beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/172477-19 RK: 19/6710 Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] [geboorteland] ), ingeschreven in Basisregistratie Personen op het adres [GBA-adres] , woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman, mr. M.D. Rijnsburger [adres raadsman] , verzoekster. Procesgang Het verzoekschrift is op 13 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 24 december 2019 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. In verband met de coronamaatregelen heeft verzoekster afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling in raadkamer. In plaats daarvan heeft de rechtbank, met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 23 april 2020 buiten de raadkamer om op het verzoekschrift besloten. De officier van justitie heeft op 10 april 2020 haar schriftelijke standpunt kenbaar gemaakt. De raadsman heeft hier op 15 april 2020 op gereageerd. De officier van justitie heeft op 17 april 2020 laten weten te persisteren bij het eerder ingenomen standpunt. Inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 1.128,68 voor de kosten van de raadsman en € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift ter terechtzitting. In zijn schriftelijke reactie van 15 april 2020 heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van haar zwijgrecht. Zij heeft de vervolging niet over zichzelf afgeroepen of haar proceshouding heeft er niet nodeloos toe geleid dat de vervolging langer heeft voortgeduurd. Een bestraffing van het gebruik van het zwijgrecht is niet op zijn plaats en zelfs in strijd met art. 6 EVRM. Op grond van deze zaak kan niet gezegd worden dat gronden van redelijkheid en billijkheid aan een vergoeding van de noodzakelijke kosten ten behoeve van de verdediging in de weg staan. Er zijn kosten gemaakt na dagtekening van de sepotbrief, omdat er geen afschrift van de sepotbrief naar de raadsman was gezonden. Hierdoor raakte de raadsman een week na de gemaakte kosten op de hoogte dat de zaak al anderhalve maand geleden geseponeerd was. Aangezien de raadsman deze kosten gemaakt heeft ten behoeve van de verdediging en dat te wijten is aan de vervolgende instantie, stelt de raadsman dat met deze bijzondere feiten en omstandigheden een volledige vergoeding van de verzochte kosten op zijn plaats is. Met het oog op de bijzondere omstandigheden (COVID-19) die een mondelinge behandeling verhinderen, verzoekt de raadsman de zittingstoeslag van € 550 toe te wijzen nu deze mondelinge behandeling zijn vorm heeft gekregen in de daarvoor in de plaats gestelde mailcorrespondentie. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoeding moet worden gematigd. Verzoekster had het recht om te zwijgen. Maar als de politie het opsporingsonderzoek niet voortvarend heeft kunnen doen door het zwijgen van verzoekster, dan hoeven de gemaakte kosten niet meteen voor de rekening van de Staat te komen. Er wordt door raadsman verzocht om vergoeding voor het opstellen van een processtuk op 14 oktober 2019, terwijl de sepotbrief dateert van 30 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.