← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:3509

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751348-20 RK nummer: 20/2549 Datum uitspraak: 16 juli 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2020 door the Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1996, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, (uit anderen hoofde) gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 juli 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. Raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, was niet ter zitting aanwezig, maar heeft voorafgaand aan de zitting zijn standpunt schriftelijk aan de rechtbank overgelegd. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. De afstandsverklaring is gevoegd in het dossier. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Litouwse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van: 1. Een order to impose detention as the measure of coercion van 16 januari 2020 door the Klaipėda city Chamber of the Klaipėda District Court (referentie: 01-1-16828-19); 2. Een order to impose detention as the measure of coercion van 5 februari 2020 by the Klaipėda city Chamber of the Klaipėda District Court (referentie: 04-2-00084-19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. De rechtbank merkt op dat ter zitting verwarring is ontstaan, omdat op het bij de vordering van 24 april 2020 bijgesloten P formulier ten onrechte staat vermeld dat er sprake zou zijn van een EAB afkomstig van de Spaanse autoriteiten, onder vermelding van een andere datum. De rechtbank stelt vast dat er enkel sprake is van een EAB afkomstig van de Litouwse autoriteiten en gaat er van uit dat sprake is van een kennelijke verschrijving. 4Strafbaarheid 4.1. Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 10 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dat strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten: oplichting Volgens de in rubriek
  2. c)van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Litouws recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 4.2. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 1 tot en met 9 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. Ten aanzien van feit 2, vernieling van een goed van geringe waarde, is volgens het EAB artikel 187, paragraaf 3 van het Litouwse Wetboek van Strafrecht toepassing. Artikel 187, paragraaf 3 luidt als volgt: “A person who destroys or damages another's property of a low value shall be considered to have committed a misdemeanour and shall be punished by community service or by a fine or by restriction of liberty or by arrest.” De rechtbank is van oordeel dat uit dat artikel niet blijkt dat op feit 2 een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Dit is evenmin op andere wijze gebleken. Feit 2 voldoet zodoende niet aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De overlevering zal ten aanzien van dit feit worden geweigerd. De rechtbank stelt vast dat voor de overige feiten wel aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Ten aanzien van feit 1 in staat van dronkenschap verkerend eens anders veiligheid bedreigen; Ten aanzien van feit 3 mishandeling begaan tegen zijn moeder; Ten aanzien van feit 4 opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken; Ten aanzien van feit 5 medeplegen van mishandeling; Ten aanzien van feit 6 diefstal; Ten aanzien van feit 7 medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling; Ten aanzien van feit 8 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; en Ten aanzien van feit 9 valsheid in geschrift en opzettelijk gebruikmaken van een geschrift als ware het echt en onvervalst. 5Slotsom Nu ten aanzien van feit 1 en feiten 3 tot en met 10, waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47, 225, 285, 300, 304, 310, 350 en 426 Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) ten behoeve van het in Litouwen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder 1 en 3 tot en met 10 omschreven feiten en waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft de in het EAB onder 2 geschreven feit, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. M.T.C. de Vries, voorzitter, mrs. M. van Mourik en R.J. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juli 2020. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.