← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:3217

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8176183 CV EXPL 19-24386 vonnis van: 29 juni 2020 fno.: 991 vonnis van de kantonrechter i n z a k e Beter Bed B.V. gevestigd te Uden eisende partij gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Bij dagvaarding van 4 november 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 349,94 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven. Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Gronden van de beslissing Eisende partij vordert betaling van € 302,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Gedaagde partij is consument, althans wordt vermoed consument te zijn. Om de vordering te beoordelen dient de kantonrechter te beschikken over voor de beslissing in onderhavige consumentenzaak van belang zijnde feiten en stukken. Welke feiten en stukken dat zijn, volgt uit het door de rechtbank Amsterdam op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers verstrekte informatieformulier voor consumentenverstekzaken, maar volgt ook uit de wet. Geoordeeld wordt dat eisende partij niet alle voor de beoordeling relevantie informatie heeft verstrekt, noch alle van belang zijnde stukken heeft overgelegd. Ter toelichting geldt het volgende. Eisende partij stelt in de dagvaarding - samengevat en voor zover van belang - dat eisende partij in of omstreeks juni 2019 diverse roerende goederen bestaande uit slaapkamer meubuliair aan gedaagde partij heeft verkocht en geleverd. De factuur heeft gedaagde partij niet volledig voldaan. Ondanks aanmaning en sommatie is niet aan de betalingsverplichting voldaan. Eisende partij maakt aanspraak op vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten. Bij dagvaarding heeft eisende partij overgelegd de factuur en twee aanmaningen, waaronder een ‘veertiendagenbrief’. Niet gesteld of gebleken is op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Hierdoor kan niet worden nagegaan welke informatieverplichtingen als bedoeld in Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 BW gelden en ook niet of eisende partij aan die verplichtingen heeft voldaan. Verder is onduidelijk wat partijen inhoudelijk zijn overeenkomen, nu de overeenkomst (of een bevestiging daarvan) en eventuele algemene voorwaarden niet zijn overgelegd. Eisende partij, althans haar gemachtigde, wordt geacht op de hoogte te zijn van de informatie en stukken die verstrekt dienen te worden in consumentenzaken als de onderhavige. Sinds 1 oktober 2019 wordt geen tussenvonnis meer gewezen waarbij een informatieformulier wordt verstrekt. Dat betekent dat eisende partij reeds in de dagvaarding aan de stelplicht dient te voldoen. Nu de vordering niet, althans onvoldoende is onderbouwd met alle voor de beslissing van belang zijnde feiten en stukken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de voorschriften van de artikelen 21 Rv en 111 Rv voldaan. De vordering wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Beslissing De kantonrechter: wijst de vordering af; veroordeelt eisende partij in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.