdeksel en zijn openingen ontstaan bij de aansluiting van de afgezaagde rioolput (gedachtestreepje 10). Nadat het [medeverdachte 1] bekend was geworden dat de leiding een gasleiding betrof heeft hij geen contact opgenomen met de gasnetbeheerder (gedachtestreepje 11). Ook is geen toestemming gevraagd voor het machinaal graven binnen één meter van een leiding (gedachtestreepje 12). [medeverdachte 1] heeft zeer nabij die gasleiding machinaal gegraven en gewerkt (gedachtestreepje 13) en heeft met de graafmachine de gasleiding beschadigd waardoor gasuitstroom plaatsvond (gedachtestreepje 14). Hierop heeft [medeverdachte 1] de beschadigde gasleiding afgedekt met zand en een graafbak (gedachtestreepje 15). Waarom kunnen deze gedragingen bewezen worden? De rechtbank legt aan de hand van een beschrijving van wat er is gebeurd uit waarom zij deze gedragingen bewezen vindt. Uit het dossier kan het volgende worden afgeleid. Begin april 2016 is gestart met de werkzaamheden ter uitvoering van het project rioolrenovatie [adres] in [plaats] . Met dit project is onder meer het bestaande riool vergroot en zijn putten op het riool aangesloten. Om dit te realiseren is een groot deel van de straat [adres] opengelegd waarna graafwerkzaamheden in de grond zijn verricht. In de week voorafgaand aan het incident, op 27 mei 2016, zijn proefsleuven gegraven ter voorbereiding van het plaatsen van een rioolput. De [verdachte] en [medeverdachte 1] waren ermee bekend dat er zich een waterleiding en een gasleiding in de grond bevonden, maar waar die precies lagen was onduidelijk. Met de proefsleuven moest de exacte ligging van de leidingen worden vastgesteld. Bij het opengraven van de grond constateerden [naam 2] en [naam 3] (beide werkzaam bij [medeverdachte 1] ), dat één van de leidingen dichter op de te plaatsen rioolput zou komen te liggen dan vooraf op de tekening was aangegeven. Door [naam 2] is aan de leiding gevoeld om vast te stellen of dit de water- of gasleiding betrof. De leiding voelde licht en niet koud aan, dit is normaal gesproken wel het geval bij een waterleiding. Daarnaast was de leiding niet geel van kleur, terwijl gasleidingen altijd geel of wit van kleur zijn. Hierdoor was het voor [naam 2] onduidelijk of hij met de water- of gasleiding te maken had. [naam 3] heeft verklaard dat hij verder geen actie heeft ondernomen om de leidingen te identificeren. Dat maakte hem ook niet zoveel uit, geen van beide type leidingen mocht worden beschadigd. De verwarring over de aard van de leiding is besproken met de toezichthouder [naam 1] . [naam 1] heeft verklaard dat de leiding er wit bleek uitzag en dat een gasleiding normaal gesproken geel van kleur is. Door hem zijn geen handelingen verricht om het type leiding vast te stellen zoals het voelen aan de leiding. Uiteindelijk zijn [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] na het bekijken van de klictekening (de verzamelkaart) tot de conclusie gekomen dat de leiding de waterleiding moest zijn. Op de tekening stond namelijk op deze locatie een waterleiding ingetekend. De projectleider vanuit de [verdachte] , [naam 4] , heeft zich bij deze conclusie aangesloten. [naam 4] heeft verklaard dat hij op basis van de klictekening, de kleur en het materiaal van de leiding ervan overtuigd was dat het de waterleiding betrof. De rechtbank stelt vast dat beide partijen hebben nagelaten om contact op te nemen met de netbeheerders van de water- en gasleiding om de aard van de leiding te identificeren. Bij de uitvoering van het project zijn door [medeverdachte 1] alleen verzamelkaarten gebruikt en geen thema- of detailkaarten. Deze kaarten waren wel meegeleverd bij de graafmelding. [naam eigenaar] (de eigenaar van [medeverdachte 1] ) heeft verklaard dat hij bewust geen themakaarten aan zijn grondwerkers heeft meegegeven ter voorkoming van verwarring. Door alle lijntjes zou oriëntatie op basis van de themakaart lastig zijn. Naast de verwarring over de aard van de leiding heeft [naam 3] ook de ligging van de vermeende waterleiding in de nabijheid van de te plaatsen rioolput besproken met [naam 1] . In de veronderstelling te maken te hebben met een waterleiding heeft [naam 1] contact opgenomen met de netbeheerder van de waterleiding: Vitens. Na reactie van Vitens heeft [naam 1] besloten de leiding te laten liggen en deze niet te laten verleggen. [medeverdachte 1] is doorgegaan met de werkzaamheden. Omdat de gasleiding werd aan gezien voor een waterleiding is [medeverdachte 2] , netbeheerder van de gasleiding, niet gebeld. Tijdens de werkzaamheden bleek dat de betonnen dekplaat die op de rioolput zou worden geplaatst, te hoog kwam te liggen ten opzichte van de vermeende waterleiding. [naam 3] heeft dit probleem met [naam 1] besproken. