RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751222-20 RK nummer: 20/1713 Datum uitspraak: 7 juli 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 maart 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 februari 2020 door de Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie) op [geboortedag] 1962, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2020. Het verhoor heeft, via telehoren, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3Aanwezigheidsrecht van de opgeëiste persoon Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringsverzoek dient te worden aangehouden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om fysiek bij de zitting aanwezig te zijn. Nu de inhoudelijke behandeling van een overleveringsverzoek niet (expliciet) in de Tijdelijke wet Covid-19 Justitie en Veiligheid wordt genoemd, moet deze, mede gelet op de artikelen 25 en 26 OLW, worden gelijkgesteld met de inhoudelijke behandeling van een strafzaak. Het gebruik van een telehoorverbinding in deze zaak is daarom oneigenlijk en onjuist, nu op grond van artikel 28 van de Tijdelijke wet Covid-19 Justitie en Veiligheid de inhoudelijke behandeling van een strafzaak niet kan plaatsvinden door middel van een telehoorverbinding. Daarnaast is het gebruik van een telehoorverbinding in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu verdachten in het commune strafrecht wel voor hun terechtzitting bij deze rechtbank worden aangevoerd. Voorts doet de telehoorverbinding afbreuk aan de inbreng en/of de positie van de opgeëiste persoon. Bij de opgeëiste persoon is sprake van vergaande medische problematiek, die zich onder meer uit in zijn zicht en spraak. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman stukken overgelegd die zien op de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, indien de opgeëiste persoon niet veilig naar deze rechtbank kan worden vervoerd, het verzoek tot overlevering reeds op die grond dient te worden afgewezen. De opgeëiste persoon kan dan ook niet veilig naar Letland worden vervoerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een telehoorverbinding voldoet als hulpmiddel om de opgeëiste persoon te horen. Het verzoek van de raadsman is begrijpelijk, maar in het licht van de corona-crisis is er sprake van zodanige uitzonderlijke omstandigheden dat niet iedereen fysiek ter zitting kan worden gehoord. Er moeten daarom keuzes worden gemaakt, in het belang van de gezondheid van de opgeëiste persoon zelf en in het belang van de volksgezondheid. Met betrekking tot de verwijzing naar artikel 28 van de Tijdelijke wet Covid-19 Justitie en Veiligheid geeft de officier van justitie aan dat de behandeling van een overleveringsverzoek wel een inhoudelijke behandeling vormt, maar dat geen sprake is van een inhoudelijke behandeling van een strafzaak nu er in een overleveringsprocedure geen oordeel wordt gegeven over de mate van schuld en/of de hoogte van de straf van de opgeëiste persoon. Oordeel van de rechtbank Een opgeëiste persoon geniet een minder absoluut recht om aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling van een verzoek tot zijn overlevering, dan toekomt aan een verdachte wanneer de inhoudelijke behandeling in de vorm van een onderzoek ter terechtzitting strekt tot het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem gerichte strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank dient daarom bij de beoordeling of de opgeëiste persoon in de huidige omstandigheden het recht toekomt fysiek aanwezig te zijn bij de behandeling van een verzoek tot zijn overlevering alle belangen af te wegen. Voor de opgeëiste persoon weegt op dit punt mee dat hij last heeft van ernstige lichamelijke beperkingen, met name wat betreft zijn zicht en spraak. Deze lichamelijke beperkingen zouden de opgeëiste persoon echter eveneens hinderen wanneer hij fysiek in de zittingszaal zou worden gehoord. Aan de andere kant moet rekening worden gehouden met de beperkte zittingsruimte die is ontstaan door de perikelen rond het coronavirus, aangezien de kleinere zittingszalen niet langer gebruikt kunnen worden. Wanneer alle opgeëiste personen fysiek zouden worden opgeroepen voor de behandeling van een overleveringsverzoek, kan onder meer de veiligheid in het cellenblok niet afdoende worden gewaarborgd en zou dit ten koste gaan van de inhoudelijke behandeling van strafzaken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval de belangen van de opgeëiste persoon in het licht van zijn aanwezigheidsrecht voldoende gewaarborgd door het gebruik van een telehoorverbinding. De opgeëiste persoon is niet beperkt wat betreft zijn gehoor en kan de tolk goed verstaan. De tolk is daarnaast in staat te vertalen wat de opgeëiste persoon naar voren brengt. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, te weten de Rēzekne Court judgment van 5 juni 2019, onherroepelijk vanaf 27 augustus 2019 (referentienummer: No.11903005413). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest van 4 tot en met 19 december 2014, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.