RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/994050-19 (Promis) Datum uitspraak: 29 januari 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische (straf)kamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat Primair: [naam BV] in de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016 te Schalkwijk, gemeente [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op het bedrijf met BRS-nummer [nummer] al dan niet opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2015 een groter aantal leghennen, te weten 34.933 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden en/of gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 33.357 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden zulks terwijl hij, verdachte, als bedrijfsleider toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven; Subsidiair: hij in de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016 te Schalkwijk, gemeente [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op het bedrijf met BRS-nummer [nummer] al dan niet opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2015 een groter aantal leghennen, te weten 34.933 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden, en/of gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 33.357 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden. [naam BV] heeft in 2015 en 2016 in [plaatsnaam] meer leghennen gehouden dan waar het bedrijf recht op heeft op basis van het aantal aanwezige pluimvee-eenheden. Uit de verklaring van verdachte en het overige bewijs in het dossier volgt dat verdachte verantwoordelijk was voor de verzorging van de dieren en voor de administratie van de dieren. Hieruit blijkt dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ter terechtzitting is geen standpunt ingenomen, omdat verdachte niet aanwezig was. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat [naam BV] in 2015 en 2016 in [plaatsnaam] meer leghennen heeft gehouden dan waar het bedrijf recht op heeft op basis van het aantal aanwezige pluimvee-eenheden. Het bedrijf beschikte immers over geen enkel pluimveerecht en heeft wel leghennen gehouden. Strafbaarheid van de rechtspersoon De verboden gedraging – het houden van leghennen zonder de benodigde pluimvee-eenheden – moet worden toegerekend aan de rechtspersoon, nu dit gebeurde in de sfeer van de rechtspersoon en deze gedragingen bij uitstek pasten in de normale bedrijfsvoering. [naam BV] is immers een bedrijf waarop (onder meer) pluimvee wordt gehouden, waarbij het kopen/leasen van pluimveerechten bij de bedrijfsvoering hoort. Het bewust houden van de vastgestelde aantallen leghennen is voldoende om opzettelijk handelen bewezen te kunnen achten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat de verboden handelingen opzettelijk door [naam BV] zijn gepleegd. Verdachte als feitelijk leidinggever Aan deze verboden gedragingen heeft verdachte leiding gegeven. Hoewel [naam BV] op 26 maart 2015 is overgedragen aan [naam B.V. 2] , volgt uit de verklaring van de eigenaar van [naam B.V. 2] ( [naam] ) dat verdachte verantwoordelijk bleef voor de gehele bedrijfsvoering. Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de verzorging van de dieren en voor de administratie van de dieren en wist hij dat [naam BV] in 2015 is overgedragen aan de nieuwe eigenaar zonder pluimveerechten. Het primair ten laste gelegde feit wordt dus bewezen verklaard. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Primair: [naam BV] in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 te Schalkwijk, gemeente [plaatsnaam] , op het bedrijf met BRS-nummer [nummer] opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2015 een groter aantal leghennen, te weten 34.933 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden en gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 33.357 uitgedrukt in pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 0 pluimvee-eenheden zulks terwijl hij, verdachte, als bedrijfsleider toen en daar telkens aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 160 dagen. 7.2 Het standpunt van de verdediging Ter terechtzitting is geen standpunt ingenomen, omdat verdachte niet aanwezig was. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft als feitelijk leidinggever van de onderneming [naam BV] gedurende twee jaar een grote hoeveelheid pluimvee gehouden, terwijl het bedrijf geen enkel pluimveerecht bezat. Hiermee heeft verdachte afbreuk gedaan aan het stelsel van de Meststoffenwet, die tot doel heeft het terugdringen van het mestoverschot en de bescherming van de bodem en het milieu. Het handelen van verdachte heeft ook geleid tot concurrentievervalsing, omdat de onderneming kosten heeft bespaard waar andere bedrijven wel kosten hebben gemaakt om aan de vereisten van de Meststoffenwet te voldoen. Het is aannemelijk dat verdachte voor persoonlijk gewin het strafbare feit door de onderneming liet plegen. Door de rechtbank is ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 18 december
- Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de hoogte van de overschrijding van het aantal pluimvee-eenheden en de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze heeft laten zien dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt voor de door hem begane fouten. Zo heeft hij de pluimveerechten afzonderlijk aan een derde partij verkocht voor het moment van overdracht van de gehele onderneming en is het aannemelijk dat hij dit – en de noodzaak om dergelijke rechten te moeten hebben – tegenover de nieuwe eigenaar van de onderneming heeft verzwegen. Alles overziend wordt aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Het voorwaardelijke deel van de straf strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst weer aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 20 van de Meststoffenwet. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. 9Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Primair: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan die gedraging, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, voorzitter, mrs. B. Vogel en A.C.J. Klaver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2020.