vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13.042456.20 (ontneming) Datum uitspraak: 30 april 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.042456.20, tegen: [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, wonende op het adres [adres], gedetineerd te: Justitieel Complex [te plaats], hierna te noemen veroordeelde. 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij, en van wat de raadsman van veroordeelde, mr. E. El Assrouti, advocaat te Amsterdam, (telefonisch) naar voren heeft gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 30 april
- 2De vordering De vordering van de officier van justitie van 19 februari 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.250,-. Op de terechtzitting van 30 april 2020 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in die zin dat zij heeft verzocht deze slechts dan toe te wijzen indien de rechtbank in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij niet toewijst. 3Grondslag van de vordering [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2020 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
- Het standpunt van de officier van justitie De weggenomen bedragen van 500, euro en 1.500,- euro leveren in totaal 2.000,- euro wederrechtelijk verkregen voordeel op. Aannemelijk is dat veroordeelde de eerste diefstal alleen heeft gepleegd en daar 500,- euro wederrechtelijk verkregen voordeel uit heeft. De tweede diefstal is door veroordeelde samen met de mededader gepleegd. De opbrengst van deze diefstal moet door beide daders worden gedeeld, waardoor veroordeelde uit dit feit een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft van 750,- euro. Dit brengt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op 1.250,- euro. 4.
- Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen. 4.
- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 1.250,- euro. De rechtbank heeft in de strafzaak de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, tot een bedrag van 2.300,- euro toegewezen. Deze schadevergoeding ziet onder meer op de weggenomen bedragen van 500,- euro en 1.500,- euro. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom moet de vordering van de officier van justitie worden afgewezen. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Wijst af de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds, J.M.R. Vastenburg rechters in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2020.