RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751335-17 (EAB 1) RK nummer: 17/3143 Datum uitspraak: 23 januari 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 mei 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB I). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 februari 2017 door the District Court in Sieradz - II Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982 ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 oktober
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat te Eindhoven en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met terugwerkende kracht voor dertig dagen verlengd en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 2 november 2017 het onderzoek heropend en geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de Poolse autoriteit voor te leggen betreffende de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 9 januari
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N. Bakkenes. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een Judgement by the Local Court in Wieluń (Polen) van 14 februari 2013 uitgevaardigd in zaak II K 1/13, definitief op 21 februari
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 7 maanden en vervangende hechtenis (‘substitutive custodial sentence’) voor de duur van 90 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteert volgens het EAB nog respectievelijk 1 jaar, 2 maanden en 28 dagen en vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen. Uit de door de Poolse autoriteit bij brief van 22 oktober 2019 verstrekte aanvullende informatie en de daarbij overgelegde beslissing van 30 september 2014 van the District Court in Wieluń blijkt dat deze vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd omdat de opgeëiste persoon een geldboete niet heeft betaald. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 14 februari
- Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. 4Strafbaarheid 4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 tot en met 20 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: oplichting. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 21 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: valsheid in geschrift.
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, tweede lid, in samenhang met het vijfde lid, OLW Ter zitting is, zoals ook door de verdediging en de officier van justitie gesteld, genoegzaam gebleken dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander. De Immigratie en Naturalisatiedienst bericht bij schrijven van 9 januari 2020 dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat zij haar verblijfsrecht verliest. Gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht, concludeert de rechtbank dat aan Nederland rechtsmacht toekomt. De onder 4.1 genoemde feiten zijn eveneens naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: oplichting, meermalen gepleegd. Het feit dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander betekent dat artikel 6, tweede lid, OLW – dat bepaalt dat de overlevering ter tenuitvoerlegging van een aan een Nederlander bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf niet wordt toegestaan – van overeenkomstige toepassing is. De overlevering kan echter alleen worden geweigerd als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk deze straf in Nederland zal ondergaan. Dat is het geval. In dit kader verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in haar uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7754), in het bijzonder in overweging 6.3.11, heeft overwogen. Ter zitting heeft de officier van justitie gesteld dat dat niet het geval is. De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) is weliswaar gehouden om aan Polen te verzoeken om toezending van het vonnis en een WETS-certificaat waaruit instemming tot overname van de straf blijkt, maar daarmee is dat certificaat nog niet voorhanden. De officier van justitie heeft aanhouding gevorderd om de Poolse autoriteiten te vragen om toezending van het WETS-certificaat. Zoals de rechtbank in overweging 6.3.11 van de uitspraak van 17 oktober 2019 heeft overwogen is de rechtbank verplicht om artikel 6, derde lid, OLW in samenhang met de bepalingen van de WETS uit te leggen in de overweging 6.3.9 van die uitspraak bedoelde zin. In overweging 6.3.9 staat dat, in geval van een verzoek van de Minister aan Polen om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat, Polen ervan moet uitgaan dat Nederland zich heeft verbonden tot tenuitvoerlegging van de straf en op grond van artikel 4, vijfde lid, in combinatie met artikel 25 Kaderbesluit 2008/909/JBZ, verplicht is om aan dat verzoek gevolg te geven. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de Conclusie van A-G M. Campos Sánchez-Bordona van 27 november 2018, C-573/17, ECLI:EU:C:2018:957, (Popławski II), punten 90-
- De rechtbank ziet gelet daarop geen aanleiding voor aanhouding. De overlevering moet uitsluitend op grond van artikel 6, tweede lid, OLW geweigerd worden. 6Slotsom De overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, OLW. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 225 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Sieradz - II Penal Division (Polen). HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie. Aldus gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, mrs. E. de Rooij en R.J. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 januari
- De jongste en de oudste rechter zijn buiten staat te tekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.