RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/993075-19 (Promis) Datum uitspraak: 24 september 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1956 , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september
(68000). Ik moet nu een balans opmaken hoeveel schulden ik heb. Vervolgens een leningcontract opmaken met een zachte rente voor die schulden en ook voor de rest van het tegoed, dat ik in de loop van 2011 nodig heb voor de bouw, want ik wil een hypotheeklening zo lang mogelijk uitstellen.” Verder bevat het dossier ook e-mailberichten waarin verdachte aan zijn belastingadviseur heeft geschreven over onderwerpen als omzet, BTW en voorbelasting. Op 2 oktober 2013 heeft verdachte een e-mail ontvangen van een medewerker van het kantoor van zijn belastingadviseur, waarbij een kopie van het door verdachte ingediende C-biljet aangifte inkomstenbelasting 2011 is gevoegd. Verdachte heeft dezelfde dag teruggemaild en geschreven: “(…) Zou dat kunnen dat ze daardoor de aangifte niet in behandeling hebben genomen? Daarnaast vinden ze de nihil en nullen een beetje raar.”. Op 26 augustus 2010 heeft verdachte aan zijn belastingadviseur gemaild: “Ik maak me alleen een beetje zorgen over de hoge schuld die ik heb opgebouwd. Niet dat ik het opgesoupeerd of zo, maar vrees dat de grote broer mij ter verantwoording roept. Wij zullen zien. Met jou voel ik me in ieder geval sterk”. Daarop antwoordt de belastingadviseur: “….mocht de grote broer ‘wakker worden’, dan zal, in het ergste geval, een deel van de schuld moeten worden afgelost.” Tijdens het verhoor bij de FIOD heeft verdachte verklaard dat het logisch is dat hij over het bedrag dat hij uit [naam B.V.] B.V. heeft gehaald nog inkomstenbelasting zou moeten betalen en dat hij daar ook nooit aan getwijfeld heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte herhaald dat hij wist dat hij nog inkomstenbelasting zou moeten betalen over het bedrag dat hij uit [naam B.V.] B.V. had gehaald, maar dat hij wachtte totdat hij iets van de Belastingdienst daarover zou horen. Over de aangifte inkomstenbelasting 2011 heeft verdachte verklaard dat zijn belastingadviseur de aangifte heeft gedaan en dat hij die niet heeft bekeken. Hij vertrouwde op zijn boekhouder. Vertrouwen op belastingadviseur Verdachte heeft over de aangifte in kwestie verklaard dat die aangifte door zijn belastingadviseur is opgemaakt, dat hij op zijn belastingadviseur vertrouwde en de aangifte niet heeft bekeken. Ook al gaat de rechtbank uit van de lezing van verdachte dat hij zelf deze aangifte niet heeft ingezien en deze vervolgens heeft laten indienen door de belastingadviseur, dan nog ontslaat dit verdachte niet van zijn verantwoordelijkheid voor de juistheid van de aangifte. Het is allereerst aan de belastingplichtige om zijn belastingaangifte voor inzending op juistheid te controleren. Daar komt bij dat verdachte wist dat hij nog steeds inkomstenbelasting zou moeten betalen over het geldbedrag dat hij in de loop der jaren uit [naam B.V.] B.V. had gehaald Conclusie rechtbank Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden vindt de rechtbank dat verdachte kon begrijpen dat hij eerst inkomsten had moeten opgeven alvorens de Belastingdienst zou kunnen bepalen hoeveel inkomstenbelasting hij zou moeten afdragen. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de juistheid van de aangifte had hij de aangifte minst genomen dienen te controleren op het opgegeven inkomen. Dit heeft hij niet gedaan. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de namens hem ingediende aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011 vals zou worden opgemaakt en dientengevolge als een onjuiste aangifte zou worden ingediend. Uit de hierboven genoemde overwegingen kan tevens worden geconcludeerd dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn belastingadviseur de aangifte heeft opgesteld en ingediend. De rechtbank komt tot de conclusie dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 14 oktober 2013, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten: een aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2011, ten name van [verdachte] onjuist heeft gedaan, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk op het bij de Belastingdienst ingediende aangiftebiljet inkomstenbelasting 2011 ten name van genoemde persoon een onjuist belastbaar inkomen (box 1) en geen belastbaar bedrag aan inkomen voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2) opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, en in de periode van 2 oktober tot en met 14 oktober 2013, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een geschrift, te weten: een aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2011, ten name van [verdachte] zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk hebben opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid in die aangifte over het jaar 2011 ten onrechte een bedrag van 52.699 euro niet als afkoop pensioen (box 1) opgegeven en ten onrechte een bedrag van 366.725 euro niet als inkomen voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2) opgegeven, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur en een geldboete van € 5.000,
- 8.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf er rekening mee te houden dat deze zaak grote gevolgen heeft voor verdachte. Niet alleen op werkgebied – hij heeft immers een VOG nodig om als tolk te mogen werken voor de overheid – maar ook fiscaal en privé. Daar komt bij dat verdachte een blanco strafblad heeft, een beperkte rol heeft gehad in vergelijking met zijn belastingadviseur, er nooit eerder of later enige discussie met de Belastingdienst is geweest en verdachte een bankgarantie heeft gesteld voor betaling van de eventueel verschuldigde belasting en rente. De verdediging heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig te verklaren zonder een straf op te leggen. 8.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door opzettelijk een onjuiste aangifte inkomstenbelasting in te dienen, door niet in de aangifte op te geven dat hij inkomsten heeft gehad uit aanmerkelijk belang. Verdachte heeft jarenlang geld van zijn vennootschap geleend, tot een totaalbedrag van € 419.425,
