← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:5025

RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing op het op 26 juni 2020 mondeling ingekomen en onder zaak- en rekestnummer C/13/686541 HA RK 20-196 ingeschreven verzoek van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, welk verzoek strekt tot wraking van mr. R.M. Troost, rechter tevens kinderrechter, hierna te noemen de rechter. 1Verloop van de procedure De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van: - het wrakingsverzoek van 26 juni 2020; - het proces-verbaal terechtzitting van de behandeling ter terechtzitting met gesloten deuren op 16 juni 2020; - de schriftelijke reactie van de rechter van 7 juli

  1. De rechter heeft laten weten dat zij niet berust in het wrakingsverzoek. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.
  2. Bij de rechtbank is een procedure aanhangig met zaaknummer C/13/683987 / FA RK 20-2862 die bij de rechter in behandeling is. Verzoekster heeft gevraagd een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de omgang met haar kinderen. Op 16 juni 2020 diende de zaak bij de rechter op zitting (per abuis is in het proces-verbaal 11 juni 2020 vermeld). Na de behandeling heeft de rechter de zaak pro forma drie maanden aangehouden voor overleg tussen partijen. 2.
  3. Verkort samengevat heeft verzoekster aangevoerd dat de rechter zich bij de mondelinge behandeling vooringenomen heeft getoond en verzoekster onheus heeft bejegend. Ook heeft de rechter bij de mondelinge behandeling de indruk gewekt dat zij haar oordeel al klaar had. 2.
  4. In het eerste lid van artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden daartoe aan de verzoeker bekend zijn geworden. 2.
  5. Naar het oordeel van de Wrakingskamer heeft verzoekster het wrakingsverzoek niet tijdig gedaan, omdat het verzoek is ingediend op 26 juni 2020 en betrekking heeft op de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni
  6. Niet is gebleken dat verzoekster haar wrakingsverzoek niet tijdens de mondelinge behandeling kon doen of kort daarna. Verzoekster heeft ook niet toegelicht waarom zij eerst op 26 juni 2020 het wrakingsverzoek heeft ingediend. Redenen op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn, zijn dan ook niet gebleken. 2.
  7. Verzoekster is daarom niet ontvankelijk in haar verzoek. 2.
  8. Nu het wrakingsverzoek aanstonds niet-ontvankelijk wordt verklaard is voor een mondelinge behandeling zoals bedoeld in artikel 39, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen aanleiding. 2.
  9. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. BESLISSING De Wrakingskamer:  verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot wraking. Aldus gegeven door mrs. A.W.J. Ros, voorzitter, M.V. Ulrici en K.A. Brunner, leden en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2020 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.