RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 19/3671 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen de besloten vennootschap [eiseres] , te [plaats] , eiseres(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder(gemachtigden: mr. W.L.C. Rijk en mr. S.F. Somer). Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2019 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat eiseres binnen drie weken na dagtekening van de beslissing het onrechtmatige bezit van ongeveer duizend planten van de waterhyacint (Eichhornia crassipes) beëindigt en de planten vernietigt. Bij besluit van 7 maart 2019 (primair besluit II) heeft verweerder geweigerd om eiseres een ontheffing te verlenen voor het houden van deze plantensoort. Bij besluit van 1 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam] , mede-eigenaar, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.L.C. Rijk en mr. A. Fernandez. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. De rechtbank heeft in haar beslissing van 22 oktober 2019 het onderzoek heropend en verweerder verzocht een reactie te geven op een aantal in die beslissing opgenomen vragen. Verweerder heeft in zijn brief van 18 november 2019 de rechtbank nadere informatie verstrekt en daartoe stukken ingediend. Hierop heeft eiseres gereageerd in haar brieven van 27 januari 2020 en 24 augustus 2020. Eiseres heeft vervolgens geen toestemming gegeven om een (tweede) zitting achterwege te laten. Op 7 september 2020 heeft het nadere onderzoek ter zitting door middel van een videobeeldverbinding plaatsgevonden waarin de rechtbank deels in een andere samenstelling zat. Eiseres heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door de heer [naam] , mede-eigenaar, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.F. Somer. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiseres exploiteert een waterplantenkwekerij in Vinkeveen en Aalsmeer. Zij kweekt verschillende soorten waterplanten en levert deze aan groothandels. Zij kweekte en verhandelde ook waterhyacinten. De waterhyacint is een drijvende waterplant met bladstelen tussen de 6 en 30 cm lang, deze bladstelen zijn aan de basis opgezwollen. De bloemen lijken op die van hyacinten. 1.2. De waterhyacint is door de Europese Commissie (hierna: de Commissie) op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (hierna: de Unielijst) geplaatst. De Unielijst is de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (hierna: de Verordening) en is vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1141 van de Commissie van 13 juli 2016 (hierna: de Uitvoeringsverordening). Als gevolg van de plaatsing op de Unielijst gelden er verschillende beperkingen en mogen waterhyacinten onder meer niet langer worden gehouden, gekweekt of verhandeld. Verweerder kan in principe handhavend optreden als eiseres in strijd handelt met de voorschriften van de Verordening en de Unielijst. 1.3. Eiseres voert deze beroepsprocedure, omdat volgens haar de waterhyacint ten onrechte op de Unielijst is geplaatst. Daarom kan ook de besluitvorming van verweerder niet overeind blijven. Het beroep van eiseres berust op twee pijlers. Zij voert in de eerste plaats aan dat de Unielijst op onjuiste wijze tot stand is gekomen omdat de Commissie voorafgaand geen gedelegeerde handeling heeft vastgesteld. In de tweede plaats voert zij aan dat de risicobeoordeling die aan de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst ten grondslag is gelegd niet voldoet aan de eisen die de Verordening daaraan stelt. Eiseres heeft de rechtbank dan ook verzocht om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof). Beroep op onverbindendheid van de Unielijst 2.1. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een particulier zich in een procedure bij de nationale rechter niet op de ongeldigheid van een besluit van de Commissie kan beroepen, indien die particulier zonder enige twijfel bij het Gerecht nietigverklaring van dat besluit had kunnen vorderen. Een (rechtstreeks) beroep bij het Hof of het Gerecht is alleen mogelijk tegen handelingen die tot de particulier zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel raken, en tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.2.2. Eiseres kan niet worden aangemerkt als geadresseerde van de handeling van de Commissie. De Afdeling heeft geoordeeld dat de Uitvoeringsverordening een regelgevingshandeling is en dat in ieder geval om een ontheffing te kunnen verkrijgen voor het houden van op de Unielijst vermelde soorten op grond van artikel 8 van de Verordening nationale uitvoeringsmaatregelen nodig zijn. Daardoor staat niet vast dat eiseres zonder enige twijfel bij het Gerecht de nietigheid van de Unielijst had kunnen vorderen. Hieruit volgt dat eiseres zich bij de nationale rechter kan beroepen op de ongeldigheid van deze Uniehandeling. 2.3. Een nationale rechterlijke instantie is niet bevoegd om zelf de ongeldigheid van een handeling van een instelling van de Europese Unie vast te stellen. Indien de rechtbank twijfels heeft aan de geldigheid van het besluit van de Commissie om de waterhyacint op de Unielijst te plaatsen, moet zij die geldigheid door middel van een prejudiciële vraag ter beoordeling voorleggen aan het Hof. 2.4. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank in de volgende overwegingen beoordelen of zij twijfelt aan de geldigheid van de Unielijst en de plaatsing van de waterhyacint op die lijst. Beoordeling door de rechtbank Bestaat twijfel aan de geldigheid van de Unielijst? 3.1. Eiseres voert aan dat de Unielijst ongeldig is, omdat de Commissie verplicht was om voorafgaand aan het vaststellen van de Unielijst een gedelegeerde handeling vast te stellen. In deze gedelegeerde handeling had de Commissie de eisen aan de risicobeoordeling en aanvaardbaar bewijsmateriaal moeten uitwerken. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst eiseres onder meer naar de punten 11, 13 en 32 van de preambule van de Verordening, een resolutie van het Europees Parlement en rechtspraak van het Hof. 3.2. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. De gedelegeerde handeling waarop eiseres doelt, is gebaseerd op artikel 5, derde lid, van de Verordening. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 29 januari 2020 heeft geoordeeld, volgt uit de letterlijke tekst van dit artikel dat het vaststellen van de gedelegeerde handeling een bevoegdheid is, en geen verplichting. Volgens de Afdeling wordt dit bevestigd in punt 32 van de preambule. In de Franse, Duitse en Engelse taalversies van de Verordening wijzen de tekst noch de preambule in een andere richting. Wat betreft de resolutie overweegt de rechtbank, in lijn met de uitspraak van de Afdeling, dat de resolutie niet bindend is en dat daarom ook in deze zaak geen doorslaggevend gewicht aan deze resolutie wordt toegekend. Voor zover eiseres nog heeft verwezen naar het arrest Pfizer, volgt de rechtbank overweging 6.4. van de uitspraak van de Afdeling. De kern van deze overweging is dat uit dit arrest niet kan worden afgeleid dat het ontbreken van een gedelegeerde handeling ertoe leidt dat geen deskundig advies kon worden uitgebracht en dat de Unielijst daarom niet had mogen worden vastgesteld. 3.3. Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank geen twijfel aan de geldigheid van de Unielijst en ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Bestaat twijfel aan de geldigheid van de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst? 4.1. Partijen zijn het erover eens dat de Commissie zijn besluit om de waterhyacint op de Unielijst te plaatsen, heeft gebaseerd op de documenten ‘Pest Risk Analysis for Eichhornia crassipes’ met nummer 08-14407, de ‘Report of a Pest Risk Analysis’ met nummer 08-14408 (hierna samen: de risicoanalyses) en de ‘Eichhornia crassipes IAS Workshop’ (hierna: het Workshop document). 4.2. Verweerder is uitgegaan van de geldigheid van de Unielijst en ook van de deugdelijkheid van de onderliggende documenten. Het eerste document heeft eiseres overgelegd bij haar aanvullend beroepschrift. Het tweede en derde document heeft verweerder overgelegd als reactie op de vragen van de rechtbank in haar heropeningsbeslissing. 