- Met de verkoop van de aandelen van zijn vennootschap, waarbij de rekening-courantschuld is overgenomen door de koper, is een voordeel uit aanmerkelijk belang ontstaan. Ook heeft verdachte daarmee fiscaal kunnen beschikken over zijn pensioen. Verdachte had dit in de aangifte inkomstenbelasting moeten opgeven, maar dat heeft hij opzettelijk niet gedaan. Daarmee heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan het opmaken van een vals geschrift. Door zo te handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat de overheid te weinig inkomsten uit belasting heeft genoten. Bovendien wordt het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling, door dit soort handelen geschaad. Het systeem van de inkomstenbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen, dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde inkomstenbelasting vaststelt. Verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en zoekt daarbij aansluiting bij de oriëntatiepunten fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank gaat daarbij uit van het totale benadelingsbedrag van € 108.679,00 en niet – zoals bepleit door de verdediging – van het bedrag dat verdachte als naheffing van de Belastingdienst heeft ontvangen. Die naheffing is namelijk de helft van het totale benadelingsbedrag – de fiscale partner van verdachte heeft een naheffingsaanslag voor de andere helft ontvangen – terwijl het in de strafzaak gaat om het totale door de Belastingdienst geleden nadeel. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een benadelingsbedrag tussen € 70.000,00 en € 125.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf tot negen maanden of een voorwaardelijke gevangenisstraf met een taakstraf. De rechtbank neemt dit als uitgangspunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank overweegt allereerst dat er reeds in december 2014 doorzoekingen hebben plaatsgevonden, verdachte in maart 2015 is gehoord en het einddossier eind 2015 gereed was. Pas in februari 2018 heeft er bij het Openbaar Ministerie een hoorzitting plaatsgevonden. Daar verdachte liet weten dat hij in verzet zou gaan tegen de door het Openbaar Ministerie aangekondigde strafbeschikking, is besloten verdachte strafrechtelijk te vervolgen. In september 2018 zijn namens verdachte onderzoekswensen bij de rechter-commissaris ingediend, waarna op 9 mei 2019 een getuige is gehoord. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft vervolgens pas op 10 september 2020 plaatsgevonden. Deels is dat te wijten aan de gevolgen van het coronavirus, maar voor het overgrote deel is de zeer lange duur van deze zaak te wijten aan het niet voortvarend handelen door het Openbaar Ministerie. De rechtbank zal daarmee in het voordeel van verdachte rekening houden. De rechtbank overweegt voorts in het voordeel van verdachte dat hij blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 10 augustus 2020 niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank overweegt tot slot dat zij de verwachting heeft dat verdachte in voldoende mate zal zijn gewaarschuwd en hij niet nogmaals de fout in zal gaan. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 5.000,00 een passende straf is. Verdachte mag deze geldboete voldoen in 10 maandelijkse termijnen van € 500,
- 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24a, 24c, 55 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: eendaadse samenloop van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en opzettelijk opmaken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 60 (zestig) dagen. Bepaalt dat de geldboete in 10 (tien) maandelijkse termijnen van elk € 500 (vijfhonderd euro) mag worden voldaan. Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Bleeker, voorzitter, mrs. J. Knol en R.K. Pijpers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september
- Bijlage I - Tenlastelegging [naam verdachte] Aan verdachte [verdachte] is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat “hij op een tijdstip in de periode van 9 oktober tot en met 14 oktober 2013, althans in oktober 2013 te Apeldoorn, Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten: een aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2011 (D-5010, D-5044), ten name van [verdachte] (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of laten doen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het/de bij de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst ingediende (elektronische) aangifte en/of ingeleverde aangiftebiljet inkomstenbelasting 2011 ten name van genoemde persoon een te laag, althans onjuist (belastbaar) inkomen (box 1) en/of geen, althans een te laag en/of onjuist (belastbaar), bedrag aan inkomen (voordeel) uit aanmerkelijk belang (box 2) opgegeven en/of laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven. en/of hij op een tijdstip in de periode van 2 oktober tot en met 14 oktober 2013, althans in oktober 2013te Apeldoorn, Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geschrift, te weten: een aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2011 (D-5010, D-5044), ten name van [verdachte] zijnde een geschrift(en) dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of laten opmaken en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en in strijd met de waarheid in die aangifte over het jaar 2011 ten onrechte een bedrag van 52.699 euro, althans enig bedrag, niet als afkoop pensioen (box 1) opgegeven en/of ten onrechte een bedrag van 366.725 euro, althans enig bedrag, niet als inkomen (voordeel) uit aanmerkelijk belang (box 2) opgegeven, zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken. Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 54995 (onderzoek Falls ) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren; Een afschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel, DOC-5001; Een geschrift, zijnde een akte van levering, DOC-5003; V05-001, pagina 9 en 11; Een geschrift, zijnde een Balans en Winst en Verliesrekening, DOC-5004; Een geschrift, zijnde een aangifte C-biljet inkomstenbelasting, DOC-5030, pagina 2 en 6; Een geschrift, zijnde een brief, DOC-5044, pagina 2; Een geschrift, zijnde een overzicht uit het Belastingsysteem Aanslag Belasting Systeem, DOC-5009; Een geschrift, zijnde een aangifte inkomstenbelasting, ongenummerd; Een geschrift, zijnde emailberichten, DOC-5029, pagina 2; Een geschrift, zijnde een emailberichten, DOC-5034; Een geschrift zijnde een emailbericht, DOC-5030; Een geschrift, zijnde een emailbericht, DOC-5031, pagina 1; V05-001, pagina 6; Een proces-verbaal van de terechtzitting van 10 september 2020;