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] volgt dat [naam 1] opdracht heeft gegeven een stuk van de rioolput af te zagen om de constructie passend te maken. Hierop heeft [naam 3] met een reciprozaag banden van de put gezaagd waarbij ook de rubberen afdichtring aan de bovenzijde van de put is verwijderd. [naam 3] en [naam 2] hebben verklaard dat de zaagsnede niet kaarsrecht kan zijn geweest. De rubberen afdichtring kon niet worden teruggeplaatst omdat die vast zat aan het afgezaagde deel van de put. [naam 1] zelf heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op eigen initiatief de rioolput heeft ingekort en dat deze beslissing niet met hem is besproken. Wel is hij achteraf met dit besluit akkoord gegaan. [naam 1] heeft gezegd dat hij ook toestemming zou hebben gegeven voor het inkorten van de rioolput als hem dat op dat moment was gevraagd. Nu wisselend wordt verklaard over op wiens initiatief de rioolput is ingekort, kan de rechtbank niet vaststellen welke partij daar daadwerkelijk opdracht toe heeft gegeven. Wel staat vast dat [naam 1] heeft ingestemd met het inkorten van de rioolput door een ring van de put af te zagen. Op 30 mei 2016 kwam [naam 2] tot de conclusie dat de vermeende waterleiding toch een gasleiding moest zijn. Dit kon niet anders gelet op het gewicht en de temperatuur van de leiding. [naam 3] kwam op 3 juni 2016 tot de conclusie dat het toch de gasleiding betrof. Op de klicmelding stonden de diameters van de leidingen vermeld. [naam 3] zag dat de diameter van de gasleiding overeen kwam met de leiding waarvan hij eerst dacht dat het de waterleiding was. Dit kon je met het blote oog zien. [naam 2] en [naam 3] hebben hun bevindingen met elkaar besproken en waren het met elkaar eens dat de leiding naast de rioolput een gasleiding was. [naam 3] heeft deze informatie niet met [naam 1] gedeeld. Het werk was nagenoeg klaar. [naam 2] weet niet of er contact is opgenomen met de beheerder van de gasleiding over de ligging van de leiding zo dicht op de rioolput. Hij heeft dit in ieder geval niet gedaan. [naam 1] heeft verklaard dat hij er op 3 juni nog steeds vanuit ging dat de leiding een waterleiding was. Op 3 juni 2016 is de ingekorte rioolput op het riool aangesloten en is de betonnen dekplaat op de put geplaatst. De afstand tussen de dekplaat en de gasleiding betrof ongeveer drie à vier centimeter. Vervolgens is de ballon in het riool naar de woningen [adres] tot en met [nummer] verwijderd. Omdat de overige ballonnen ter afdichting van aansluitingen op het riool niet werden verwijderd, stond alleen het riool naar [adres] tot en met [nummer] in verbinding met de rioolput. Om de graaflocatie veilig achter te laten voor het weekend hebben [naam 2] en [naam 5] (ingehuurd door [medeverdachte 1] ), de gaten rondom de rioolput met zand aangevuld tot straatniveau. [naam 2] stond in het gat. [naam 5] bestuurde de graafmachine en strooide met de graafbak steeds een laagje zand in het gat waarna [naam 2] het zand handmatig verspreide. [naam 1] heeft in de ochtend de graaflocatie bezocht. Hij heeft gezien dat er machinaal werd gegraven nabij de leidingen, maar zag dit niet als een probleem. [naam 1] heeft die middag vrij genomen. