← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:4802

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751.509-20 RK nummer: 20/3234 Datum uitspraak: 1 oktober 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2020 door the Public Prosecutor’s Office, Marseille Court of Justice (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1983, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 september 2020. Het verhoor heeft door middel van een telehoorverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft het onderzoek op 10 september 2020 geschorst tot de zitting van 17 september 2020, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de rechtbank van informatie, zoals door haar voorgesteld, te voorzien. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 17 september 2020. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant issued on 14th February 2020 by Ms Trubuilt, investigating judge at the Court of Justice of Marseille, Public Prosecutor’s Office n° 1728200245, Judicial investigation n° 417/07. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten: 1) deelneming aan een criminele organisatie; 5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Volgens de in rubriek
  2. c)van het EAB vermelde gegevens is op elk van deze feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft onder meer de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. Het IRC heeft per e-mail van 12 augustus 2020 de volgende vraag gesteld: Mr [opgeëiste persoon] has been shown to have the Dutch nationality. As a consequence, pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision on the European arrest warrant, and Article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender of Persons Act, the surrender may only be authorized after it can be guaranteed that, in case the wanted person is sentenced to an unconditional prison sentence without appeal in France after the surrender, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ). - I kindly request this guarantee of return. De Vice-Procureur Section JIRS Criminalité Organisée Parquet Marseille heeft de volgende garantie gegeven: - there is no difficulty regarding the law penal that the execution of sentence takes place in the homeland or the hostcountry of Mr [opgeëiste persoon] in the situation where he would be condemned, because of the right of the presumption of innocence. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. Aan deze voorwaarde is voldaan. De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod; Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe. Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie op de zitting van 10 september 2020 gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Franse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd: Het onderzoek is in Frankrijk aangevangen, het bewijs bevindt zich in Frankrijk en de medeverdachten worden ook in Frankrijk berecht. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. 7Detentieomstandigheden 7.1. Inleiding Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er op dit moment een algemeen reëel gevaar dat personen die zijn gedetineerd in de detentie-instellingen in Nîmes en Fresnes onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Daarnaast heeft de rechtbank in haar uitspraak van 31 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:655) geoordeeld dat op dit moment geen algemeen gevaar bestaat dat personen die in de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar dat – gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing – nadere gegevens van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden. Bij e-mail van 1 september 2020 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet in Nîmes zal worden gedetineerd, omdat Nîmes te ver verwijderd is van Marseille. 7.2. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon graag snel naar Frankrijk wordt overgeleverd. Natuurlijk mag het niet zo zijn dat de opgeëiste persoon in Frankrijk het risico loopt op een mensonterende behandeling. Vanwege de afstand naar Marseille zal de opgeëiste persoon niet in Nîmes worden geplaatst. Dat impliceert dat Frêsnes en Bordeaux niet voor de hand liggen, nu die instellingen nog veel verder van Marseille liggen. Op dit punt wordt geen verweer gevoerd. 7.3. Standpunt van de officier van justitie Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 25 juli 2018 in de zaak ML (ECLI:EU:C:2018:589) is de uitvoerende autoriteit verplicht uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de beschikbare informatie volgt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid niet zal worden gedetineerd in de detentie-instellingen in Nîmes, Fresnes of Bordeaux-Gradignan. De overlevering kan daarom worden toegestaan. 7.4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de raadsman en de officier van justitie – van oordeel dat uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 september 2020 volgt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid niet zal worden gedetineerd in de detentie-instellingen in Nîmes, Fresnes of Bordeaux-Gradignan. Ten aanzien van Fresnes en Bordeaux-Gradignan komt de rechtbank tot die conclusie omdat die detentie-instellingen in afstand verder dan Nîmes van Marseille verwijderd zijn. Mede gelet op de aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie, volgt daaruit dat er geen individueel reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in Frankrijk zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling en dat, voor wat betreft de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan, de vraag of in deze detentie-instelling sprake is van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in deze zaak niet behoeft te worden beantwoord. De detentieomstandigheden staan dan ook niet aan overlevering in de weg. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen Artikel 47 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 11b Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor’s Office, Marseille Court of Justice (Frankrijk). Aldus gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en M.C. Eggink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 oktober 2020. De oudste rechter is buiten staat te tekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 30 mei 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:3763), 17 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6648) en 21 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1102).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.