beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/085336-19 RK: 19/6408 Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] , ingeschreven in Basisregistratie Personen op het adres [adres] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. J.J. van ‘t Hoff, [adres raadsman] , verzoeker. Procesgang Het verzoekschrift is op 13 november 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 23 januari 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. In verband met de coronamaatregelen heeft verzoeker afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling in raadkamer. In plaats daarvan heeft de rechtbank, met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 6 mei 2020 buiten de raadkamer om op het verzoekschrift besloten. De raadsman heeft op 10 februari 2020 zijn schriftelijke standpunt kenbaar gemaakt. De officier van justitie heeft hier op 9 april 2020 op gereageerd. De raadsman heeft op 29 april 2020 gebruikt gemaakt van de tweede termijn om te reageren op het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft laten weten te persisteren bij het eerder ingenomen standpunt. Inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 9.816,11 voor de kosten van de raadsman voor rechtsbijstand en € 280,00 voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift en € 550,00 indien een zitting plaatsvindt. In zijn schriftelijke reactie van 10 februari 2020 en 29 april 2020 heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker werd verdacht van twee gevallen schennis van de eerbaarheid hetgeen bij een veroordeling grote gevolgen voor hem zou hebben. Voorts heeft de hele zaak veel impact op het leven van verzoeker gehad, waardoor er veel contactmomenten tussen verzoeker en de advocaat zijn geweest. Hierbij is van belang dat het voor verzoeker de eerste keer betrof dat hij met het strafrecht in aanraking kwam. Deze contactmomenten hebben betrekking gehad op verschillende fasen in de procedure (verhoor, verzet tegen strafbeschikking en zitting bij de politierechter). Ondanks dat het ging om een in omvang beperkt dossier, is het met name in dit soort zaken (zedenfeiten) belangrijk dat de verklaringen door de verdediging minutieus worden bestudeerd en met elkaar worden vergeleken om tegenstrijdigheden en onjuistheden te ontdekken. Voorts stelt de officier van justitie ten onrechte dat vier uur (voor bestuderen stukken, opstellen concept verzetschrift en zittingsvoorbereiding) is gerekend voor dezelfde werkzaamheden. Het betreffen verschillende werkzaamheden. De stukken zijn bestudeerd voor het opstellen van het verzetschrift. Het verzetschrift is echter ingediend op 31 mei 2019, terwijl de zitting pas op 17 oktober 2019 plaatsvond. In de tussenliggende tijd heeft de strafzaak ook stilgelegen, zodat de raadsman voor de zitting weer de stukken in moest zien. Deze tijd brengt de raadsman uiteraard in rekening. Daarnaast houdt zittingsvoorbereiding niet enkel in dat de raadsman de zitting gaat voorbereiden. Ook is cliënt per email geïnformeerd over wat er op zitting kan gebeuren enzovoort. Daarnaast heeft deze zaak veel met cliënt gedaan en had hij veel vragen. Derhalve is vier uur werk niet onevenredig veel. Ten slotte is 00:45 uur tijd gerekend voor studie/onderzoek. Deze tijd is verricht voor jurisprudentieonderzoek om na te gaan of er voldoende wettig bewijs was. De reiskosten van de raadsman zijn gemaakt ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de strafzaak. Op uitdrukkelijk verzoek van verzoeker is de raadsman aanwezig geweest bij het verhoor en de zitting bij de politierechter. De correspondentie met aangeefster omtrent smaad en laster jegens verzoekers betreft een civielrechtelijke aangelegenheid. Deze posten kunnen worden verminderd. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verzocht de schadevergoeding te matigen. Het betreft een eenvoudig dossier van 16 pagina’s. De raadsman heeft kosten gemaakt in het kader van de bestudering van de stukken (€ 450,42 voor 115 minuten op vijf verschillende momenten). Hierbij gaat het steeds om dezelfde stukken. Daarnaast is er ook nog voor studie/onderzoek 00:45 uur tijd gerekend, waarbij onduidelijk is waar deze tijd voor nodig is geweest. Het is niet redelijk en billijk om deze kosten voor de rekening van de Staat te laten komen, gelet op de omvang van het dossier en de aard en de inhoud van de zaak. Het Openbaar Ministerie verzoekt een derde van de gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Tussen verzoeker en zijn raadsman zijn 81 contacten geweest. Het feit dat een strafzaak een grote impact heeft op een persoon is geen argument om in dit geval zo’n hoge schadevergoeding te vragen. Ook het gegeven dat klager een first offender is niet uniek en kan ook niet doorslaggevend zijn voor het geheel toekennen van de schadevergoeding. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door een in Tilburg gevestigde raadsman. De raadsman heeft zowel voor het politieverhoor als de politierechterzitting ruim 3,5 uur moeten reizen. Hoewel het de verzoeker vrij staat om zich te laten bijstaan door een advocaat van zijn keuzen, valt niet in te zien waarom verzoeker geen raadsman heeft gezocht die dichterbij bij het arronidssement waar de strafzaak zou plaatsvinden. Om die reden is het billijk dat een deel van de in de rekeing gebrachte reiskosten en reistijd van de raadsman voor de rekening van verzoeker blijft (ECLI:NL:RBNNE:2017:3742; ECLI:NL:GHAMS:2016:5029). De gemaakte kosten in het kader van correspondentie met aangeefster zijn niet onderbouwd, en het is niet redelijk en billijk als deze kosten voor de rekening van de Staat komen. Ten slotte vraagt de verzoeker een vergoeding van € 665,83 voor het opstellen van een verzetschrift. Het Openbaar Ministerie acht het billijk om de helft van de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking te laten komen, gezien de omvang van het verzetschrift en de aard en inhoud van het dossier. Beoordeling Verzoeker is als verdachte aangemerkt van twee gevallen schennis van de eerbaarheid, gepleegd op 22 januari 2019 en 7 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.