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 5] is gebleken dat [naam 5] met de bak van de graafmachine zand tussen de gasleiding en de dekplaat heeft gestrooid. Hierbij is zand op de dekplaat terecht gekomen. [naam 5] heeft geprobeerd om met de graafbak het zand van de dekplaat te schrapen. Hij heeft de bak van de graafmachine op de dekplaat gezet en naar zich toe gehaald. Hierbij heeft [naam 5] met de zijkant van de graafbak de gasleiding geraakt, ter hoogte van een mof. [naam 5] heeft verklaard dat hij de buis hoorde knappen en direct een blazend en sissend geluid hoorde. [naam 2] heeft verklaard dat hij het krakende geluid van kunststof hoorde. Doordat de twee delen van de gasleiding ten opzichte van elkaar in hoogte verschilden, zag [naam 2] een gat in de vorm van een halve maan. Hij heeft verklaard dat het zand werd weggeblazen. Tevens hoorde hij het geluid van stromend gas en rook hij direct een gaslucht. Op aanwijzing van [naam 2] heeft [naam 5] zand op het gaslek gegooid en de bak van de graafmachine bovenop het zand gezet. [naam 2] heeft direct met [medeverdachte 2] , de netbeheerder van de gasleiding, gebeld. Dit was om 16:36 uur. Om 17:47 uur is [naam 6] (monteur van [medeverdachte 2] ), op de graaflocatie gearriveerd. [naam 6] heeft een meting verricht om de concentratie gas in het riool vast te stellen. In het riool werd 85 vol% gas gemeten. Hierop heeft [naam 6] contact opgenomen met de brandweer en opdracht gegeven de bewoners uit hun woningen te halen. Tegelijkertijd hebben er ontploffingen plaatsgevonden in de woningen [adres] tot en met [nummer] en is daar brand uitgebroken. Als gevolg van de ontploffingen en brand zijn een aantal woningen geheel verwoest en een aantal woningen onherstelbaar beschadigd. NFI-deskundige Van Rijswijk heeft aan de hand van onderzoek aan de gasleiding, foto’s en verklaringen van betrokkenen onderzocht hoe het gas zich van het gaslek op straat naar de woningen heeft kunnen verspreiden en hoe het daar tot ontploffing is gekomen. Van Rijkwijk beschrijft dat uitstromend gas zich altijd een weg naar buiten zoekt. Deze weg kan ook door de grond lopen, omdat grond gas doorlatend is. Van Rijswijk concludeert dat het extreem veel waarschijnlijker is dat het gas zich via het riool naar de woningen heeft verspreid, dan dat het gas via een andere weg over die afstand en in die hoeveelheid in de woningen is terechtgekomen. Door de handmatig ingekorte rioolput, de nog niet gedichte kieren en het vers aangevulde zand rond het gaslek kon het uitstromende gas in de rioolput komen. Het riool dat in verbinding stond met de woningen [adres] tot en met [nummer] was de enige uitweg voor het gas vanaf de rioolput. Doordat er gas in het riool bleef stromen is de druk in het riool dusdanig opgelopen dat het gas het waterslot in de afvoer van de woningen heeft doorbroken. Het gas heeft zich net zo lang in de woningen kunnen ophopen tot er een explosief mengsel ontstond. In een woonhuis zijn verschillende apparaten aanwezig die als ontstekingsbron kunnen fungeren. Het was daarom een kwestie van tijd voordat zich een geschikte ontstekingsbron voordeed. Dit is ook gebeurd. 5.3.5 Zijn de ontploffingen en brand de schuld van verdachte? De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of het ontstaan van de ontploffingen en brand aan de schuld van verdachte is te wijten. Hierbij gaat het om schuld in strafrechtelijke zin. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid die verwijtbaar is. Dit is het geval als verdachte anders had moeten handelen (verwijtbaar) en anders kon handelen (vermijdbaar), tenzij er bijzondere omstandigheden zijn waardoor dit niet aangenomen zou moeten worden. Om dit vast te stellen moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, waarbij rekening wordt gehouden met wat van verdachte mocht worden verwacht (garantenstellung). Dit alles moet worden beoordeeld op basis van de situatie zoals die op 3 juni 2016 van toepassing was, en niet met de kennis van achteraf. De rechtbank heeft al overwogen dat en waarom aan verdachte hogere zorgvuldigheidseisen gesteld kunnen worden en dat zij als opdrachtgever en toezichthouder ervoor verantwoordelijk was dat de graafwerkzaamheden in de grond op zorgvuldige wijze uitgevoerd kon worden en dat de toepasselijke wet- en regelgeving werd nageleefd. Van verdachte mocht en kon worden verwacht dat zij vanuit de op haar rustende zorgplicht ook oog zouden