beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Proces-verbaalnummer: 2019030675 RK: 19/6840 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] , geboren op [geboortedag] -1962 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw, mr. A.M.G. Wolffs, [adres raadsvrouw] , klager. belanghebbende, tevens beslagene: [beslagene] , geboren op 2 november 1999 in Amsterdam, verblijvend op het adres [adres beslagene] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, [adres raadsman] , Procesgang Het klaagschrift is op 6 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op 14 januari 2020 haar standpunt kenbaar gemaakt. In verband met de coronamaatregelen heeft klager afstand gedaan van (het recht op aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling. In plaats daarvan heeft de rechtbank, met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 2 juni 2020 buiten de raadkamer om op het klaagschrift besloten. De raadsman van belanghebbende [beslagene] heeft op 15 april 2020 te kennen gegeven dat [beslagene] afziet van een mondelinge behandeling en heeft het standpunt van [beslagene] schriftelijk kenbaar gemaakt. De officier van justitie heeft op 14 april 2020 verwezen naar het eerder ingenomen schriftelijke standpunt en op 15 april 2020 gereageerd op het schriftelijke standpunt van belanghebbende [beslagene] . De raadsvrouw heeft op 29 april 2020 haar schriftelijke standpunt gedeeld. De officier van justitie heeft hier op 1 mei april 2020 op gereageerd. De raadsvrouw heeft op 10 mei 2020 gereageerd op de reactie van de officier van justitie. De officier van justitie heeft op 20 mei 2020 hierop een reactie gegeven en nieuwe stukken ingebracht, waarna de raadsvrouw op 22 mei 2020 heeft gerespondeerd. Inhoud klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave aan klager van het bij beslagene [beslagene] in beslag genomen voorwerp, te weten een Range Rover Evoque, kenteken [nummer] . De raadsvrouw heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Er kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat klager rechthebbende/eigenaar is van de Range Rover. De auto staat op naam van klager en hij betaalt de wegenbelasting en de autoverzekering. Klager heeft de auto met eigen middelen gefinancierd en hij maakt gebruik van de auto. Hij leent de auto wel eens uit aan zijn kinderen, maar niet aan anderen buiten het gezin. Klager kan de eigendom van de auto niet verliezen, enkel omdat hij toestaat dat zijn zoon (die bij hem woont) ook gebruik mag maken van die auto. Dat er persoonlijke spullen van zijn zoon in die auto liggen, is een logisch gevolg van het lenen van de auto. De autosleutels zijn aangetroffen in een slaapkamer in de woning van klager en [beslagene] . De woning wordt door klager gehuurd en betaald. De sleutels van de Range Rover zijn dus in de woning van klager aangetroffen. De slaapkamer is daarbij niet de slaapkamer van [beslagene] , maar een ruimte waar meerdere bedden staan. Klager heeft hulp gevraagd aan zijn zoon voor de verkoop van zijn auto, omdat hij niet in de gelegenheid was om de auto zelf te verkopen en de Nederlandse taal minder goed machtig is dan zijn zoon. Het aanbieden van een auto via Marktplaats is een betaalde functie. De dochter van klager heeft hiervoor betaald. Het te koop aanbieden van de auto is in opdracht en met medeweten van klager en in samenwerking met [beslagene] en zijn zus tot stand gekomen. Uit de stukken blijkt niet dat [beslagene] tijdens observaties in de auto zou hebben gereden. Hetgeen over het rijgedrag is aangevoerd door de officier van justitie is ook niet voldoende concreet om daaruit af te leiden dat [beslagene] als feitelijk eigenaar moet worden beschouwd. Daarnaast is klager geen verdachte in de strafzaak en is uit het beklagdossier of uit het standpunt van het Openbaar Ministerie niet gebleken dat zich de situatie van artikel 94a vierde of vijfde lid Strafvordering voordoet. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen auto. [beslagene] dient als de feitelijk eigenaar van de Range Rover te worden gezien. In het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot drugshandel en witwassen naar [beslagene] is naar voren gekomen dat de Range Rover op naam staat van klager, maar in gebruik is bij [beslagene] en dat hij ook de beschikkingsmacht daarover heeft. [beslagene] biedt de auto te koop aan op Marktplaats en is tijdens verschillende observaties gezien als bestuurder van de auto. De sleutels van de Range Rover zijn aangetroffen op het nachtkastje in de slaapkamer waar [beslagene] sliep. In de auto zijn vervolgens diverse persoonlijke goederen van [beslagene] aangetroffen, zoals zijn bankpas, kentekenbewijzen van scooters op naam van [beslagene] en een lege prepaidhouder van zijn telefoon. Tot slot heeft [beslagene] zich bij een contact over de eventuele verkoop van de Range Rover gepresenteerd als eigenaar. Hij verklaarde tegenover de pseudokopers dat hij de Range Rover cash heeft aangekocht. Dit, terwijl [beslagene] geen (legaal) inkomen heeft. Het feit dat een auto op naam van klager staat en hij de rekeningen betaalt, maakt nog niet dat [beslagene] niet als feitelijk eigenaar kan optreden. Het maakt dan in dit geval niet uit wie de civiele eigenaar is. Het gaat erom wie als eigenaar optreedt. Anders zouden feitelijke eigenaren niet kunnen worden aangesproken en op die manier zouden deze personen kunnen voorkomen dat auto’s waarmee zij strafbare feiten plegen niet verbeurd kunnen worden verklaard. Het klassieke beslag op de Range Rover is op 8 april 2020 omgezet naar conservatoir beslag om zekerheid te hebben voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Openbaar Ministerie ziet een verband tussen de strafbare feiten (drugshandel/witwassen) waar [beslagene] van wordt verdacht en de auto. De auto dient dus in de strafzaak tegen [beslagene] meegenomen te worden. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter in de strafzaak tegen [beslagene] een maatregel ex artikel 36 Wetboek van Strafrecht zal opleggen. De inhoudelijke zitting van de zaak tegen [beslagene] is gepland op 10 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.