RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/997041-18 (A) en 13/997045-19 (B) Datum uitspraak: 28 september 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , verblijvende op het adres [adres 2] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9, 11 en 12 maart 2020, 1 april 2020 en 16 en 25 juni
(7)paspoorten, te weten: - [paspoort 1] en - [paspoort 2] en - [paspoort 3] en - [paspoort 4] en - [paspoort 5] en - [paspoort 6] en - [paspoort 7] en één Italiaans rijbewijs, te weten: - [rijbewijs] heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; ten aanzien van feit 2, zaak B op tijdstippen in de periode van 23 maart 2018 tot en met 17 mei 2018 te Amsterdam (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van: vervalste bankafschriften van de [naam bank 2] betreffende [verdachte] d.d. 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 en een valse werkgeversverklaring van [naam bedrijf] betreffende [verdachte] d.d. 26 maart 2018 en valse loonstroken van [naam bedrijf] betreffende [verdachte] d.d. december 2017 en januari 2018 en februari 2018 elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte voornoemde geschriften heeft overlegd tot verkrijging van een huurovereenkomst voor de woonruimte gelegen aan [adres 2] te Amsterdam en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat -zakelijk weergegeven-: uit voornoemde bankafschriften in strijd met de waarheid blijkt dat op de rekening van [verdachte] loon gestort is door [naam bedrijf] in de periode van 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 en uit voornoemde werkgeversverklaring in strijd met de waarheid blijkt dat [verdachte] een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft en is aangesteld in vaste dienst sinds 2 november 2015 bij [naam bedrijf] tegen een bruto jaarsalaris van 52.067,64 en uit voornoemde loonstroken in strijd met de waarheid blijkt dat [verdachte] van werkgever [naam bedrijf] een netto loon van respectievelijk 2.785,14 in december 2017 en 2.794,76 in januari en februari 2018 en vakantiegeld heeft genoten; ten aanzien van feit 4, zaak B op 8 april 2019 te Amsterdam zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers heeft hij een contant en met verf besmeurd geldbedrag van in totaal 500 euro voorhanden gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het hiervoor bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals die hiervoor zijn weergegeven. In de voetnoten is verwezen naar de vindplaats in het dossier. Het betreft telkens wettige bewijsmiddelen. 6Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van voorarrest, met opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank vindt oplegging van een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden in overeenstemming met de ernst van de bewezen feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Uit de bewezen verklaarde feiten en hetgeen overigens naar voren komt in het dossier over verdachte komt het beeld naar voren van een man die zich weinig aantrekt van de regels. Hij opereert structureel in het criminele milieu, om daar zelf beter van te worden. Het gaat dan voornamelijk om financieel gewin, maar ook om het bezit van drugs en het verkrijgen van een huurwoning hebben hem tot criminaliteit aangezet. Zijn activiteiten in het kader van de criminele organisatie rondom [medeverdachte 1] zijn zeer kwalijk, omdat georganiseerde misdaad ontwrichtend werkt in de maatschappij. Verdachte heeft aan die ontwrichting bijgedragen en heeft door zijn bijdrage een rol gespeeld bij het verwezenlijken van de misdrijven, waarop die organisatie was gericht. Mede doordat verdachte boxen onderverhuurde aan de organisatie, waarin geheelde en gestolen auto’s uit het zicht konden worden gestald, kon de organisatie blijven voortbestaan en misdrijven blijven plegen. Verdachte heeft daarbij ook anderen meegetrokken in zijn criminele daden. Zo heeft hij een vriendin betrokken bij het huren van de boxen door haar te gebruiken om een schijnconstructie op te zetten. Ook blijkt uit het dossier dat hij er niet voor terugdeinst andere, kwetsbare personen te misbruiken voor zijn eigen financieel gewin. Wat het allemaal nog kwalijker maakt, is dat verdachte een andere keuze had kunnen maken. Hij beschikt over de capaciteiten om op universitair niveau te studeren, zo heeft hij zelf ook meermalen naar voren gebracht. Dat hij dan toch kiest voor het criminele pad, maakt die keuze tot een hele bewuste. Ook de proceshouding van verdachte is in dat verband illustratief. Hij bekent enkele feiten, die toch al dik met bewijs zijn belegd in het dossier. Over andere feiten, waarvoor het bewijs minder evident is, geeft hij geen