hebben voor de risico’s die werken dicht op een gasleiding met zich meebrengen en het gevaar dat dit voor personen of goederen kan vormen. In dit kader mocht en kon van verdachte worden verwacht dat zij zou ingrijpen wanneer zich een risicovolle situatie voordeed of wanneer de (graaf)werkzaamheden op onjuiste wijze werden uitgevoerd. De rechtbank vindt dat sprake is van aanmerkelijke schuld aan de zijde van verdachte. De voornaamste reden hiervoor is dat verdachte op een aantal momenten onvoldoende oog heeft gehad voor de risico’s van het verrichten van grondwerkzaamheden vlak bij een gasleiding, dat zij op deze momenten niet heeft ingegrepen, dat zij ervoor heeft gekozen de leiding niet te laten omleggen. Zij heeft een risicovolle situatie laten bestaan waardoor de kans dat de gasleiding werd geraakt onnodig groot was. De volgende gang van zaken brengt de rechtbank tot dit oordeel. Voorbereidende fase Verdachte is in de voorbereidende fase tekortgeschoten door geen onderzoek te (laten) doen naar de aard van de leidingen die in de grond lagen. Hierdoor is niet tijdig onderkend dat er een gasleiding lag dicht bij de plaats waar in de grond gewerkt zou worden. Dit is van belang omdat nabij gas werken gevaarlijker is dan werken nabij een waterleiding. Risico’s hadden op een eerder moment ingeschat kunnen worden en daarop hadden passende maatregelen getroffen kunnen worden zoals het omleggen van de gasleiding. Tijdens het werk Tijdens de uitvoering van het project zijn twee leidingen aangetroffen waarvan niet direct met zekerheid kon worden gezegd wat welke leiding was: water- of gasleiding. Vervolgens bleek dat de rioolput met dekplaat dichter op de leiding kwam te liggen dan vooraf op de bouwtekening was aangegeven. Bij deze stand van zaken mocht het van verdachte worden verwacht dat zij erop toezag dat eerst de identiteit van elke leidingen werd vastgesteld om zeker te weten welke leiding waar lag, voordat [medeverdachte 1] verder zou gaan met de werkzaamheden op deze plek. [medeverdachte 1] , maar ook verdachte zelf, had dit eenvoudig kunnen doen met behulp van de detailkaarten (de zogenoemde laagjeskaart). Alle tekeningen en kaarten verkregen bij de graafmelding waren beschikbaar. Daarnaast had het op de weg van verdachte gelegen om naast contact met Vitens ook contact op te nemen met [medeverdachte 2] , de netbeheerder van de gasleiding. De netbeheerders hadden uitsluitsel kunnen geven welke leiding van hen was. Op 3 juni 2016 werd voor [medeverdachte 1] duidelijk dat de leiding die vlak naast de rioolput liep een gasleiding was. Zij heeft deze informatie niet met verdachte gedeeld. Wel werd op 3 juni 2016 voor verdachte duidelijk dat de dekplaat en de leiding met elkaar in conflict kwamen. Op dat moment had het voor verdachte evident moeten zijn dat er een gevaarlijke situatie kon ontstaan die bovendien niet voldeed aan de regelgeving, en dat door de ligging van de dekplaat dicht naast de leiding de kans op het raken van de leiding een reëel risico was. Van verdachte mocht en kon worden verwacht dat zij de werkzaamheden had stilgelegd en contact had opgenomen met de netbeheerder van de leiding om de leiding al dan niet te laten omleggen. Verdachte had niet mogen volstaan met het instemmen met het inkorten van de rioolput. Nu verdachte ter zake deskundig is, had zij deze risicovolle situatie moeten onderkennen, moeten opmerken dat er in strijd met de wet- en regelgeving werd gewerkt en moeten ingrijpen. Dit alles heeft verdachte niet gedaan. Verdachte heeft zelfs toegestaan dat met de graafmachine werkzaamheden werden verricht in de nabijheid van de leiding. Verdachte heeft dan ook niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. De risico’s en gevolgen die zich hebben voorgedaan kunnen aan verdachte worden toegerekend mede door de schending van die zorgplicht. Dat [medeverdachte 1] de aannemer was en daarom de meeste werkzaamheden door hem zijn uitgevoerd en niet door verdachte, ontslaat verdachte niet van haar eigen verantwoordlijkheden op ditzelfde punt. Verdachte heeft keer op keer haar toezichthoudende taken verwaarloosd door niet in te grijpen toen zich een risicovolle situatie of situatie in strijd met de wet- en regelgevingen voordeed. Door het uitblijven van ingrijpen heeft verdachte het mede mogelijk gemaakt dat een (ingehuurde) medewerker van [medeverdachte 1] de leiding kon beschadigen en het gaslek kon ontstaan. Dit maakt dat er sprake is van aannemelijke schuld bij verdachte. 