beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 96/055898-20 RK: 20/1311 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [gba-adres] woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. E.M. van Schaik, [adres raadsman] , klager. De procesgang Het klaagschrift is op 9 maart 2020 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. In verband met de coronamaatregelen heeft klager afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling in raadkamer. In plaats daarvan heeft de rechtbank, met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 23 april 2020 buiten de raadkamer om op het verzoekschrift besloten. De inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk als chauffeur in vaste dienst bij een klein bedrijf dat ballondecoraties door heel Nederland levert. In verband met klager’s werkzaamheden is door de raadsman – kort samengevat– per e-mail en met onderbouwing van nadere stukken verder het volgende aangevoerd. Door de overheidsmaatregelen in verband met het coronavirus ziet het bedrijf waarvoor klager als chauffeur werkt een toename in bestellingen per post ten opzichte van de persoonlijke bezorging aan de deur. Dit heeft tot gevolg dat klager’s werkzaamheden zijn veranderd naar het voorbereiden van postpakketten. Een en ander maakt echter het belang van teruggave van het rijbewijs niet minder, omdat dagelijks die ongeveer 100 pakketten vervolgens naar verschillende postkantoren moeten worden gebracht. Dat betekent dat klager ook in verband met deze nieuwe werkzaamheden zijn rijbewijs nodig heeft. Verder heeft klager gewezen op de onwenselijke situatie dat hij door inhouding van het rijbewijs genoodzaakt is met het openbaar vervoer te reizen, terwijl dat op dit moment door de overheid wordt afgeraden. Daarbij komt dat klager door de ongunstige verbindingen in het openbaar vervoer tussen zijn woning en zijn werk, doordeweeks weer bij zijn ouders is gaan wonen, terwijl deze op leeftijd zijn en angstig zijn voor het krijgen van het coronavirus. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs op dit moment aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs tot nu toe is ingevorderd en ingehouden geweest. Vanwege het verkeersonveilige gedrag dat klager heeft veroorzaakt, is de officier van justitie van oordeel dat een inhouding voor de duur van enige maanden op zijn plaats is. In het licht van de nader onderbouwde persoonlijke belangen van klager in deze bijzondere tijden, is zij van oordeel dat het ingehouden rijbewijs per eind mei aan klager kan worden teruggegeven. De beoordeling Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 29 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.