openheid van zaken of legt hij verhullende verklaringen af. Dat verdachte blijkens zijn strafblad eerder is veroordeeld voor een vermogensmisdrijf en toch verder is gegaan met het plegen van strafbare feiten, onderstreept zijn criminele levenshouding. Gelet op al het voorgaande is oplegging van een forse gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank acht anders dan de officier van justitie de ten laste gelegde heling van de Mini Cooper niet bewezen. De officier van justitie heeft dit feit ook meegewogen als een misdrijf van de criminele organisatie. Nu de rechtbank dit feit niet bewezen acht en bovendien ook het verband van de heling van de Mini Cooper met de criminele organisatie niet aanwezig acht, zal de rechtbank bij de straftoemeting naar beneden afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. 9Beslag De rechtbank heeft in deze zaak meerdere malen een beslaglijst ontvangen van het Openbaar Ministerie. De meest recente beslaglijst dateert van 20 mei
- De rechtbank gaat uit van die beslaglijst. Daarbij verdient opmerking dat op die lijst geen melding is gemaakt van een voorwerp onder nummer
- De vordering van de officier van justitie ziet echter wel mede op een voorwerp met nummer
- De met inkt besmeurde geldbiljetten zouden onder dit nummer vallen. De rechtbank zal de officier van justitie volgen in zijn vordering en ook een beslissing nemen over de met inkt besmeurde geldbiljetten. Ook overigens zal de rechtbank vrijwel volledig beslissen in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie. Dat betekent dat, anders dan verzocht door de raadsman, het op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4 en 6 vermelde geld zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende en dat de rechtbank niet zal bepalen dat dit geld aan mevrouw [naam 2] , de vriendin van verdachte, wordt teruggegeven. Met de officier van justitie acht de rechtbank nader onderzoek nodig om vast te stellen wie de eigenaar van het geld is. Hierbij is van belang dat mevrouw [naam 2] nog niet over het geld is gehoord. Verder zal het geld vermeld onder 5, anders dan verzocht door de raadsman, niet aan verdachte worden teruggegeven, maar verbeurd worden verklaard. De rechtbank acht aannemelijk dat dit geld, 320 euro, uit de baten van het bewezen geachte is verkregen. Tot slot heeft de raadsman de rechtbank verzocht de sleutels vermeld onder 18 en 20, die van de ouders van verdachte zouden zijn, aan verdachte terug te geven. De rechtbank zal beslissen dat deze sleutels worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. 10Voorlopige hechtenis De voorlopige hechtenis van verdachte is sinds 2 april 2020 geschorst. De rechtbank heeft die beslissing genomen, nadat de inhoudelijke behandeling in deze zaak moest worden aangehouden vanwege de maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus. De situatie zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) was op dat moment nog niet aan de orde. De rechtbank vond destijds dat die situatie wel in beeld kwam. Dat heeft de rechtbank meegewogen in de afweging van belangen, te meer nu door de maatregelen in verband met het coronavirus de afronding van de inhoudelijke behandeling een op dat moment onbekende vertraging zou gaan opgelopen. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte, heeft de rechtbank bij die afweging zijn medische problemen en in het bijzonder zijn luchtwegproblemen van belang geacht, nu dit een extra risico bij besmetting met het coronavirus oplevert. De rechtbank heeft alles afwegende toen geoordeeld dat op dat moment het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing zwaarder woog dan het algemeen belang dat de voorlopige hechtenis zou voortduren. In eerste instantie heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis geschorst tot aan de voortzetting van de inhoudelijke behandeling. Toen de inhoudelijke behandeling op 16 juni 2020 werd voortgezet, heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd laten voortduren. De officier van justitie heeft de rechtbank bij requisitoir verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen. Verdachte heeft de rechtbank verzocht de schorsing van zijn voorlopige hechtenis ook na de uitspraak te laten doorlopen. De rechtbank merkt allereerst op dat de voorlopige hechtenis van verdachte thans is gebaseerd op feit 1 op het bevel tot inbewaringstelling in zaak A (deelneming aan een criminele organisatie, feit 1 op de dagvaarding in zaak A) en de feiten 1 tot en met 4 op de dagvaarding in zaak B. Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 3 in zaak B – schuld-/opzetheling van een Mini Cooper – acht de rechtbank voor dat feit geen ernstige bezwaren meer aanwezig. Dat feit vervalt dus als grondslag voor de voorlopige hechtenis. De recidivegrond is, gelet op de bewezen verklaarde feiten en de hiervoor gegeven strafmotivering, nog onverkort aanwezig. Verdachte zat bijna een jaar in voorarrest op het moment dat zijn voorlopige hechtenis werd geschorst, mede omdat de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv in beeld leek te komen. Nu de rechtbank verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden is de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv niet meer in beeld. Verdachte heeft nog steeds luchtwegproblemen en het risico op besmetting met het coronavirus is niet verdwenen, maar mede gelet op de ontwikkelingen sedert het moment van de schorsingbeslissing op 2 april 2020 en de sindsdien wereldwijd opgedane ervaringen en inzichten met betrekking tot corona, ook in de penitentiaire instellingen, komt de rechtbank nu tot een andere belangenafweging. Het algemeen belang dat is gediend bij detentie van verdachte weegt op dit moment zwaarder dan zijn persoonlijke belang bij zijn vrijheid. De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis daarom opheffen. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 57, 140, 225, 416, 420quater van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 12Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het in zaak B onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 4 en het in zaak B onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1, zaak A deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; ten aanzien van feit 4, zaak A opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; ten aanzien van feit 1 primair, zaak B opzetheling; ten aanzien van feit 2, zaak B opzettelijk gebruik maken van een vals/vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst; ten aanzien van feit 4, zaak B schuldwitwassen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaar en 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart verbeurd: - voorwerpen 5, 12, 19, 21, 22, 23, 27, 28, 29, 33, 34 en 35 op de beslaglijst. Verklaart onttrokken aan het verkeer: - voorwerpen 9, 13, 14, 15, 16, 30, 31 en 32 op de beslaglijst. Gelast de teruggave aan verdachte van: - voorwerpen 11, 16, 17 en 24 op de beslaglijst. Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: - voorwerpen 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 18, 20, 25 en 26 op de beslaglijst. Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk schriftelijk vastgelegd. Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Spoel, voorzitter, mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september
- In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De tenlastelegging in zaak A bevat geen feiten onder nummers 2 en
- ZD06, ZD07 en ZD 11, relaas en bijlagen. ZD01, ZD 2, ZD3, ZD04, ZD05 en ZD
- PD [verdachte] , pag.
- ZD00, pag. 83-
- ZD00, pag. 150-
- ZD00, pag. 74-
- ZD00, pag. 91-
- ZD00, pag. 160-
- ZD00, pag.
- ZD00, pag. 76-77 en pag. 82 ZD00, pag. 93-94, pag. 154-
- ZD00, pag. 170-
- ZD02, relaas en bijlagen en ZD05, relaas en bijlagen. Zie bijvoorbeeld ZD02 pag. 68-69 en ZD05 pag.
- ZD06, relaas en bijlagen en ZD07, relaas en bijlagen. PD [verdachte] , pag. 64 en verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart
- PD [naam 1] , pag. 37-
- ZD00, pag. 581-632 (WhatsAppgesprekken), PD [verdachte] pag. 9 en 10 en verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 11 maart 2020 (toeschrijving telefoonnummer [telefoonnummer 1] aan [verdachte] ) en PD [medeverdachte 3] pag. 6 (toeschrijving telefoonnummer [telefoonnummer 2] aan [medeverdachte 3] ). De telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 2] en [nummer] schrijft de rechtbank ook toe aan [medeverdachte 3] , omdat die onder dezelfde naam ‘ [naam 3] ’ zijn opgeslagen in de telefoon, die is onderzocht. Het dossier bevat verder ook meerdere gesprekken gevoerd met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] , waarbij de gebruiker door stemherkenning is geïdentificeerd als [medeverdachte 3] . Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart
- PD [verdachte] , pag. 64 en verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart
- ZD14, pag. 10 e.v. ZD14, pag. 15 e.v. Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart
- ZD14, pag. 17 e.v. ZD14A, pag. 1 e.v. ZD14A, pag. 4 e.v. ZD14A, pagina’s 10, 12, 14, 15, 21, 22, 23 en
- Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart
- ZD14B, pagina’s 1 e.v., 26 e.v., 28, 29 e.v., 32 e.v., 41 e.v., 44 e.v. 46 e.v. en 52 e.v. ZD14E, pag. 1 e.v. ZD14E, pag. 15 e.v. ZD14E, pag. 19 e.v. Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 maart 2020.