5.3.6 Is er een causaal verband tussen de gedragingen en ontploffingen en brand? De vraag die tot slot moet worden beantwoord, is of er een causaal verband bestaat tussen het aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam handelen van verdachte en de ontploffing en brand zelf. Daarnaast moet door de ontploffing en brand gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zijn ontstaan Naar vaste rechtspraak dient het causale verband te worden vastgesteld aan de hand van het criterium van de redelijke toerekening. Als een gedraging naar haar aard geschikt is om het uiteindelijke gevolg teweeg te brengen of te voorkomen, dan doorbreken tussenkomende factoren de causaliteitketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg. Het uit de gedraging voortvloeiende gevaar dient in het algemeen voorzienbaar te zijn op het moment dat de gedraging wordt verricht. Omdat sprake is van medeplegen kunnen de gedragingen verricht door [medeverdachte 1] ook aan verdachte worden toegerekend. In de twee voorgaande paragrafen is uiteen gezet dat zich de situatie heeft voorgedaan waarin een gasleiding zeer dicht op een rioolput met dekplaat is lag waarna er in de nabijheid van deze gasleiding is gewerkt. Door deze keten van gedragingen is het gaslek ontstaan. Had verdachte direct na het aantreffen de echte aard van de leiding vastgesteld, die gasleiding al dan niet laten omleggen en niet zo dicht bij de rioolput met dekplaat laten liggen, niet toegestaan dat machinaal nabij de gasleiding werd gewerkt en had [medeverdachte 1] niet de gasleiding geraakt, dan was er geen gaslek ontstaan. In deze keten van gebeurtenissen is ook van belang dat het gaslek met zand en de bak van de graafmachine is afgedicht. Hierdoor heeft het gas zijn weg kunnen vinden naar de huizen aan de [adres] . Als gevolg van deze keten van gedragingen hebben er ontploffingen plaatsgevonden en is brand uitgebroken. De kans dat door het machinaal werken dicht op een gasleiding, die gasleiding wordt beschadigd waardoor er gasuitstroom kan plaatsvinden, en dit gas tot ontploffing en ontbranding kan komen, is voorzienbaar. Het is tenslotte algemeen bekend dat gas een gevaarlijke stof is, juist omdat zij brandbaar en explosief is. Verdachte moet dit ook hebben geweten. Hiermee zijn de gedragingen van verdachte een noodzakelijke factor geweest voor het doen ontstaan van de ontploffingen en het uitbreken van brand. Is sprake geweest van gevaar voor goederen en levensgevaar? Het directe gevolg van het gaslek en de daarop volgende ontploffingen en brand is dat de woningen [adres] tot en met [nummer] geheel zijn verwoest en de woningen [adres] [nummer] tot en met [nummer] onbewoonbaar zijn geworden. Niet alleen is gevaar voor goederen ontstaan (de woningen en inboedel), dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. Daarnaast is sprake geweest van levensgevaar, en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De eerste explosie vond plaats rond 18:00 uur. Op dat moment waren de bewoners van huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] thuis. Bij een aantal van hen waren mensen op visite. Zij bevonden zich in de woning of de achtertuin. Bewoners hebben verklaard dat door de explosie de ramen uit hun sponningen sprongen, de muren op hen afkwamen en stukken hout van de woning in het rond vlogen. Omdat het gas via de watersloten in de woningen kon uitstromen, en de ontploffingen en brand plaatsvonden op een tijdstip waarop, naar algemene bekendheid, de kans zeer groot was dat minstens een deel van de bewoners van de woningen thuis was, en de bewoners en visite van vijf van de woningen inderdaad thuis waren, kan worden geoordeeld dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig was. 6Bewezenverklaring De rechtbank vindt op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op meer tijdstippen omstreeks 3 juni 2016 te Urk, tezamen en in vereniging met een ander, voorafgaand aan en tijdens graafwerkzaamheden op de [adres] op of zeer nabij de plek waar een rioolput geplaatst moest worden aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, aangezien zij en haar mededader:
- onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de aard van de tijdens de werkzaamheden aangetroffen leidingen en
- geen zogenaamde themakaarten m.b.t. een aangetroffen onbekende leiding hebben geraadpleegd en
- geen contact hebben opgenomen met de juiste netbeheerder van die leiding en
- een gasleiding als waterleiding hebben aangemerkt en
- in strijd met het CROW250 niet met de graafwerkzaamheden zijn gestopt en
- die leiding niet hebben doen omleggen toen bleek dat die leiding lag zeer nabij de plek waar een rioolput geplaatst moest worden en
- heeft besloten of heeft goed gevonden om de te plaatsen rioolput in te korten door het afzagen en verwijderen van een rubberen afdekring en
- die ingekorte rioolput zeer nabij die leiding hebben geplaatst en
- die ingekorte rioolput hebben afgedekt met een betonnen putdeksel, waarbij openingen bij de aansluiting van die afgezaagde rioolput en (put)deksel ontstonden en
- nadat bekend was dat genoemde leiding een gasleiding betrof, geen contact hebben opgenomen met de gasnetbeheerder en
- (in strijd met het bestek) niet vooraf toestemming heeft gevraagd aan de netbeheerder van de aangetroffen gasleiding om machinaal te graven binnen één meter van de gasleiding en
- zeer nabij die gasleiding machinaal heeft gegraven en gewerkt en
- met die graafmachine genoemde gasleiding heeft beschadigd waardoor gasuitstroom plaatsvond en
- die beschadigde gasleiding heeft afgedekt met zand en een graafbak waardoor het aan verdachtes en haar mededaders schuld te wijten is dat vervolgens ontploffingen hebben plaatsgevonden en brand is ontstaan in woningen gelegen aan de [adres] nummers [nummer] tot en met [nummer] terwijl er gemeen gevaar voor de woningen en de in die woningen aanwezige huisraad en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de op dat moment in of nabij die woningen aanwezige bewoners en andere zich in of nabij die woningen bevindende personen is ontstaan. 7De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Geen straf of maatregel 9.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,-. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht verdachte geheel vrij te spreken van het ten laste gelegde. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte (en haar mededader) heeft enorme gevolgen gehad. De bewoners van de woningen aan de [adres] tot en met [nummer] zijn in één klap dakloos geworden en hebben hun bezittingen verloren. Het valt verdachte als opdrachtgever en toezichthouder van het project aan te rekenen dat zij zonder de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht in aanmerking te nemen grondwerkzaamheden heeft laten uitvoeren. Ook valt het haar aan te rekenen dat zij meerdere keren niet haar verantwoordelijkheid als toezichthouder heeft genomen. Het incident heeft (begrijpelijkerwijs) een grote impact gehad op de bewoners. Uit hun verklaringen blijkt dat zij nog steeds last hebben van de gevolgen van het incident. De zoon van de familie [familienaam] vertelde de rechtbank dat het voor zijn ouders emotioneel te zwaar was om de zittingsdagen bij te wonen. Zij, maar ook hun oudste kleinzoon die tijdens het incident in de woning aanwezig was, hebben psychische begeleiding gehad om alles te kunnen verwerken. Naast hun woning en erfstukken is ook een deel van het archief van de zondagsschool (dat tijdelijk in de woning werd bewaard) verwoest. Daardoor is 150 jaar geschiedenis verloren gegaan. Ook slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben laten weten dat zij nog dagelijks last hebben van de gevolgen van het incident. Voor beiden was het moeilijk om na het incident een geschikte en/of betaalbare (tijdelijke) woning te vinden. Als gevolg daarvan zagen zij zich genoodzaakt lange tijd in te wonen bij familie