← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:5432

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Proces-verbaalnummer: 2020143499 RK: 20/3442 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, Ceintuurbaan 67, 1072 EV te Amsterdam, klager, tevens beslagene. 1Procesgang Het klaagschrift is op 17 juli 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op 13 oktober 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 16 oktober 2020 de raadsman van klager, mr. T. den Haan, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 2.030,- (goednummer: 5941606). In het klaagschrift is opgenomen dat er geen valide argumenten zijn voor de stelling dat het geldbedrag gekoppeld dient te worden aan enig crimineel handelen. Klager heeft het geldbedrag verkregen door de verkoop van zijn scooter. De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Weliswaar is er een verdenking dat klager op 9 juli 2020 heeft gehandeld in verdovende middelen, maar niet is gebleken dat klager ook gedurende een langere periode heeft gehandeld in verdovende middelen. Hooguit kan het bedrag dat de koper op 9 juli 2020 aan klager heeft betaald worden verbeurd verklaard. Het overige deel moet worden teruggegeven aan klager. 3Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Bij klager zijn 29 MDMA pillen, 10,2 gram MDMA en 16,73 gram cocaïne aangetroffen. Daarnaast had hij 3 telefoons en € 2.030,- contant geld bij zich. Gelet hierop gaat het Openbaar Ministerie uit van een verdenking van handel in verdovende middelen. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave van het geldbedrag omdat het Openbaar Ministerie primair zal vorderen dat het geldbedrag zal worden verbeurd verklaard, subsidiair alsnog conservatoir beslag zal worden gelegd. 4Beoordeling Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 9 juli 2020 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemd voorwerp in beslag genomen. Klager wordt – kort gezegd – verdacht van handel in verdovende middelen ex. artikel 2 jo. 10 van de Opiumwet. De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv. In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor verbeurdverklaring en mogelijk nog zal dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal opleggen. Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp zal verbeurd verklaren. Immers, verbalisanten schrijven dat zij hebben waargenomen dat klager verdovende middelen aan, ten minste, één koper heeft verkocht. Daarnaast heeft klager niet met stukken onderbouwd dat het in beslag genomen geld is verkregen door de verkoop van zijn scooter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard. 5Beslissing De rechtbank komt tot de volgende beslissing. De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. L. Dolfing, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien

(14)dagen na betekening van deze beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.