RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 19/1904 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen Stichting Islamitische Scholen El Amal, te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. J.A. Keijser), en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. M.Y. van Hattum). Procesverloop Bij brief van 24 september 2018 heeft verweerder aan eiseres het definitieve rapport gestuurd met de bevindingen van het door de Inspectie van het Onderwijs (de inspectie) uitgevoerde kwaliteitsonderzoek op de door eiseres beheerde basisschool [basisschool] . De inspectie is tot het oordeel gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs op [basisschool] zeer zwak is. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit rapport en de beoordeling van de onderwijskwaliteit. Bij besluit van 18 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft op 16 juli 2020 plaatsgevonden via een videoverbinding. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is namens eiseres verschenen [naam 1] , interim-directeur van [basisschool] , en [naam 2] , uitvoerend bestuurder van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] en [naam 4] , beiden werkzaam bij de inspectie. Overwegingen Wat voorafging aan de procedure bij de rechtbank 1.1. In 2008 heeft de inspectie [basisschool] zeer zwak bevonden vanwege een groot aantal tekortkomingen in de opbrengsten, het onderwijsleerproces en de kwaliteitszorg. De inspectie heeft vastgesteld dat het [basisschool] in de jaren daarna niet is gelukt om tot voldoende kwaliteitsverbetering te komen. In verband hiermee is in 2016 een overeenkomst met verweerder gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt gericht op een duurzame kwaliteitsverbetering. Ook is daarin afgesproken dat de school na twee jaar opnieuw zal worden bezocht om te beoordelen of een duurzame kwaliteitsverbetering alsnog is gerealiseerd. 1.2. Naar aanleiding van de overeenkomst uit 2016 heeft de inspectie op 24 mei 2018 een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd op basisschool [basisschool] . Van dat onderzoek is op 24 september 2018 een rapport van bevindingen opgesteld. In dat rapport komt de inspectie tot de conclusie dat van duurzame kwaliteitsverbetering geen sprake is. De school heeft onvoldoende eindresultaten en ook in het onderwijsproces zijn verschillende onderdelen onvoldoende. 1.3. De vaststelling van een inspectierapport levert doorgaans geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op. Dit is anders in het geval de inspectie in haar rapport tot het oordeel komt dat de onderwijskwaliteit zeer zwak is. Op grond van artikel 20, zesde lid, van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT) geldt een rapport met het oordeel zeer zwak na vaststelling als een besluit in de zin van de Awb. Dit brengt met zich dat het aan de bestuursrechter is om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het rapport. 1.4. Eiseres heeft in bezwaar de bevindingen van de inspectie en de daaraan in het inspectierapport verbonden conclusies ter discussie gesteld. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen gemotiveerd beroep ingediend. Het rapport van de inspectie 2.1. In artikel 10a van de Wet op het primair onderwijs (WPO) is bepaald wanneer de kwaliteit van het onderwijs als zeer zwak moet worden aangemerkt. 2.2. De inspectie heeft het onderzoek verricht aan de hand van het ‘Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs’ (het Onderzoekskader 2017). De wettelijke eisen uit de WPO waaraan het onderwijs moet voldoen, vormen de grondslag voor het waarderingskader in het Onderzoekskader 2017. In het waarderingskader worden vijf kwaliteitsgebieden onderscheiden: - Onderwijsproces (OP) - Schoolklimaat (SK) - Onderwijsresultaten (OR) - Kwaliteitszorg en ambitie (KA) - Financieel beheer (FB) Elk kwaliteitsgebied is onderverdeeld in verschillende standaarden. 2.3. In hoofdstuk 4, paragraaf 5, van het Onderzoekskader 2017 is opgenomen op basis van welke normen het onderdeel over de kwaliteit tot stand komt. Het eindoordeel ‘zeer zwak’ wordt gegeven als de leerresultaten (standaard OR1) onvoldoende zijn en er onvoldoende wordt gescoord op de standaarden Zicht op ontwikkeling (OP2) óf Didactisch handelen (OP3) óf Veiligheid (SK1). 