c.q. in een stacaravan. Geen straf of maatregel Het strafrecht kent drie strafmodaliteiten: een geldboete, taakstraf en gevangenisstraf. Deze straffen kunnen aan een fysiek persoon, een mens van vlees en bloed, worden opgelegd. De verdachte in deze zaak is geen mens, maar een [publieke rechtspersoon] , een publieke rechtspersoon. De enige straf die de rechtbank aan verdachte als rechtspersoon kan opleggen is een geldboete. Binnen het strafrecht zijn bij een rechtspersoon de voornaamste doelen van straffen vergelding en preventie. Vergelding houdt in dat degene die een strafbaar feit heeft begaan daar niet mee ‘weg mag komen’. Hij of zij verdient straf. Het slachtoffer en de samenleving verdienen genoegdoening. Met preventie wordt geprobeerd te voorkomen dat de dader nog een keer een strafbaar feit pleegt. De rechtbank onderkent (met alle procespartijen) dat de gasexplosie in [plaats] nooit had mogen gebeuren en dat aan alle betrokken partijen onherstelbaar leed is toegebracht. Desondanks ziet de rechtbank niet in welk strafdoel er nu nog, 4 jaar na deze gebeurtenis, gediend wordt met bestraffing van verdachte door het opleggen van een geldboete. Het komt niet vaak voor dat een publieke rechtspersoon, in deze zaak de [publieke rechtspersoon] , strafrechtelijk wordt vervolgd. Het komt ook niet vaak voor dat een publiek rechtspersoon vervolgens daadwerkelijk wordt veroordeeld omdat haar een strafbaar verwijt valt te maken. Dat is in deze zaak wel het geval. Binnen de [publieke rechtspersoon] zal de strafvervolging op zichzelf ongetwijfeld zijn uitwerking hebben gehad en mogelijk zijn ook individuele ambtenaren geconfronteerd met de gevolgen van hun handelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte met deze strafrechtelijke veroordeling genoeg is gestraft. Verdachte heeft aangegeven dat zij van het incident heeft geleerd en dat zij herhaling in de toekomst wil voorkomen. De rechtbank hoopt dat verdachte lessen heeft getrokken uit wat er is gebeurd en gaat ervan uit dat de gasexplosie in [plaats] een eenmalige situatie was. Tot slot heeft de rechtbank in haar keuze voor het niet opleggen van een straf of maatregel meegewogen dat verdachte na het incident haar verantwoordelijkheid heeft genomen door alternatieve huisvesting voor de bewoners te regelen. Verder is zij direct begonnen aan de bouw van nieuwe woningen op de plaats van het incident. Ongeveer een jaar na de explosie is het huizenblok opgeleverd en hebben alle bewoners de sleutel van hun nieuwe huis gekregen. Om al deze redenen zal de rechtbank volstaan met vaststelling van de schuld, en zal de rechtbank aan verdachte geen straf of maatregel opleggen. 10Ten aanzien van de benadeelde partijen 10.1 De benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 9.909,50 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting van 13 mei 2016 heeft de benadeelde partij haar vordering aangevuld met een bedrag van € 29.000,- aan materiële schadevergoeding. De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 56.720,84 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. 10.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 2] en [benadeelde partij] gevorderde materiële kosten rechtstreeks uit het strafbare feit voortvloeien en dat de vorderingen voldoende met stukken zijn onderbouwd. De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft haar immateriële vordering voldoende met stukken onderbouwd. Zij heeft concrete gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat zij psychische schade heeft opgelopen als gevolg van de gasexplosie. Daarnaast is de hoogte van de vordering redelijk. De officier van justitie heeft verzocht alle drie de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het aanvullende verzoek tot schadevergoeding van € 29.000,- van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen. 10.