← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:3575

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751404-18 (EAB I) RK nummer: 18/3352 Datum uitspraak: 7 juli 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 mei 2015 door het Parket van de Procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1938, wonende op het adres: [adres] te [woonplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 2 oktober 2018 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A.A.P. van Hees, advocaat te Breda. De behandeling is op verzoek van de opgeëiste persoon en met instemming van de officier van justitie voor onbepaalde tijd aangehouden. Zitting 7 juli 2020 De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door mr. S.A.A.P. van Hees. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 24 februari 2015 van de rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, met kenmerk: 15/1070-IAA 8/15. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. 4Weigering van de overlevering op grond van artikel 6, tweede lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf. De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen. Hoewel in onderdeel
  2. d)van het EAB staat vermeld dat het vonnis bij verstek is gewezen, blijkt uit e-mailberichten van 12 juni en 2 juli 2020 van mevrouw [naam] , Eerste Substituut-Procureur des Konings, dat de eerdere informatie foutief was en dat het vonnis op tegenspraak is gewezen omdat de opgeëiste persoon een advocaat had. In een nader e-mailbericht van 16 juni 2020 schrijft mevrouw [naam] dat verzet niet mogelijk is en dat de termijn voor het instellen van beroep is verstreken. Nu gelet op het vorenstaande sprake is van een onherroepelijk vonnis betekent dit dat artikel 6, tweede lid, OLW – dat bepaalt dat de overlevering ter tenuitvoerlegging van een aan een Nederlander bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf niet wordt toegestaan – van toepassing is. De overlevering kan echter alleen worden geweigerd als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk deze straf in Nederland zal ondergaan. Dat is het geval. In dit kader verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in haar uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7754), in het bijzonder in overweging 6.3.11, heeft overwogen. De rechtbank zal daarom de overlevering uitsluitend op grond van artikel 6, tweede lid, OLW weigeren. 5Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 6 OLW. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de Procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (België) onder verwijzing naar overweging 6.3.11 van de uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7754). STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie in EAB I is beëindigd. Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J.G. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2020. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.