← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:5197

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 96-195716-20 Datum uitspraak 28 oktober 2020 op tegenspraak VONNIS van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] wonende te [adres] De kantonrechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 14 oktober

  1. 1Tenlastelegging zij, op of omstreeks 10 april 2020 in Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een algemeen voorschrift van politie, te weten de Noodverordening COVID-19 van 2 april 2020, welke krachtens de Gemeentewet in buitengewone omstandigheden is uitgevaardigd en afgekondigd door de voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, door zich te bevinden in/op een door voornoemde voorzitter aangewezen gebied of locatie, te weten (het water van) het Oosterdok; 2Voorvragen Bevoegdheid De kantonrechter heeft vastgesteld dat hij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie, waarschuwingsplicht? De vraag ligt voor of de politie eerst had moeten waarschuwen voordat een boete werd opgelegd. In het verlengde daarvan is de vraag of de officier van justitie bij gebreke van een waarschuwing tot vervolging mocht overgaan. Bij de beantwoording van die vraag zal mede worden betrokken hetgeen minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus in een debat in de Tweede Kamer op 2 september 2020 naar voren heeft gebracht. Hij heeft daar onder meer gezegd: Voorzitter. (…). Bij het opleggen van de boetes is het beleid altijd geweest: eerst aanspreken, dan waarschuwen en dan pas beboeten. Dat vindt u ook terug in de circulaire van het Openbaar Ministerie daarover. Daarom zit er ook een verschil in het aantal boetes dat de heer Klaver zojuist aanhaalde, van 23.000 en het getal dat ik bij het CJIB zie komen. Dat zijn er 17.
  2. Daar zit het eerste filter tussen van het Openbaar Ministerie van boetes waarvan het Openbaar Ministerie zegt: daar is die drieslag naar ons oordeel niet goed gevolgd. Dat kan altijd gebeuren. (…) Ik dacht dat mevrouw Van Kooten-Arissen zei: er wordt soms direct overgegaan tot handhaving. Daarbij verwees zij naar antwoorden op Kamervragen, maar in die antwoorden staat letterlijk: "In principe wordt in eerste instantie altijd eerst gewaarschuwd, hoewel dit afhankelijk is van de situatie ter plaatse. Bij minderjarigen is in de eerste periode langere tijd gewaarschuwd. Inmiddels is voor iedereen duidelijk wat de afstandsregels zijn, de nadruk ligt nu meer op handhavend optreden wanneer dit nodig is om een overtreding te beëindigen en om herhaling te voorkomen." Ik wil toch even benadrukken dat "handhavend optreden" niet boetes uitdelen is. Dat is mensen aanspreken, dan aanzeggen en dan beboeten. (…) Als echter door de burger bewust maatregelen niet worden opgevolgd of nageleefd, zeker nadat men daarop door de handhaver is aangesproken — dat is die driedeling waar ik het steeds over heb — moet verbaliserend worden opgetreden. Ik heb mij dat laten uitleggen door een hoofdofficier. De kantonrechter oordeelt als volgt. Uitgangspunt is artikel 167 Wetboek van Strafvordering. Daar staat – kort weergegeven – dat het Openbaar Ministerie (OM) een ruime discretionaire bevoegdheid heeft al dan niet tot vervolging over te gaan. De rechter kan een vervolgingsbeslissing slechts marginaal toetsen. Het OM is bij de vervolgingsbeslissing (behoudens gemotiveerde uitzonderingen) wel gebonden aan haar eigen richtlijnen, als die naar buiten toe bekend zijn gemaakt. Van dergelijke richtlijnen is hier echter geen sprake. Wel zijn er interne beleidsregels geweest, die zijn door de officier van justitie aan het dossier toegevoegd. In deze beleidsregels zoals deze golden in april 2020 is enkel opgenomen dat bij minderjarigen van 12-15 jaar eerst gewaarschuwd wordt. Van een algemeen waarschuwingsbeleid was geen sprake. In later beleid van 11 augustus 2020 – waar minister Grapperhaus in de Tweede Kamer naar heeft verwezen – staat: De handhaving op straat door politie en boa’s vraagt steeds om gezond verstand en het een beroep doen op de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Als echter door de burger bewust de maatregelen niet worden opgevolgd of nageleefd, zeker nadat men daarop door de handhaver is aangesproken, moet verbaliserend worden opgetreden. Ook is uit het dossier en ter terechtzitting gebleken dat er binnen de Amsterdamse “driehoek” (OM-burgemeester-politie) een handhavingskader bestond, wat er op neer kwam dat het weliswaar juridisch mogelijk was direct te verbaliseren, maar dat uitgangspunt was dat eerst gewaarschuwd werd, behalve als voor bepaalde plaatsen iets anders was afgesproken. Genoemd handhavingskader is overigens niet aan het dossier toegevoegd en ook niet anderszins bekend gemaakt. Er bestond dus enkel intern beleid, zodat daar reeds om die reden geen beroep op kan worden gedaan door een verdachte. Bovendien schrijft het beleid nergens dwingend voor dat pas na een waarschuwing beboet kan worden. Genoemd intern beleid is door minister Grapperhaus toegelicht in de Tweede Kamer. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het daarmee echter niet de status van extern beleid gekregen. De minister heeft het beleid toegelicht om de Tweede Kamer in te lichten over de werkwijze van de politie bij overtreding van de noodverordeningen. Nergens doet hij een toezegging waarmee voor iedere burger het vertrouwen wordt gewekt dat zonder waarschuwing geen boete zal worden opgelegd. Bovendien heeft de minister tijdens een debat in de Tweede Kamer op 8 oktober 2020 ook zelf benadrukt dat burgers aan het eerder door hem toegelichte beleidskader geen rechten kunnen ontlenen. Verdachte heeft overigens ook niet gesteld dat zij aan uitlatingen van de minister een dergelijk vertrouwen heeft ontleend. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in haar vordering. 3Waardering van het bewijs Verdachte erkent dat zij op 10 april 2020 heeft gevaren op de het water van het Oosterdok. Gelet hierop, alsmede gelet op het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , staat vast dat betrokkene heeft gevaren in een gebied waar een vaarverbod gold. Verdachte stelt wel te hebben geweten dat een vaarverbod gold maar was in de veronderstelling dat dit verbod niet gold voor het Oosterdok. De kantonrechter is van oordeel dat verdachte dit wel had kunnen en moeten weten nu de aankondiging van het vaarverbod op de op de door de burgemeester bepaalde wijze is bekend gemaakt, namelijk op de website van de gemeente. Aldaar had verdachte kunnen zien dat het verbod ook gold voor het Oosterdok. De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: zij, op of omstreeks 10 april 2020 in Amsterdam, heeft gehandeld in strijd met een algemeen voorschrift van politie, te weten de Noodverordening COVID-19 van 2 april 2020, welke krachtens de Gemeentewet in buitengewone omstandigheden is uitgevaardigd en afgekondigd door de voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, door zich te bevinden in/op een door voornoemde voorzitter aangewezen gebied of locatie, te weten (het water van) het Oosterdok; 4Het bewijs De kantonrechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat: - De verklaring van verdachte ter terechtzitting; - Het proces-verbaal van 9 juni 2020, geregistreerd onder bonnummer 100420201318114573, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde hoofdagent [verbalisant] . 5De strafbaarheid van het feit De kantonrechter moet (ambtshalve) beoordelen of de Noodverordening Covid-19 Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 2 april 2020 (verder: de noodverordening) verbindend is. Daarover bestaat discussie: enerzijds over de (on)mogelijkheid bij noodverordening af te wijken van de Grondwet, anderzijds is er verschil van mening over de houdbaarheidsdatum van (tijdelijke) noodverordeningen als basis voor de maatregelen. Een vaarverbod vormt geen beperking van een in de Grondwet verankerd grondrecht, maar kan wel worden gezien als een inbreuk op een verdragsrechtelijk grondrecht (recht op bewegingsvrijheid, art. 2 Protocol 4 EVRM, artikel 45 EU-Handvest), waarvan beperking is toegestaan via wet in materiële zin. Kortom, deze beperking is in overeenstemming met Europees recht vastgelegd in een materiële wet en dus toegestaan. Er moet wel zijn voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. Het gaat om een tijdelijke inbreuk – enkele gedurende het Paasweekeinde – tegenover een groot belang: de volksgezondheid. Met minder ingrijpende maatregelen kan het coronavirus niet worden ingedamd. Het bewezen geachte is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 95,- bij gebreke van betaling te vervangen door 1 dag hechtenis. De officier van justitie heeft daarbij aangesloten bij het op 13 oktober 2020 door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel 35.526 (Tijdelijke wet maatregelen covid-19), waarin het maximale boetebedrag voor overtredingen van die wet op € 95,- is gesteld. De kantonrechter houdt bij de strafoplegging rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze uit de stukken en ter zitting zijn gebleken, waaronder het gegeven dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit als het onderhavige is veroordeeld. De kantonrechter is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. 8Toepasselijke wettelijk voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 176 lid 1 Gemeentewet en artikel 2.5 eerste lid van de Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland 2 april
  3. De kantonrechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 9Beslissing Vernietigt de eerdere strafbeschikking. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder
  4. is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op de overtreding van: Een algemeen voorschrift van politie, krachtens de Gemeentewet (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/2020-01-01) in buitengewone omstandigheden door de burgemeester, de voorzitter van de veiligheidsregio of de commissaris van de Koning in de provincie uitgevaardigd en afgekondigd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 95,
  5. Beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van 1 dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt. Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken door voornoemde kantonrechter, ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2020

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.