RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 20/3439 en AMS 20/3440 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster (gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen), en het College van B&W van de gemeente Amsterdam, namens het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. van der Wal). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 5 juni 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder verzoekster vier afzonderlijke lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot diverse spullen, een koelcel en overkappingen, die in de naast haar horecagelegenheden gelegen [adres 1] staan of zijn gemaakt. Bij besluit van 7 augustus 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot een tweede koelcel die in de [adres 1] is geplaatst. Bij besluit van 15 augustus 2019 (het primaire besluit 3) heeft verweerder aan verzoekster wederom een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot deze tweede koelcel. Bij besluit van 21 augustus 2019 (het primaire besluit 4) heeft verweerder geweigerd om de begunstigingstermijn van één week genoemd in het besluit van 7 augustus 2019 te verlengen. Bij besluit van 8 oktober 2019 (het primaire besluit 5) heeft verweerder aan verzoekster bericht dat de op grond van het besluit van 7 augustus 2019 verbeurde dwangsom zal worden ingevorderd. Verzoekster heeft tegen alle besluiten bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2019 heeft zij tevens een verzoek voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 19 september 2019 het besluit van 15 augustus 2019 geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Bij besluit van 20 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder alle bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard. Verweerder heeft verder besloten tot aanvulling van de grondslag van de lasten van 5 juni 2019 en 15 augustus 2019 en tot verlenging van de begunstigingstermijn tot zes weken na de het opheffen van de landelijke (corona)sluiting van eet- en drinkgelegenheden. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 2 juli 2020 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot vier weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli
(2018)waarop verzoekster haar onderneming vanuit de panden is gestart, zit een te groot tijdsverloop. Niet onwaarschijnlijk is daarom dat de stelling van verzoekster, namelijk dat de bier-tankinstallatie en koelcel met overkapping al aanwezig waren op het moment van overname/ingang huurcontract juist is. Verweerder heeft dit niet nader onderzocht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoekster daarom ook ten onrechte aangemerkt als overtreder van het bouwverbod met betrekking tot de overkapping van de eerste koelcel. Ten aanzien van de overige overkappingen bedoeld in het besluit van 5 juni 2019, heeft verzoekster niet betwist overtreder te zijn, zodat daarvan wordt uitgegaan. De aanvulling van de lasten onder dwangsom in het bestreden besluit 17.1 Verweerder heeft de lasten van 5 juni en 15 augustus 2019 in het bestreden besluit aangevuld met de grondslag van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo. Verweerder heeft daarbij in het Advies verwezen naar een uitspraak van de Afdeling. 17.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aanvulling die hier is gedaan, geen uitbreiding van de lastgevingen in het besluit van 5 juni 2019 inhoudt, omdat in dat primaire besluit al met zoveel woorden is vermeld dat de opslag in strijd is met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Daarbij is ook de plaatsing van de koelcel vermeld. Ook in het primaire besluit van 15 augustus 2019 is vermeld dat de gerealiseerde (rechtbank: tweede) koelcel in strijd is met het bestemmingsplan. Deze lasten zijn daarom al gegrond op het verbod van strijdig gebruik, hoewel het artikelonderdeel van de Wabo niet wordt genoemd. 17.3 Hiervoor is (zie 15.4) al overwogen dat verweerder verzoekster niet kan gelasten de koelcellen te verwijderen op grond van strijdig gebruik. Voor zover de uitbreiding van de last ook het enkel gebruiken van de koelcellen zou moeten verbieden, zoals kennelijk de bedoeling was van verweerder, heeft verzoekster terecht aangevoerd dat een dergelijke uitbreiding niet toegestaan is. De opgelegde last zou daarbij te zeer worden gewijzigd. Daarbij lijkt dat ook een zinloze lastgeving omdat de overtreding, namelijk het strijdig gebruik van de steeg, niet wordt beëindigd als de koelcellen blijven staan, maar niet meer voor bier worden gebruikt. 17.4 Wat hier ook van zij, de lastgeving zelf in het bestreden besluit is niet aangepast, zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend. Die houdt immers, onder verwijzing naar de primaire besluiten, nog steeds in dat de koelcel verwijderd moet worden en dat de diverse opslag verwijderd en gestaakt moet worden en niet dat het gebruik van de koelcellen voor bieropslag gestaakt moet worden. Conclusie 18.1 Het voorgaande leidt ertoe dat van het besluit van 5 juni 2019 alleen lastgeving 1, het verwijderen en verwijderd houden van alle opslag in de [adres 1] , lastgeving 3, het staken en gestaakt houden van het gebruik van de [adres 1] ten behoeve van opslag en lastgeving 4 voor zover het betreft de overige overkappingen (zie 16.3 – slot) in stand kunnen blijven. Verzoekster heeft in beroep niet betwist overtreder te zijn ten aanzien van deze lastgevingen. Zij heeft ook vermeld dat zij inmiddels aan deze lastgevingen heeft voldaan door alle “diverse opslag (kasten, kratten, ladders en dergelijke”) vermeld in het besluit te hebben weggehaald en de overige overkappingen te hebben verwijderd. Een verlenging van de begunstigingstermijn langer dan nu geldend, namelijk tot vier weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter is hiervoor dus niet nodig. 18.2 Lastgeving 2 en een deel van lastgeving 4 van het besluit van 5 juni 2019 alsmede de besluiten van 7 augustus en 15 augustus kunnen niet in stand blijven. Dat geldt dan ook voor het besluit dat daaruit volgt, namelijk het invorderingsbesluit van 8 oktober
- Het bestreden besluit zal worden vernietigd en voormelde primaire besluiten zullen (deels) worden herroepen. Het eerdere besluit van 21 augustus 2019 waarbij is geweigerd om de begunstigingstermijn van het besluit van 7 augustus 2019 te verlengen moet daarom ook worden herroepen.
- Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid aanhef en onder b van de Awb zal de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorzien door het besluit van 5 juni 2019 te herroepen, voor zover daarin wordt gelast om de koelcellen en daarbij behorende overkapping te verwijderen, en de besluiten van 7, 15 en 21 augustus 2019 en het besluit van 8 oktober 2019 te herroepen.
- Nu op het beroep is beslist en er geen belang meer is bij een verdere verlenging van de begunstigingstermijn bestaat geen aanleiding om een voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
- Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt en veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 20 mei 2020; herroept het primaire besluit van 5 juni 2019 voor zover daarin wordt gelast om de koelcellen en daarbij behorende overkapping te verwijderen; - herroept de primaire besluiten van 7 augustus 2019, 15 augustus 2019, 21 augustus 2019 en 8 oktober 2019; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit van 20 mei 2020; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoekster te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.P. Braam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus
- De griffier is de voorzieningenrechter verhinderd de uitspraak te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Zie KvK uittreksel d.d. 20 augustus 2019 Zie pagina 8 van het Advies ECLI:NL:RVS:2018:2804 Zie pagina 7/8 van het Advies. ECLI:NL:RVS:2011:BQ
- Zie pagina 8, tweede en vierde, alinea van het Advies.