beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 96/055274-20 RK: 20/1399 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] te [woonplaats] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. V.R.C. Shukrula, [adresgegevens raadsman] , klager. De procesgang Het klaagschrift is op 13 maart 2020 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. In verband met de coronamaatregelen heeft klager afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling in raadkamer. In plaats daarvan heeft de rechtbank, met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 23 april 2020 op het verzoekschrift besloten. De inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk en als mantelzorger van zijn moeder die met hartproblemen kampt. In verband met klager’s werkzaamheden is door de raadsman – kort samengevat– per e-mail en met onderbouwing van nadere stukken aanvullend het volgende aangevoerd. Klager is werkzaam als ‘ [functie] ’ bij het bedrijf [naam bedrijf] en bezoekt in die functie 50% van zijn werktijd bedrijven in het buitenland. Die bedrijven, petroleumbedrijven, bevinden zich meestal buiten de steden. Om die bedrijven te kunnen blijven bezoeken, is het van belang dat klager weer de beschikking krijgt over zijn rijbewijs. Verder heeft klager inmiddels van zijn verzekeraar vernomen dat de door hem veroorzaakte schade ad € 6.904, 60 aan de auto die hij de bewuste avond heeft aangereden, niet vergoed zal worden. Om die reden heeft klager zijn inkomsten uit werk dan ook hard nodig om zijn verzekeraar, die het bedrag al aan de andere partij vergoedde, terug te kunnen betalen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest en dat het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid, dat met verdere inhouding is gediend. De beoordeling Uit de stukken is gebleken dat de politie op 26 februari 2020 ter plaatse is gekomen op de kruising van de [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] te [plaats] na een melding van een aanrijding tussen twee voertuigen, waaronder het voertuig van klager. Bij die aanrijding raakte niemand gewond, maar bleek wel sprake te zijn van aanzienlijke materiële schade. De politie had het vermoeden dat klager had gereden na het gebruik van alcohol en heeft medewerking tot een ademanalyse bevolen. Tegen klager is vervolgens proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 26 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.