← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:412

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/237041-19 (zaak A); 13/151153-19 (zaak B); 13/234384-19 (zaak C); 13/236423-19 (zaak D) en 13/650059-18 (tul) Datum uitspraak: 24 januari 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] , gedetineerd in het [detentieplaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari

  1. Verdachte was hierbij niet aanwezig. De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht gevoegd. Deze zaken worden hierna zaak A, B, C en zaak D genoemd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat de gemachtigde raadsman, mr. A.A. Boersma, naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: zaak A: het vernielen van een ruit van een bushokje op 2 oktober 2019; zaak B: het bezit en de verkoop van 4,37 gram cocaïne en 0,64 gram heroïne op 22 mei 2019; zaak C: het vernielen van een ruit op 30 september 2019; zaak D: het vernielen van een raam op 2 oktober
  2. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
  3. Waardering van het bewijs 3.
  4. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde vernielingen (zaken A, C en D) bewezen kunnen worden. Verdachte heeft het plegen van de vernielingen bekend. In zaak B kan het aanwezig hebben van 4,37 gram cocaïne en 0,64 gram heroïne bewezen worden. Voor het overige ontbreekt bewijs. 3.
  5. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de zaken A, C en D. In zaak B vindt ook de raadsman dat alleen het aanwezig hebben van 4,37 gram cocaïne en 0,64 gram heroïne kan worden bewezen. Voor het overige moet vrijspraak volgen. 3.
  6. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de vernielingen in de zaken A, C en D bewezen kunnen worden. Verdachte heeft deze feiten bekend en er is steeds aangifte gedaan. In zaak B kan alleen het aanwezig hebben van de harddrugs worden bewezen. Van de overige tenlastegelegde handelingen wordt verdachte vrijgesproken. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zaak A: op 2 oktober 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een abri, die aan het Gemeente Vervoersbedrijf van de gemeente Amsterdam toebehoorde, heeft vernield; zaak B: op 22 mei 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,37 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 0,64 gram van een materiaal bevattende heroïne; zaak C: op 30 september 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft vernield; zaak D: op 2 oktober 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een raam, dat aan Mentrum, vestiging [adres Mentrum] toebehoorde, heeft vernield. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.
  7. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 dagen. 7.
  8. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de officier van justitie te volgen in zijn strafeis. 7.
  9. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie vernielingen van ruiten. Dit soort feiten zijn niet alleen hinderlijk, maar veroorzaken ook schade voor de gedupeerden. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het bezit van harddrugs. Uit het reclasseringsadvies van 7 januari 2020 blijkt dat de reclassering zorgen heeft over verdachte. De reclassering stelt dat er bij verdachte meerdere problemen op diverse leefgebieden zijn, maar vooral op het gebied van stabiele huisvesting. Er zijn aanwijzingen voor psychiatrische problematiek, maar deze werd na de vernielingen door de crisisdienst niet geconstateerd. Tijdens zijn hechtenis is verdachte afwisselend in een PPC, op de isoleerafdeling en op een reguliere afdeling geplaatst. Zijn toestand is tijdens detentie verslechterd. Een stoornis kan niet worden vastgesteld maar ook niet worden uitgesloten, omdat verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan psychiatrisch onderzoek. Zorg is nodig, maar de reclassering heeft geadviseerd om geen bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Daarnaast volgt uit het strafblad van verdachte van 16 december 2019 dat hij al meerdere malen is veroordeeld voor drugsfeiten. De rechtbank deelt de door de reclassering geuite zorgen, maar ziet gelet op het rapport en advies van de reclassering en de aard van de feiten geen mogelijkheid om een forensisch strafrechtelijk kader op te leggen. De rechtbank heeft ook gekeken naar wat er in vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 50 dagen. Verdachte heeft 100 dagen in voorarrest gezeten. De tijd die verdachte langer dan de opgelegde straf in voorarrest heeft gezeten, kan bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf (zie hierna onder 9.) worden verrekend. 8Ten aanzien van de benadeelde partij De benadeelde partij [naam B.V.] vordert 493,25 euro aan vergoeding van materiële schade voor de vernieling in zaak A. 8.
  10. Standpunt van de officier van justitie De vordering van de benadeelde partij moet gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van 82,71 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij niet betalen zou een maximale gijzeling van twee dagen moeten worden toegepast. De materiële kosten bestaan voor 32,71 euro uit kosten voor nieuw materiaal. De officier van justitie schat dat de gemaakte materiële kosten voor 50,- euro bestaan uit personeelskosten. De benadeelde partij moet voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. 8.
  11. Standpunt van de verdediging De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. In het dossier ontbreekt een volmacht, waarin staat dat [naam gemachtigde] door [naam B.V.] is gemachtigd om namens deze vennootschap de vordering in te dienen. Als de rechtbank daar niet in meegaat, moet de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van 82,71 euro, zoals gevorderd door de officier van justitie. Omdat de benadeelde partij een bedrijf is, verzoekt de verdediging de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. 8.
  12. Oordeel van de rechtbank Het ontbreken van een schriftelijke volmacht waarin [naam gemachtigde] door [naam B.V.] is gemachtigd om namens deze vennootschap een vordering in te dienen, leidt in dit geval tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering. De ruimte op het voegingsformulier bestemd voor de invulling van een machtiging is leeg. Ook volgt uit het dossier niet op een andere manier dat [naam gemachtigde] werkzaam is bij bovengenoemde vennootschap en namens deze gemachtigd is om als benadeelde partij een vordering in te dienen. 9Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken zit de op 16 september 2019 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de eerder in de zaak met parketnummer 13/650059-18 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. 9.
  13. Standpunt van officier van justitie De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd. De tijd die verdachte langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die hij vandaag krijgt, kan met de nog uit te zitten straf worden verrekend. 9.
  14. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat verdachte al veel te lang in voorarrest heeft gezeten. Als de rechtbank daar niet in meegaat, kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen, maar zou compensatie met het te lange voorarrest moeten plaatsvinden. 9.
  15. Oordeel van de rechtbank Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf bevelen. Verdachte kan, zoals door de officier van justitie op de zitting aangeboden, bij de officier van justitie een verzoek doen om de tijd die verdachte in de hoofdzaken te lang in voorarrest heeft gezeten te compenseren wordt met de ten uitvoer te leggen straf onder parketnummer 13/650059-
  16. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van het in zaken A, C en D tenlastegelegde: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd; ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 50 (vijftig) dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart de benadeelde partij [naam B.V.] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 11 oktober 2018 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Vogel voorzitter, mrs. N.J. Koene en J. Huber, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.A. Mud en K.P.M. Smeets, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.