2.4. De inspectie heeft in haar rapport geconstateerd dat op de voornoemde punten, op Veiligheid (SK1) na, onvoldoende wordt gescoord bij [basisschool] , waardoor niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 3, eerste lid, onder a en b, artikel 8, eerste, vierde en elfde lid, artikel 32a en artikel 40a van de WPO en van artikel 34.7 van het Besluit bekostiging WPO. 2.5. Bij de beoordeling voor de leerresultaten heeft de inspectie gebruik gemaakt van de Regeling leerresultaten PO 2014 (de Regeling). In deze Regeling staan de ondergrenzen vermeld van de verschillende eindtoetsen die door scholen kunnen worden gebruikt. Als de gemiddelde schoolscore op of boven de ondergrens ligt, zijn de resultaten in dat schooljaar voldoende. Als ze eronder liggen, dan zijn ze onvoldoende. Bijlage D bij de Regeling geeft de beslisregel bij de beoordeling van de leerresultaten. Uitgangspunt is dat de inspectie de leerresultaten beoordeelt op basis van de leerresultaten van de leerlingen in leerjaar 8 van de afgelopen 3 jaar (cohorten). Als de leerresultaten slechts één keer voldoende zijn (in die drie jaar/cohorten), en het aantal betrokken leerlingen is minder dan 10, dan betrekt de inspectie de leerresultaten van leerjaar 7 bij de beoordeling. Als de leerresultaten van leerjaar 7 onvoldoende zijn, dan betrekt de inspectie de leerresultaten van een vierde leerjaar 8 bij de beoordeling. 2.6. De inspectie heeft voor de beoordeling gekeken naar de schooljaren 2015/2016, 2016/2017 en 2017/2018. Het schooljaar 2015/2016 is voldoende bevonden en de schooljaren 2016/2017 en 2017/2018 zijn onvoldoende bevonden. Omdat het schooljaar 2015/2016 een leerjaar 8 betrof met minder dan 10 leerlingen, heeft de inspectie de leerresultaten van leerjaar 7 bij de beoordeling betrokken. De inspectie heeft hierbij gekeken naar de leerresultaten van leerjaar 7 in schooljaar 2017/2018. Deze leerresultaten heeft de inspectie onvoldoende bevonden. Om deze reden heeft de inspectie ook de leerresultaten van een vierde leerjaar 8 bij de beoordeling betrokken. De inspectie heeft gekeken naar leerjaar 8 in schooljaar 2014/2015. Deze leerresultaten heeft de inspectie ook onvoldoende bevonden. Het standpunt van eiseres 3. Eiseres stelt zich ten aanzien van de conclusie van de onderwijsresultaten in het rapport van de inspectie op de volgende standpunten. 3.1. Eiseres voert aan dat niet is voldaan aan beide voorwaarden van artikel 10a, eerste lid, van de WPO voor het predicaat ‘zeer zwak’. Daarbij stelt eiseres dat het begrip ‘onvoldoende leerresultaten’ uit artikel 10a, tweede lid, van de WPO niet gelijk kan worden gesteld aan het begrip ‘ernstig en langdurig tekortschieten (van de leerresultaten)’ uit het eerste lid. Er zit volgens eiseres een discrepantie tussen het eerste en het tweede lid. Artikel 10a, tweede lid, van de WPO noemt weliswaar ‘een periode van 3 schooljaren’, maar niet is duidelijk of dit de langdurigheid en ernst van artikel 10a, eerste lid, van de WPO betreft. 3.2. Eiseres voert verder aan dat Bijlage D van de Regeling in strijd is met artikel 10a, tweede lid, van de WPO. Ook is Bijlage D van de Regeling in strijd met wat de wetgever heeft bedoeld en in strijd met de rechtszekerheid. Verweerder heeft de leerresultaten op grond van Bijlage D ten onrechte als onvoldoende gekwalificeerd. Er is niet voldaan aan de wettelijke eis dat de leerresultaten gedurende drie opeenvolgende schooljaren onder de maat waren. Artikel 10a, tweede lid, van de WPO heeft betrekking op drie schooljaren. Het artikel biedt geen ruimte om de beoordeling tot twee jaren te beperken zoals de inspectie feitelijk heeft gedaan. Bij de uitwerking van lagere regelgeving, zoals in bijlage D van de Regeling, kan nooit tegen een wet in formele zin in worden gegaan. Daarnaast is Bijlage D van de Regeling leerresultaten PO 2014 ook in strijd met artikel 10a, derde lid, van de WPO, omdat de leerresultaten van de school jaarlijks moeten worden beoordeeld. De Regeling laat verder onvermeld welke groep 7 moet worden betrokken bij de beoordeling. De inspectie heeft groep 7 van het schooljaar 2017/2018 genomen. Als de inspectie daarentegen groep 7 van het schooljaar 2015/2016 had genomen, dan zouden de leerresultaten over 2016 voldoende zijn geweest en was het predicaat ‘zeer zwak’ niet verleend. De keuze van de inspectie voor groep 7 van het schooljaar 2017/2018 is volgens eiseres niet logisch. Niet alleen wordt daarmee de wettelijke referentieperiode van drie jaar genegeerd, maar ook wordt daarmee miskend dat het meenemen van de gegevens van groep 7 is bedoeld om een representatief beeld te krijgen van het betreffende schooljaar. De resultaten van die groep zijn niet één op één hetzelfde als de resultaten van diezelfde groep een jaar later. 3.3. Ook voert eiseres aan dat artikel 10a, eerste lid, van de WPO nog een derde eis stelt, namelijk dat er een causaal verband moet bestaan tussen het tekortschieten van de leerresultaten en het tekortschieten van de naleving van een of meer bij of krachtens de wet gegeven voorschriften. 