← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:504

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752117-18 RK nummer: 19/1818 Datum uitspraak: 23 januari 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2018 door the Circuit Court in Płock (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969, verblijvende op het adres: [adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is aan de orde geweest op de openbare zitting van 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire is verschenen maar is niet bepaaldelijk gevolmachtigd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de oproeping nietig is en heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en de hernieuwde oproeping van de opgeëiste persoon bevolen. De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-Van Overmeire, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft op 24 oktober 2019 bij tussenuitspraak het onderzoek heropend en geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen met betrekking tot de onvoorwaardelijkheid van de door de Poolse autoriteit verstrekte verzetgarantie. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 21 november 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is niet verschenen en zijn raadsvrouw is niet bepaaldelijk gevolmachtigd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet is opgeroepen en heeft het onderzoek op 21 november 2019 geschorst tot de zitting van 9 januari 2020, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de opgeëiste persoon alsnog op te roepen. De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 9 januari 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen, zijn raadsvrouw is niet bepaaldelijk gevolmachtigd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van: een vonnis gewezen op 4 oktober 2012 door the Circuit Court in Toruń II Criminal Division (referentienummer: II K 116/12), waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van 2 jaren. Bij beslissing van the District Court in Płock van 26 april 2017 is de tenuitvoerlegging van deze straf gelast. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 5 maanden en 18 dagen; een vonnis gewezen op 8 december 2016 door the District Court in Płock II Criminal Division (referentienummer: II K 241/16), waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 5 maanden. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van voornoemde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 De rechtbank stelt vast dat het EAB met betrekking tot het vonnis met referentienummer II K 241/16 strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (
  2. i)het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (
  3. ii)de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. Naar aanleiding van de tussenuitspraak op 24 oktober 2019 zijn door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) nadere vragen gesteld omtrent de bepaling waarop de verzetgarantie in de zaak met referentienummer II K 241/16 is gebaseerd en de tekst van die bepaling. In antwoord daarop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 16 december 2019 bericht dat de bewoording van article 540b paragraph 1 of the Code of Criminal Procedure luidt: “Court proceedings terminated by a final sentence may be resumed at the request of the accused, submitted within the limitation of a month from the day on which he became aware of the decision made against him, if the case was heard in the absence of the accused who was not notified about the date or hearing or served on it in a different way than in person, if he shows that he was unaware of the date and the possibility of issuing the decision in his absence.” Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW, nu deze geen onvoorwaardelijke verzetgarantie inhoudt. De in dit artikel bedoelde weigeringsgrond is dan ook van toepassing met betrekking tot dit vonnis. 5Strafbaarheid 5.1. Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 en 4 die ten grondslag liggen aan het vonnis met referentienummer II K 116/12, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 23, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen. Volgens de in rubriek
  4. e)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5.2. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 2 en 3 die ten grondslag liggen aan het vonnis met referentienummer II K 116/12 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. 6Slotsom Nu ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis met referentienummer II K 116/12 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 225 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Płock (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die is opgelegd wegens de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis met referentienummer II K 116/12. WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die is opgelegd wegens het feit dat ten grondslag ligt aan het vonnis met referentienummer II K 241/16. Aldus gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, mrs. E. de Rooij en R.J. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 januari 2020. De jongste en de oudste rechter zijn buiten staat te tekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.