RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/698023-16 (Promis) Datum uitspraak: 6 juli 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 18, 19, 20 mei 2020 en 6 juli 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.F.E. den Hartog en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.A Boersma naar voren hebben gebracht. 2Inleiding Dit vonnis heeft betrekking op het strafrechtelijk onderzoek met de naam 13Gips. In dit onderzoek draait het om de verdenking van fraude met bankrekeningnummers waarbij meerdere Franse bedrijven benadeeld zijn. De bedrijven krijgen in de periode van september 2015 tot en met april 2016 bericht van iemand die zich voordoet als medewerker van een zakelijk contact waar de Franse bedrijven regelmatig geld naar overmaken. Toekomstige betalingen aan dat contact moeten naar een nieuw rekeningnummer worden overgeboekt. Soms volgt hiervan nog een bevestiging per e-mail. Daarbij worden Nederlandse bankrekeningen opgegeven. De Franse bedrijven maken hierna de gebruikelijke betalingen voor dit contact naar de nieuwe rekeningnummers over. Het zakelijk contact in kwestie blijkt geen gewijzigd rekeningnummer aan de Franse bedrijven te hebben doorgegeven en heeft de betalingen niet ontvangen. Het geld wordt na ontvangst op de Nederlandse bankrekening overgemaakt of geprobeerd over te maken naar bankrekeningen in onder meer Hong Kong en China. Het onderzoek 13Gips heeft zich alleen gericht op de Nederlandse bankrekeningen waarop het geld is binnengekomen en welke bedrijven of personen aan die rekeningen te linken zijn. Nader onderzoek naar de vermoedelijke oplichtingen en de namen, e-mailadressen en telefoonnummers die daarbij zijn gebruikt, heeft niet of nauwelijks plaatsgevonden. Ook naar aanleiding van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] op 21 april 2016, waarin hij over een aantal namen en omstandigheden vertelt, is geen nader onderzoek verricht. Daarvan zijn in elk geval geen onderzoeksresultaten opgenomen in dossier 13Gips. In dit onderzoek zijn de volgende verdachten in beeld gekomen: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] . Deze verdachten zijn alle vijf vervolgd door het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft de zaken tegelijk behandeld op de zitting en doet vandaag in alle vijf de zaken uitspraak. 3Beschuldiging Voor de leesbaarheid van dit vonnis worden de feiten op de tenlastelegging verkort weergegeven en voorzien van subnummers. De hele tenlastelegging staat in de bijlage. Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van 1. medeplegen van (1A) / medeplichtigheid aan (1B) oplichting in de periode 1 december 2015 tot en met 1 februari 2016, door [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] te bewegen tot afgifte van respectievelijk € 201.036,13, € 196.843,75, € 337.012,10 en € 156.255,70 of medeplegen van witwassen van genoemde geldbedragen afkomstig van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] (1C) 2. medeplegen van poging tot witwassen op 22 december 2015 van € 201.000 en € 49.845. 3. valsheid in geschrift in de periode van 27 november 2015 tot en met 8 januari 2016 door een Investment Contract en/of Factuur [naam bedrijf 2] vals op te (laten) maken of te (laten) vervalsen (feit 3A) en/of het gebruik maken van die valse documenten (feit 3B). 4Waardering van het bewijs 4.1. Standpunten van het Openbaar Ministerie en van de verdediging Hier worden slechts de conclusies van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergegeven. Voor zover de inhoudelijk ingenomen standpunten nader besproken moeten worden, komen ze hierna bij de beoordeling van de rechtbank aan bod. De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van oplichting (feit 1A). De medeplichtigheid aan oplichting (feit 1B), het medeplegen van poging witwassen (feit 2) en gebruik maken van door verdachte zelf vervalste documenten (feit 3 A en B) kunnen worden bewezen. De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en 2. Voor het gebruikmaken van valse documenten (3B) legt de verdediging zich neer bij het oordeel van de rechtbank. 4.2. Het oordeel van de rechtbank 4.2.1. Vrijspraak medeplegen van oplichting (feit 1A) De rechtbank vindt – net als de officier van justitie en de verdediging – niet bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Uit het dossier volgt dat de Franse bedrijven opgelicht zijn, waarover hierna meer, maar van rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij die oplichtingen blijkt uit het dossier onvoldoende. Verdachte wordt van feit 1A dus vrijgesproken. 