4.3. Het standpunt van eiseres luidt, sterk samengevat weergegeven, als volgt. De Commissie had geen gebruik mogen maken van de genoemde documenten. Eiseres voert daartoe aan dat de documenten, in elk geval voor een deel, gebaseerd zijn op niet-wetenschappelijk materiaal, terwijl de Verordening volgens haar een grondige wetenschappelijke beoordeling vereist. Eiseres wijst er daarnaast op dat de risicoanalyses niet specifiek zijn opgesteld voor de lidstaten van de Unie, maar voor de grotere EPPO-regio en de ultraperifere regio’s. De bevindingen die wel zien op de Unie, gaan alleen over het stroomgebied van de Guadianarivier in Spanje en Portugal. Dit is een sterk verontreinigd gebied, waarin de waterhyacint snel kan groeien. Bovendien is de biodiversiteit in dat gebied ernstig verstoord. Dit gebied is niet representatief voor de andere lidstaten. Er is dan ook niet onderzocht of de plant ook in de Unie een leefbare populatie kan vormen en zich kan verspreiden in normale omstandigheden. Er kunnen volgens eiseres daarom geen conclusies worden verbonden aan de situatie in de Guadianarivier voor de hele Unie. Eiseres voert verder aan dat de risicoanalyses zijn opgesteld om fytosanitaire (de gezondheid van planten betreffende) maatregelen te treffen, terwijl de beslissing om een soort op de Unielijst te plaatsen moet zijn gebaseerd op een risicobeoordeling over schade aan biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten. In de risicoanalyses zijn deze gevolgen volgens haar niet (voldoende) onderzocht. Wat is het toetsingskader? 5.1. Op grond van artikel 4, derde lid, van de Verordening worden invasieve uitheemse soorten uitsluitend opgenomen in de Unielijst als wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde criteria. De beroepsgronden van eiseres komen er uiteindelijk op neer dat volgens haar niet is voldaan aan de criteria in artikel 4, derde lid, onder b en c, van de Verordening. Deze criteria zijn: “b. uit het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal blijkt dat ze in staat zijn een leefbare populatie te vormen en zich onder de huidige omstandigheden en in voorzienbare omstandigheden als gevolg van klimaatverandering in de omgeving te verspreiden in één biogeografische regio die door meer dan twee lidstaten wordt gedeeld of in één mariene subregio, met uitsluiting van hun ultraperifere regio's; c. uit het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal blijkt dat ze waarschijnlijk aanzienlijke nadelige gevolgen zullen hebben voor de biodiversiteit of de aanverwante ecosysteemdiensten, en dat ze ook nadelige gevolgen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid of de economie.” 5.2. In het kader van de beoordeling of – gelet op deze criteria en de formulering daarvan in de Verordening – aanleiding bestaat te twijfelen aan de geldigheid van de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst, tekent de rechtbank aan dat het volgens de al genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020 en het daarin aangehaalde arrest Alpharma, aan de Commissie is om de (technische) feiten en de risico’s wetenschappelijk te beoordelen. De Commissie beschikt namelijk over een ruime (beoordelings)bevoegdheid. In verband hiermee geldt dan ook dat de rechterlijke toetsing van de vervulling van de taak door de Commissie beperkt is. De rechtbank moet zich beperken tot de vraag of er bij de uitoefening door de Commissie van haar beoordelingsbevoegdheid geen sprake is geweest van een kennelijke dwaling, misbruik van bevoegdheid of klaarblijkelijke overschrijding door de Commissie van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid. Deze maatstaf zal de rechtbank ook in dit geschil toepassen. Aan deze maatstaf doet niet af. dat de rechtbank de relevante gegevens van het geval steeds zorgvuldig en onpartijdig dient te onderzoeken en toereikend dient te motiveren. Daarbij is van belang om te controleren of het relevante feitenkader de daaruit getrokken conclusies kan dragen. Is de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst voldoende onderbouwd? 