← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:3411

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751344-20 RK nummer: 20/1955 Datum uitspraak: 7 juli 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juli 2019 door de Circuit Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, wonende op het adres [adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni

  1. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement of the District Court in Bydgoszcz van 20 mei 2016 (referentienummer: III K 49/14) en een arrest dat is gewezen op het hoger beroep tegen dit vonnis, te weten een judgement of the Circuit Court in Bydgoszez van 28 september 2016 (referentienummer: IV Ka 632/16). In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het arrest heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid 4.1 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5Strijd met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat behandeling van de zaak dient te worden aangehouden op grond van artikel 11 OLW. De opgeëiste persoon is via Poolse mensenhandelaren naar het Verenigd Koninkrijk gekomen. Deze mensenhandelaren zijn naar de opgeëiste persoon op zoek, omdat zij willen voorkomen dat hij aangifte tegen hen zal doen. Om het gevaar op mishandelingen door de mensenhandelaren weg te nemen, heeft het Poolse consulaat in het Verenigd Koninkrijk de opgeëiste persoon geholpen om naar Nederland te vluchten. Wanneer de opgeëiste persoon aan Polen wordt overgeleverd, zullen de rechten van de opgeëiste persoon die voortvloeien uit het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) worden geschonden, omdat deze mensenhandelaren hem daar in de gevangenis zullen kunnen vinden. De behandeling van de zaak dient te worden aangehouden zodat de raadsvrouw hieromtrent meer informatie kan opvragen bij het Poolse consulaat in het Verenigd Koninkrijk. Subsidiair, voor het geval de zaak niet wordt aangehouden, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW dient te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen. Het door de verdediging geschetste gevaar is niet aannemelijk geworden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt dat de raadsvrouw een beroep heeft gedaan op één of meer bepalingen van het Handvest. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de Poolse autoriteiten de veiligheid van de opgeëiste persoon in de gevangenis aldaar niet zouden kunnen garanderen. Voor zover het verweer moet worden begrepen in het licht van artikel 4 van het Handvest, is niet gebleken van de aanwezigheid van gebreken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat in Polen sprake is van een algemeen reëel gevaar voor personen in detentie die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel. Het verweer is ook voor het overige onvoldoende onderbouwd. De raadsvrouw heeft geen stukken overgelegd die het verhaal van de opgeëiste persoon ondersteunen. Evenmin blijkt dat zij informatie heeft opgevraagd bij het Poolse consulaat, terwijl zij dat ruim voor aanvang van de zitting had kunnen doen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een dreigende schending van het Handvest en evenmin aanleiding bestaat voor aanhouding van het onderzoek. De rechtbank verwerpt het verweer. 6Artikel 47 van het Handvest Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 juni 2020 is de rechtbank van oordeel dat het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon dat voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest ten tijde van zijn veroordelingen op 20 mei 2016 (eerste aanleg) en 28 september 2016 (hoger beroep) niet in het gedrang is geweest. In voornoemde uitspraak van 12 juni 2020 is geoordeeld dat de recente ontwikkelingen in Polen niet maken dat niet langer van het beoordelingskader of de eerder getrokken conclusies uit de uitspraken van 16 januari 2020 kan worden uitgegaan. Het is daarom aan de opgeëiste persoon om aan te tonen dat er concrete aanwijzingen zijn dat zijn recht op een eerlijk proces in Polen is geschonden. Er zijn door of namens de opgeëiste persoon geen omstandigheden omtrent zijn persoonlijke situatie naar voren gebracht waaruit zou blijken dat zijn recht op een eerlijk proces destijds in het geding is geweest. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft. 7Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen). Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli
  2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Rechtbank Amsterdam 12 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:
  3. Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 16 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:184.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.