RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751975-19 RK nummer: 19/6409 Datum uitspraak: 14 januari 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 september 2019 door the Provincial Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1967, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, volgens de schorsingsvoorwaarden wonende op het adres: [adres 1] (volgens de raadsvrouw verblijvende op het adres: [adres 2]). hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 januari
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Wel is verschenen de gemachtigd raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. D.G. Nagel, advocaat te Almere. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een combined judgement of the Provincial Court Lublin van 30 december 2015, met kenmerk: IV K 337/
- Uit onderdeel E. van het EAB volgt dat het verzamelvonnis betrekking heeft op drie onderliggende vonnissen (met de volgende kenmerken: IV K 372/12, IV K 218/10 en VII K 965/11). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaar, 9 maanden en 8 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel E. van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit het EAB volgt dat tegen het verzamelvonnis van 30 december 2015 (IV K 337/15) hoger beroep is ingesteld en dat the Appeal Court in Lublin bij uitspraak van 21 april 2016 (kenmerk: V Ka 91/16) upheld the appealed judgement. Uit de aanvullende brief van 27 november 2019 volgt dat de opgeëiste persoon niet bij de behandeling in hoger beroep aanwezig is geweest. De oproeping voor de zitting is niet persoonlijk aan de opgeëiste persoon betekend, maar was collected by an adult household member. In de aanvullende brief van 27 november 2019 staat voorts het volgende vermeld: In the appeal proceedings [opgeëiste persoon] was represented by a defending counsel, to whom he had personally given a mandate for defence. The defending counsel despite being appropriately notified about the appeal trial date, did not participate in it. Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is op het verzamelvonnis, waarbij in hoger beroep definitief de straf is opgelegd en waarbij the Appeal Court over een beoordelingsmarge heeft beschikt ten aanzien van die strafoplegging. Bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid is de opgeëiste persoon niet aanwezig geweest terwijl zich – kort gezegd – géén van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De overlevering dient daarom te worden geweigerd op basis van artikel 12 OLW. De rechtbank merkt hierbij op dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ door de Nederlandse wetgever in artikel 12 OLW bewust als dwingende weigeringsgrond is geïmplementeerd. 5Toepasselijke wetsbepaling Artikel 12 OLW. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Provincial Court in Lublin (Polen). STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd. Aldus gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. E.M.M. Gabel en M.E.M. James-Pater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 januari
- De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).