beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 96/173990-16 RK: 20/3168 Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [naam verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. K. Cantanan, Herengracht 478, 1017 CB te Amsterdam . verzoeker. 1Procesgang Het verzoekschrift is op 2 juli 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 20 juli 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 16 oktober 2020 de raadsman van verzoeker en de officier van justitie, M.A. van der Vlugt, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 657,03 voor de kosten van de raadsman en € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. In raadkamer heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Niet kan worden gesteld dat verzoeker de verdenking en het maken van kosten zodanig over zichzelf heeft afgeroepen dat hij deze zelf moet dragen. Verzoeker is het oneens met de handelswijze van de verbalisant. Nu de zaak niet op zitting is gekomen heeft de verdediging niet het verweer kunnen voeren dat uit artikel 160 lid 7 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) volgt dat men enkel verplicht is ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevel op te volgen en dit dus niet geldt ten aanzien van ieder willekeurig bevel. Daarnaast doet zich mogelijk een situatie als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (“ne bis in idem”) voor, omdat klager ook een boete heeft gekregen voor het niet tonen van een geldig identiteitsbewijs. Gelet hierop had verzoeker goede redenen om een advocaat in te schakelen. De gevraagde vergoeding voor de kosten van de raadsman is niet excessief. De aangehaalde jurisprudentie in het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie zijn niet relevant voor de beoordeling van dit verzoekschrift, omdat het niet om vergelijkbare situaties gaat. Indien de het verzoekschrift niet wordt toegewezen, heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden teneinde alsnog het proces-verbaal, waarop het Openbaar Ministerie zich baseert, te ontvangen. De raadsman heeft dit proces-verbaal ondanks eerdere verzoeken niet ontvangen. 3Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het toekennen van de kosten van de raadsman en de kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er zijn geen gronden van billijkheid aanwezig om de gevraagde vergoeding aan verzoeker toe te kennen nu de zaak is geseponeerd wegens verjaring. Er is uitgebreid geverbaliseerd dat verzoeker het gegeven bevel niet heeft opgevolgd. Verzoeker heeft aan zichzelf te wijten dat de verdenking op hem is gevallen en hij heeft zichzelf in een situatie gebracht die ertoe zou kunnen leiden – en er ook toe heeft geleid – dat hij kosten heeft moeten maken en schade zou lijden. De exceptie in artikel 160 lid 7 WVW is hier niet aan de orde. Daarnaast blijkt uit de urenspecificatie van de raadsman niet dat de werkzaamheden zijn verricht omdat de zaak zo lang heeft voortgeduurd. 4Beoordeling Verzoeker is op 19 maart 2020 aangehouden op verdenking van het niet opvolgen van gegeven bevelen ex artikel 160 lid 7 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.