← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:4022

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751367-20 RK nummer: 20/2273 Datum uitspraak: 30 juli 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2019 door the Circuit Court in Płock (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] . hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 26 juni 2020 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juni

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.B.W.G. Beutener, advocaat te Deventer en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 10 juli 2020 De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 10 juli 2020 het onderzoek ter zitting heropend, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om over vonnis 3 (II K 423/15) nadere informatie in te winnen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de betekening van de dagvaarding en het vonnis en over de verstrekte verzetgarantie. Zitting 30 juli 2020 De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 30 juli
  2. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om ter zitting aanwezig te zijn en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw mr. M.B.W.G. Beutener, advocaat te Deventer die telefonisch ter zitting aanwezig was. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van: II K 483/13: een enforceable final sentence of the District Court in Płock van 12 augustus 2014; VII K 790/13: een enforceable final sentence of the District Court in Płock van 9 oktober 2014, amended by the sentence of the Circuit Court in Płock van 6 maart 2015 (V Ka 950/14); II K 423/15: een enforceable final sentence of the District Court in Płock van 6 december
  3. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van: II K 483/13: een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, waarvan volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en 28 dagen resteren; VII K 790/13: een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren; II K 423/15: een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. De opgeëiste persoon dient bovengenoemde vrijheidsstraffen te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW; tussenuitspraak De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 10 juli
  4. Hierin heeft zij geoordeeld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (rubriek 4) niet van toepassing is voor vonnis 1 (II K 483/13) en dat de overlevering dient te worden geweigerd voor vonnis 2 (VII K 790/13, hoger beroep: V Ka 950/14). De rechtbank heeft tevens geoordeeld over de strafbaarheid van de feiten van vonnis 1 (rubriek 5) en schending van mensenrechten (rubriek 6). De overwegingen van de rechtbank dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft op 10 juli 2020 het onderzoek heropend, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om over vonnis 3 (II K 423/15) nadere informatie in te winnen, zoals hierboven onder het kopje Procesgang is vermeld. De rechtbank stelt vast dat er geen nadere informatie is ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid en is niet vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. De rechtbank kan niet vaststellen of één van de omstandigheden van artikel 12 onder a of c OLW zich heeft voorgedaan, omdat gegevens over de betekening van de dagvaarding en het vonnis ontbreken. De rechtbank kan in het kader van artikel 12 onder d, tevens niet vaststellen of de gegeven verzetsgarantie onvoorwaardelijk is zoals dit artikel vereist. De overlevering voor vonnis 3 zal op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. 5Slotsom Nu ten aanzien van vonnis 1 (II K 483/13) waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor dat vonnis te worden toegestaan. Voor vonnis 2 (VII K 790/13, hoger beroep: V Ka 950/14) en vonnis 3 (II K 423/15) moet zij worden geweigerd. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Płock (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens vonnis 1 (II K 483/13). WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens vonnis 2 (VII K 790/13, hoger beroep: V Ka 950/14) en vonnis 3 (II K 423/15). Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en C.W.M. Giesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juli
  5. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.