← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:4952

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13.109525.20 (ontneming) Datum uitspraak: 7 oktober 2020 Vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.109525.20, tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, wonende op het adres [adres] , gedetineerd in het [detentieadres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer, en van wat de raadsman van veroordeelde, M.L. van Gaalen, naar voren heeft gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 23 september

  1. 2De vordering De vordering van de officier van justitie van 2 september 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 10.000,-. Gezien de stukken waarop de vordering is gebaseerd en waarnaar deze vordering verwijst, gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering het feit betreft waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2020 ter zake van onder andere het volgende strafbare feit veroordeeld: witwassen
  2. Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
  3. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie gaat ervan uit dat veroordeelde minimaal € 10.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. 4.
  4. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen gelet op zijn verweer tot vrijspraak. 4.
  5. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemd feit voordeel heeft verkregen. De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis van 7 oktober 2020 in de onderliggende strafzaak zijn opgenomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel – waaronder besparing van kosten zijn begrepen – heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezen verklaarde. Uit het dossier is gebleken dat verdachte van 21 mei 2020 tot en met 24 mei 2020 een Mercedes-Benz op zijn naam heeft gehad. Blijkens het proces-verbaal van onderzoek naar de aanschaf van deze auto ligt de waarde van deze auto tussen de € 10.000,- en € 14.000,-. Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Uit niets is gebleken dat verdachte kosten heeft gemaakt met betrekking tot het tenlastegelegde feit. Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel is € 10.000,-. 4.
  6. Bewijsmiddelen De rechtbank ontleent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat: 1De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 september
  7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2019256882 van 6 juli 2020, opgemaakt door [naam] (doorgenummerde pag. B063-B065). 5De verplichting tot betaling De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 10.000,-. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 10.000,-. Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 10.000,-(tienduizend euro) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter, mrs. S. Djebali, M.E. Grijsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.