RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummers: 13/023800-20 (zaak A), 13/142361-20 (zaak B), 13/152505-20 (zaak C), 13/025036-19 (zaak D), 13/057959-18 (TUL), 13/249983-19 (TUL) en 13/277433-19 (TUL) Datum uitspraak: 5 augustus 2020 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te distrikt [plaats 1] ([land]) op [geboortedag] 1955, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], [plaats 2]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 augustus 2020. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B, C en D aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. van den Berg, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – verkort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Zaak A: Diefstal van drogisterij-artikelen bij Kruidvat op 26 januari 2020 in Amsterdam; Zaak B: Diefstal van een vruchtensap bij Deen op 28 mei 2020 in Diemen; Zaak C: Diefstal van tubes kleefpasta bij Albert Heijn op 9 juni 2020 in Amsterdam; en Zaak D: Diefstal van een verpakking Fristi bij Hema op 30 januari 2019 in Amsterdam. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs De rechtbank acht de diefstal in alle vier de zaken wettig en overtuigend bewezen. Er is voor ieder van deze diefstallen aangifte gedaan en verdachte heeft de feiten in zaak A, zaak B en zaak C ter terechtzitting bekend. In zaak D heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij het pakje Fristi niet heeft gestolen, maar alleen in zijn jaszak heeft gestopt en later wilde betalen. De rechtbank vindt dit geen geloofwaardige verklaring. Zij is van oordeel dat dit wegstoppen naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht is geweest op het wegnemen van dit pakje en dat verdachte daarbij het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. Zij stelt op basis van de aangifte en het proces-verbaal van de camerabeelden vast dat verdachte hier ook een vervolg aan heeft gegeven door langs de kassa te lopen zonder te betalen. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: Zaak A: op 26 januari 2020 te Amsterdam, drogisterij-artikelen die aan een ander toebehoorden, te weten aan het winkelbedrijf Kruidvat, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Zaak B: op 28 mei 2020 te Diemen een flesje vruchtensap dat aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf Deen, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Zaak C: op 9 juni 2020 te Amsterdam, 14 tubes kleefpasta die aan een ander toebehoorden, te weten aan het winkelbedrijf Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Zaak D: op 30 januari 2019 te Amsterdam, een verpakking Fristi die aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf Hema, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 5Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 108 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft daarnaast gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarden, verkort weergegeven, de volgende bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden: een meldplicht bij reclassering Inforsa, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan een dagbesteding. 8.2. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen, die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Zij kan zich verenigen met de eis van de officier van justitie om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen voor de duur van 30 dagen en hieraan de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden te verbinden. 8.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de beslissing tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich in deze zaken schuldig gemaakt aan vier winkeldiefstallen. Dit zijn hinderlijke feiten die voor veel overlast zorgen, in het bijzonder voor het winkelpersoneel. Uit het strafblad van verdachte van 3 juli 2020 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor winkeldiefstallen. De rechtbank leest dit ook terug in het reclasseringsrapport van Inforsa van 13 juli 2020, opgesteld door K. van der Heijden. De reclassering schrijft, zakelijk weergegeven, dat verdachte een veelpleger is op het gebied van winkeldiefstal en dat er een directe relatie is tussen zijn verslaving en het delictgedrag. De verslaving beïnvloedt zijn dagelijkse functioneren in ernstige mate. Wanneer verdachte eenmaal aan het gebruiken is, komt hij niet op afspraken bij zijn behandelaar of de reclassering. Verdachte kreeg na een eerdere schorsing van zijn voorlopige hechtenis in deze zaak opnieuw de kans zijn gedrag te veranderen en de reclassering heeft zich bereid getoond om hem daarbij te ondersteunen. De toekomst zal volgens de reclassering moeten uitwijzen of de ingezette interventies van (methadon)behandeling, een andere woonvoorziening en dagbesteding, afdoende zijn om een eventuele ISD-maatregel af te wenden. De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting contact opgenomen met Inforsa over het verloop van de schorsing na de datum van het rapport. Zij heeft ter zitting toegelicht dat verdachte inmiddels is ingesteld op methadon en dat hij een nieuwe woonvoorziening heeft. Ondanks dat hij een enkele afspraak heeft gemist, lijkt hij zich op basis van de door haar verkregen informatie nu redelijk staande te houden. Verdachte heeft dit tijdens de zitting bevestigd. De rechtbank ziet deze positieve ontwikkeling ook en wil hem de kans bieden om deze lijn door te zetten. Zij benadrukt daarbij wel dat het aan verdachte is om hiervoor zijn verantwoordelijkheid te nemen en deze kans met beide handen aan te grijpen. Alles afwegende, wordt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen opgelegd, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, en een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht bij reclassering Inforsa, behandelverplichting (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan dagbesteding. 9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen Bij de stukken bevinden zich de (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.