4.2.2. Veroordeling medeplichtigheid aan oplichting (feit 1B) Verdachte wordt veroordeeld voor de medeplichtigheid aan oplichting door zijn rekeningen ter beschikking te stellen aan de oplichters. De rechtbank stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. - De Franse onderneming [naam bedrijf 1] wordt in december 2015 gebeld door iemand die namens [naam bedrijf 5] , een zakelijk contact van [naam bedrijf 1] , vertelt dat hun rekeningnummer is gewijzigd. Dit wordt per e-mail bevestigd met daarbij het nieuwe rekeningnummer. [naam bedrijf 1] heeft € 201.036,13 overgemaakt naar het gewijzigde rekeningnummer, [rekeningnummer 1] . - De Franse onderneming [naam bedrijf 2] krijgt op 22 december 2015 een e-mail van iemand die namens [naam bedrijf 6] , een zakelijk contact van [naam bedrijf 2] , schrijft dat hun rekeningnummer is gewijzigd. [naam bedrijf 2] maakt op 23 december 2015 € 196.843,75 over naar het gewijzigde rekeningnummer, [rekeningnummer 1] . - De Franse onderneming [naam bedrijf 4] krijgt op 2 december 2015 een e-mail van iemand die namens [naam bedrijf 7] , een zakelijk contact van [naam bedrijf 4] , schrijft dat hun rekeningnummer is gewijzigd. [naam bedrijf 4] maakt op 8 januari 2016 € 155.255,70 over naar het gewijzigde rekeningnummer, [rekeningnummer 1] . Op 21 december 2015, 4 januari en 9 januari 2016 zijn genoemde bedragen ontvangen op de bankrekening die op naam staat van [verdachte] . - De Franse onderneming [naam bedrijf 3] wordt op 23 december 2015 gebeld door iemand die namens [naam bedrijf 8] , een zakelijk contact van [naam bedrijf 3] , zegt dat hun rekeningnummer is gewijzigd. Dit werd per e-mail bevestigd waarbij het nieuwe rekeningnummer werd doorgegeven. [naam bedrijf 3] maakt € 337.012,10 over naar het gewijzigde rekeningnummer, [rekeningnummer 2] . Op 4 januari 2016 is het bedrag ontvangen op de bankrekening die op naam staat van [naam bedrijf 9] . Enig aandeelhouder, bestuurder en eigenaar van [naam bedrijf 9] BV is [verdachte] . - De Franse bedrijven [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 3] hebben de hiervoor genoemde bedragen onverschuldigd betaald. Zij hebben aangifte van oplichting gedaan. De bedrijven verkeerden in de veronderstelling dat zij betaalden aan hun vaste relaties, maar die relaties hadden hun rekeningnummers niet gewijzigd en hebben de bedrijven ook geen mails gestuurd over een bankrekeningwijziging. De betalingen zijn uiteindelijk ook niet terechtgekomen bij die relaties maar op valselijk opgegeven bankrekeningnummers van [verdachte] en [naam bedrijf 9] . [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn privébankrekening en de bankrekening van [naam bedrijf 9] ter beschikking heeft gesteld aan een derde. Bij een gesprek op 8 januari 2016 met ING geeft [verdachte] aan ING een door hem ondertekend Investment Contract. Daarin staat dat [naam bedrijf 1] maandelijks een bedrag van € 201.036,13 zal investeren in de bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf 9] . Het contract is ondertekend op 27 november 2015. Op 6 januari 2016 meldt [verdachte] per e-mail aan ING Bank een te verwachten betaling van [naam bedrijf 2] voor het leveren van camera pakketten. [verdachte] verzoekt de bank om de betaling niet te blokkeren en voegt een factuur toe van 20 december 2015 van [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 2] voor een bedrag van € 196.843,75. Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt vast dat de Franse ondernemingen zijn opgelicht. Onder valse voorwendselen zijn de ondernemingen bewogen tot het overmaken van bedragen naar de rekeningen van verdachte. Voor medeplichtigheid aan de oplichtingen moet verdachte opzet hebben gehad op het leveren van een bijdrage – in dit geval het ter beschikking stellen van zijn bankrekeningen – maar hij moet ook opzet hebben gehad op het leveren van een bijdrage specifiek aan oplichtingen. De rechtbank stelt vast dat verdachte zijn privébankrekening en de bankrekening van [naam bedrijf 9] ter beschikking heeft gesteld aan een derde. Verdachte heeft daarmee opzettelijk een bijdrage geleverd. De rechtbank vindt dat verdachte ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de oplichting. Verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van de oplichting van de Franse ondernemingen en verwijst voor strafbare handelingen naar een derde, waarvan hij de naam niet wil noemen. Die derde zou voor verdachte op zoek gaan naar een investeerder voor het verwezenlijken van zakelijke plannen. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Het is niet logisch dat verdachte zijn privérekening aan derden beschikbaar zou stellen voor een zakelijke investering. Het is überhaupt niet goed voor te stellen dat verdachte in verband met een investering alle gegevens van zijn bankrekening, inclusief pin- en tancodes, aan een ander zou (moeten) afgeven. Omdat verdachte niet heeft willen vertellen aan wie hij zijn gegevens heeft verstrekt, is een en ander ook niet na te gaan. Ook verder zijn er geen aanknopingspunten in het dossier voor de verklaring van verdachte. De rechtbank gaat dus aan zijn verklaring voorbij. Nadat ING een betaling van één van de gedupeerde bedrijven ( [naam bedrijf 1] ) wilde onderzoeken en de bankrekening van verdachte heeft geblokkeerd, heeft verdachte de verwachte betaling van [naam bedrijf 2] bij ING gemeld. Hij wist dus dat er een betaling op zijn rekening aan zat te komen van een partij die op dat moment werd opgelicht. Toen de bank vragen ging stellen over de verdachte transacties op zijn bankrekeningen heeft verdachte valse stukken aan de bank gegeven die de betalingen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] moesten verantwoorden. Gezien deze omstandigheden en de afwezigheid van een aannemelijke andere verklaring, kan het niet anders zijn dan dat verdachte van de (plannen tot) oplichtingen moet hebben geweten en daar, door met dat doel zijn rekeningen te beschikking te stellen, ook opzettelijk een bijdrage aan heeft geleverd. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij de oplichting van het bedrijf [naam bedrijf 2] en onder die omstandigheden ook ten aanzien van de bedrijven [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] . Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen omdat uit het dossier niet blijkt dat hij in het ter beschikking stellen van zijn rekeningen met iemand anders heeft samengewerkt. 4.2.3. Vrijspraak medeplegen poging witwassen (feit 2) Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij de bedragen heeft verhuld door ze door te boeken. De rechtbank vindt dat er voor de betrokkenheid van verdachte bij dat overboeken onvoldoende bewijs in het dossier zit. Ook uit andere omstandigheden blijkt niet dat verdachte een van de ten laste gelegde verhullingshandelingen heeft verricht. Het ter beschikking stellen van bankrekeningen, wetende dat daarmee oplichtingen worden verricht (1B), maakt niet dat verdachte ook wetenschap en betrokkenheid heeft gehad bij deze concrete pogingen om het van misdrijf afkomstige geld over te boeken naar andere bankrekeningen. 4.2.4. Veroordeling valsheid in geschrift (feit 3A en feit 3B) De rechtbank stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Na de betaling van € 201.036,13 van [naam bedrijf 1] op de bankrekening [rekeningnummer 1] van [verdachte] heeft ING de rekening geblokkeerd en [verdachte] verzocht om de verdachte betaling te onderbouwen met stukken. [verdachte] mailt op 23 en 24 december 2015 dat het gaat om een investering van [naam bedrijf 1] . Tijdens een gesprek op 8 januari 2016 geeft [verdachte] de medewerker van ING een door hem ondertekend Investment Contract, met als datum van ondertekening 27 november 2015. Daarin staat dat investeerder [naam bedrijf 1] maandelijks € 201.036,13 zal investeren voor bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf 9] . Op 4 januari 2016 komt € 196.843,75 binnen op bovengenoemde bankrekening van [verdachte] , afkomstig van het Franse bedrijf [naam bedrijf 2] . Op 6 januari 2016 kondigt [verdachte] per e-mail een te verwachten betaling aan van [naam bedrijf 2] voor het leveren van camera pakketten. [verdachte] verzoekt de bank om de betaling niet te blokkeren. Bij de e-mail voegt hij een factuur van 20 december 2015 van [naam bedrijf 9] aan [naam bedrijf 2] voor € 196.843,75. Tijdens het gesprek met ING op 8 januari 2016 zegt [verdachte] dat hij het Investment Contract met [naam bedrijf 1] heeft ondertekend en de factuur voor [naam bedrijf 2] samen met anderen heeft opgemaakt. Uit de aangifte van de ING Bank blijkt dat navraag bij de Franse onderneming oplevert dat het overgemaakte bedrag een huurbetaling betrof en niet te maken had met aanschaf van goederen. Bewijsoverwegingen Op basis van de verklaring van verdachte bij ING stelt de rechtbank vast dat hij beide documenten zelf heeft opgemaakt. De documenten zijn vals; de bedragen zijn niet betaald vanwege een zakelijke relatie met [verdachte] of [naam bedrijf 9] , maar zijn overgemaakt als gevolg van de oplichting zoals hiervoor onder 4.2.2. besproken. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling was dat de documenten klopten; de derde aan wie verdachte zijn gegevens zou hebben verstrekt en waarvan hij de naam niet wil noemen, zou hem de stukken hebben gegeven. Verdachte had geen reden om aan de inhoud ervan te twijfelen. De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst daarbij naar de bewezenverklaring van feit 1B. Verdachte wist dat de overboekingen uit oplichting kwamen en dus niet uit facturen of contracten, waarvan hij het contract notabene zelf ondertekend heeft. Door de documenten bij de bank in te dienen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het gebruik van valse documenten. Het vals opmaken van het Investment Contract met [naam bedrijf 1] en de factuur aan [naam bedrijf 2] (feit 3A) leidt niet tot een strafbaar feit (zie hierna onder 6). 5Bewezenverklaring De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in 4.2.2. en 4.2.4.bewezen dat verdachte Feit 1B: een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.