3.4. In het beroepschrift is ook aangevoerd dat de inspectie bij de beoordeling van de leerresultaten van [basisschool] ten onrechte heeft gekeken naar het opleidingsniveau van de ouders. Deze grond heeft eiseres op de zitting ingetrokken. 4. Eiseres stelt zich over de conclusies op de punten Zicht op ontwikkeling (OP2), Didactisch handelen (OP3) en Veiligheid (SK1) in het rapport van de inspectie op de volgende standpunten. 4.1. Eiseres voert aan dat zij niet tekort is geschoten in de naleving van de wettelijke voorschriften. Verweerder miskent het onderscheid tussen de wettelijke deugdelijkheidseisen op zich en de wenselijke invulling en vormgeving daarvan naar de (deskundige) inzichten van de inspectie. Eiseres erkent de waarnemingen in het rapport, maar de waardering is subjectief. Anders dan verweerder meent, volgt de conclusie (‘zeer zwakke school’) van de inspectie niet uit het toepasselijke Onderzoekskader. [basisschool] heeft een leerling- en onderwijsvolgsysteem en werkt met betrouwbare en valide toetsen. 4.2. Daarnaast hebben volgens eiseres de aanmerkingen van de inspectie op de bevoegdheid van enkele leerkrachten geen relevantie voor het tekortschieten op het gebied van de leerresultaten. Eiseres wijst erop dat de betreffende twee leerkrachten inmiddels zijn vervangen door leerkrachten die aan alle eisen voldoen. Relevante regelgeving 5. Voor het gehanteerde juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank overweegt dat in hoofdstuk 4, paragraaf 5, van het Onderzoekskader 2017 is opgenomen op basis van welke normen het onderdeel over de kwaliteit tot stand komt. Het eindoordeel ‘zeer zwak’ wordt gegeven als de leerresultaten onvoldoende zijn en er onvoldoende wordt gescoord op de standaarden Zicht op ontwikkeling óf Didactisch handelen óf Veiligheid. Gelet op de norm van dit onderzoekskader, zal de rechtbank allereerst beoordelen of verweerder terecht de leerresultaten als onvoldoende heeft mogen beoordelen. Onderwijsresultaten 7.1. De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘onvoldoende leerresultaten’ in artikel 10a, tweede lid, van de WPO gelijk kan worden gesteld aan het begrip ‘ernstig en langdurig tekortschieten’ zoals vermeld in artikel 10a, eerste lid, van de WPO. Artikel 10a, tweede lid, van de WPO geeft namelijk een nadere invulling van het eerste lid en maakt duidelijk wanneer sprake is van tekortschietende leerresultaten. 7.2. De rechtbank stelt verder voorop dat ingevolge artikel 10a, vijfde lid, van de WPO bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop leerresultaten worden gemeten, genormeerd en beoordeeld. Voorts wordt de normering, bedoeld in het derde lid, bepaald en wordt bepaald bij welk aantal leerlingen in het achtste schooljaar van een bepaalde school voor die school voor de periode van 3 schooljaren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt gelezen 5 schooljaren. Bij algemene maatregel van bestuur, namelijk het Besluit bekostiging WPO, is in artikel 34.4 bepaald dat bij ministeriële regeling de uitwerking wordt geregeld van de wijze waarop de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de wet tot stand komt. Deze uitwerking is vervolgens bij ministeriële regeling, namelijk de Regeling leerresultaten PO 2014, geregeld. 8. Voor zover eiseres heeft gesteld dat Bijlage D van de Regeling in strijd is met artikel 10a, tweede lid, van de WPO, overweegt de rechtbank als volgt. 8.1. In artikel 10a, vijfde lid, van de WPO, zoals hierboven aangehaald, is een wettelijke basis neergelegd om, als het gaat om de beoordeling van leerresultaten, de in artikel 10a, tweede lid, van de WPO genoemde periode van drie jaar op te rekken tot vijf jaar. Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet op het primair onderwijs blijkt – voor zover relevant – verder het volgende: “(…) Kijkend naar het toezichtkader voor het primair onderwijs is de beoordeling van de leerresultaten gebaseerd op de volgende hoofdelementen die in de wet (WPO) worden verankerd: (…) - scholen presteren onvoldoende als de leerresultaten gedurende drie achtereenvolgende jaren onder de normering liggen die is vastgesteld voor de scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie; - Voor scholen met een gering aantal leerlingen in de groepen zeven en acht wordt gekeken over een periode van vijf in plaats van drie jaar om te voorkomen dat de score van één of enkele extreem laag of hoog scorende leerling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.