6.1. Allereerst, de rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog over het gebrekkige wetenschappelijke gehalte van het bewijsmateriaal in de documenten. De rechtbank is van oordeel dat de risicoanalyses en het Workshop document als ‘beschikbaar wetenschappelijk bewijsmateriaal’ kunnen worden aangemerkt, waaruit op zichzelf ook conclusies kunnen worden getrokken wat betreft de vorming, verspreiding en gevolgen van de waterhyacint. Voor dit oordeel is mede van belang dat in de risicoanalyses verifieerbare bronnen worden vermeld en dat deze bronnen onder meer publicaties in wetenschappelijke tijdschriften zijn. De Verordening vereist bovendien niet dat alleen recente publicaties als onderbouwing kunnen dienen, maar stelt als voorwaarden dat het bewijsmateriaal beschikbaar en wetenschappelijk is. De rechtbank acht verder vooral van belang dat het zogenoemde Wetenschappelijk Forum, dat bestaat uit wetenschappers die zijn benoemd door de lidstaten, op grond van artikelen 27 en 28 van de Verordening, betrokken is geweest bij de plaatsing van de soorten op de Unielijst en daar kennelijk geen bezwaren tegen heeft gehad vanuit wetenschappelijk oogpunt. Niet alle stukken van het Wetenschappelijk Forum zijn openbaar, maar de vergaderstukken wel en daaruit blijkt bijvoorbeeld dat het Wetenschappelijk Forum concludeert dat de documenten voldoen aan de (minimum) vereisten van de Verordening.Dat het Wetenschappelijk Forum de documenten als bewijsmateriaal heeft beschouwd, leidt de rechtbank ook af uit het feit dat de drie documenten (de risicoanalyses en het Workshop document) zijn te vinden in de online bibliotheek van de Commissie.Daarmee worden naar het oordeel van de rechtbank de bezwaren van eiseres al ondervangen. De rechtbank heeft daarom ook op dit punt geen twijfel aan de geldigheid van de plaatsing van de waterhyacint op de Unielijst. Een leefbare populatie en verspreiding in de Unie 6.2. Over de vraag of de Commissie de waterhyacint in redelijkheid in staat heeft kunnen achten om een leefbare populatie te vormen en zich te verspreiden in de Unie, overweegt de rechtbank het volgende. In de risicoanalyses is vermeld dat de plant zich heeft gevestigd (een leefbare populatie heeft gevormd) in Spanje, Portugal en Italië, maar ook (tijdelijk) voorkomt in andere landen, zoals Nederland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië en Slovenië. Gelet op punt 15 van de preambule, is preventie over het algemeen wenselijker en kosteneffectiever dan een reactie na de feiten. Daarom moet voorrang worden gegeven aan het in de lijst opnemen van invasieve uitheemse soorten die nog niet in de Unie aanwezig zijn of van invasieve uitheemse soorten die in een vroeg stadium van invasie zijn, en van invasieve uitheemse soorten waarvan kan worden aangenomen dat zij de meest wezenlijke nadelige gevolgen zullen hebben. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit punt 10 van de preambule niet het vereiste volgt dat de soort zich heeft gevestigd of kan vestigen in de hele Unie. Eén van de mogelijkheden in artikel 4, derde lid, sub b, van de Verordening is dan ook dat het kan gaan om één biogeografische regio die wordt gedeeld door meer dan twee lidstaten. Anders dan eiseres stelt, wordt in de risicoanalyses niet alleen vermeld dat de soort slechts is gevestigd (en zich verspreidt) in de Guadianarivier van de lidstaten Portugal en Spanje. De waterhyacint is in elk geval ook in Italië gevestigd en komt in een groot aantal andere lidstaten (tijdelijk) voor. 6.3. Dat in de risicoanalyses daarnaast conclusies zijn opgenomen voor andere (EPPO) landen buiten de Unie, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de conclusies over de lidstaten niet bruikbaar zijn. De zoetwaterlichamen en ecosystemen in landen van het Mediterrane gebied lopen het grootste risico, mede omdat de waterhyacint het best groeit in een warm(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.