RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752040-19 RK nummer: 19/6706 Datum uitspraak: 16 juli 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juli 2019 door de Rechtbank van eerste aanleg Mönchengladbach (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 23 juni 2020 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. E. Gorsselink, advocaat te Venlo, zijn niet verschenen. De rechtbank heeft geconstateerd dat de opgeëiste persoon en zijn raadsman onjuist zijn opgeroepen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de opgeëiste persoon en zijn raadsman op de juiste wijze te laten oproepen. Zitting 16 juli 2020 De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 16 juli
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Nu de raadsman van de opgeëiste persoon zonder nader bericht eveneens niet is verschenen, heeft de rechtbank op de zitting telefonisch contact opgenomen met de raadsman. De raadsman verklaarde via de telefoon dat hij was gemachtigd om de verdediging namens de opgeëiste persoon te voeren, maar de rechtbank abusievelijk niet schriftelijk op de hoogte had gesteld van zijn besluit om niet ter zitting te verschijnen. De raadsman heeft vervolgens, via de telefoon, namens de opgeëiste persoon het woord gevoerd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt, zodat de zaak kan worden afgedaan. Het Openbaar Ministerie dient in dit geval niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft aangegeven dat indien het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, de Duitse autoriteiten het EAB niet opnieuw aanhangig kunnen maken. De rechtbank stelt vast dat zij uit dient te gaan van de juistheid van de door de raadsman ter zitting afgelegde verklaring. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, staat een niet-ontvankelijk verklaring er niet aan in de weg dat de Duitse autoriteiten het EAB handhaven en op die basis een nieuwe vordering door de officier van justitie tot het in behandeling nemen van het EAB wordt ingediend. Nu de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt, zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. 4Beslissing VERKLAART het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 van de OLW van 19 november 2019; STELT VAST dat de overleveringsdetentie is beëindigd. Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. M.T.C. de Vries en M.M. Breugem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juli
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.