beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht RK: 19/7144 Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsman, mr, A. Çinar, [adres raadsman] , verzoeker. Procesgang Het verzoekschrift is op 18 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 4 februari 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. In verband met de coronamaatregelen is de rekestenzitting op 19 mei 2020 niet doorgegaan. Verzoeker heeft afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling van zijn verzoekschrift in raadkamer. De rechtbank heeft met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 25 mei 2020 buiten de raadkamer om op het verzoekschrift besloten. De raadsman heeft per e-mail van 19 mei 2020 zijn schriftelijke standpunt kenbaar gemaakt. De officier van justitie heeft per e-mail van 20 mei 2020 laten weten te persisteren bij het eerdere ingenomen standpunt van het Openbaar Ministerie. De raadsman heeft per e-mail van 20 mei 2020 laten weten geen gebruik te maken van de tweede termijn. Inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 1.175,21 voor de kosten van de raadsvrouw en € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. In zijn schriftelijke reactie van 19 mei 2020 heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Voor verzoeker was het noodzakelijk om een raadsman te hebben met dezelfde achtergrond, gelet op de aard van het feit en de culturele achtergrond. Indien het feit tot een bewezenverklaring had geleid, zou de eer van het slachtoffer geschonden zijn met als gevolg een reactie vanuit de familie van het slachtoffer jegens de familie van verzoeker (eerwraak). In zo’n geval is deskundigheid en ervaring vereist. De raadsman heeft ruim 12 jaar ervaring in het strafrecht en dezelfde culturele achtergrond als verzoeker. In onderhavige zaak heeft de raadsman 2 uren en 20 minuten gewerkt. De meeste uren die geschreven zijn, hebben betrekking op een gesprek met verzoeker van 30 minuten en dossierstudie van 30 minuten. De overige uren zijn besteed aan verzoeken gericht aan het Openbaar Ministerie. Na het bestuderen van het dossier is direct verzocht om een sepot en zijn geen onderzoekswensen ingediend. Er is snel en efficiënt gewerkt. Daarnaast heeft de raadsman meer uren gewerkt dan gedeclareerd. De bespreking voor en na het verhoor op het politiebureau in Amsterdam heeft de raadsman niet doorbelast. Er kan dus niet gesproken worden over een bovenmatigheid van de declaratie die in meer of mindere mate in het oog springt. Het gehanteerde uurtarief van € 300,00 is niet ongewoon voor strafrechtadvocaten met meer dan een decennium aan ervaring binnen het strafrecht. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat zelfs uurtarieven van € 665 zijn toegewezen. Er zijn geen gronden van billijkheid aanwezig om tot een matiging over te gaan. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie verzet zich tegen uurtarief van de raadsman en verzoekt om matiging van de schadevergoeding. Het is geen gecompliceerde zaak. Het uurtarief in niet-specialistische zaken is in alle redelijkheid te stellen op € 225,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.