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan betwist de verdediging de (hoogte van de) vorderingen ingediend door [slachtoffer 2] en [benadeelde partij] . Ook betwist de verdediging dat zij aansprakelijk of schadeplichtig is voor deze twee vorderingen. De door [slachtoffer 1] ingediende vordering kan wel worden toegewezen. De verdediging heeft op zitting van 15 mei 2020 het volgende toegezegd. Naast onderhavige strafrechtelijke zaak loopt ook een civielrechtelijke zaak. Als verdachte in de civielrechtelijke zaak aansprakelijk wordt gesteld, dan is verdachte bereidt de benadeelde partijen in deze strafzaak schadeloos te stellen. 10.4 Het oordeel van de rechtbank 10.4.1 [slachtoffer 2] Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde kosten, te weten kosten voor de aanschaf van nieuwe spullen, kosten voor tijdelijk verblijf elders en reiskosten heeft moeten maken. Een deel van deze kosten is door de verzekering vergoed. Het andere deel, te weten € 9.909,50, is niet door de verzekeraar uitgekeerd. De rechtbank is van oordeel dat dit restdeel voor vergoeding in aanmerking komt en zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen met wettelijke rente. De benadeelde partij heeft op zitting een aanvullend bedrag van € 29.000,- gevorderd aan materiële schade. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar aanvullende vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 10.4.2 [benadeelde partij] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen met wettelijk rente. 10.4.3 [slachtoffer 1] Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien ten gevolge van het strafbare feit de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is aangetast. Gelet op de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de vordering billijk is. De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen met wettelijke rente. 10.4.4 Conclusie Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] Vast staat dat aan de benadeelde partij door de ontploffing en brand rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze in totaal op een bedrag van € 9.909,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni
- De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij] Vast staat dat aan de benadeelde partij door de ontploffing en brand rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze in totaal op een bedrag van € 56.720,84 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni
- Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] Vast staat dat aan de benadeelde partij door de ontploffing en brand rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze in totaal op een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni
- Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Vergoeding van restschade in de civiele zaak De benadeelde partij [slachtoffer 2] is in een deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat dit deel van de schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. Normaal gesproken zou de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen om zo toch haar restschade vergoed te krijgen. Daarvoor moet zij zelf een aparte civielrechtelijke procedure opstarten. Maar tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] loopt ook nog een civiele zaak. Verdachte heeft beloofd dat als zij in de civiele zaak aansprakelijk wordt gehouden, zij ook de restschade van de benadeelde partij zal vergoeden. [medeverdachte 2] heeft dit ook beloofd. Dus als [medeverdachte 2] in de civiele zaak aansprakelijk is, dan zal [medeverdachte 2] de restschade van de benadeelde partij vergoeden. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Medeplegen van het aan zijn schuld te wijten zijn van brand en ontploffing, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, de [verdachte], daarvoor strafbaar. Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Vorderingen benadeelde partijen Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 9.909,50 (zegge: negenduizend negenhonderdennegen euro en vijftig cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Wijst de vordering van [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 56.720,84 (zegge: zesenvijftigduizend zevenhonderdtwintig euro en vierentachtig cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Vaandrager, voorzitter, mrs. A.A. Fase en E.G.C. Groenendaal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2020.