RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751429-20 RK nummer: 20/3041 Datum uitspraak: 4 november 2020 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 mei 2020 door de Procureur van de Republiek te Nanterre (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Chili) op [geboortedag] 1993 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 27 augustus 2020 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 augustus 2020. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 3 september 2020 De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid om te stellen om de in de tussenuitspraak onder 5 genoemde vragen te stellen aan de Franse autoriteit met betrekking tot de penitentiaire instellingen in Bordeaux-Gradignan en Fresnes. In deze tussenuitspraak is onder 3 en 4 al een beslissing genomen over de grondslag en inhoud van het EAB en over de strafbaarheid. De rechtbank verwijst naar de overwegingen over deze onderwerpen, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Zitting 22 september 2020 De behandeling van de vordering is met toestemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond ten tijde van de schorsing op 3 september 2020. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Spaanse taal. Op 19 oktober 2020 is bij de rechtbank binnengekomen een e-mailwisseling met aanvullende informatie van de Franse autoriteit. Zitting 21 oktober 2020 De behandeling van de vordering is met toestemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat in de stand van het onderzoek van de zitting van 22 september 2020. Het verhoor van de opgeëiste persoon heeft via telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Spaanse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22 OLW uitspraak moet doen met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft via telehoren verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Chileense nationaliteit heeft. 3Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘hetHandvest’) 3.1. Standpunt raadsman De raadsman heeft naar aanleiding van de aanvullende informatie van de Franse autoriteit aangevoerd dat het voor de opgeëiste persoon gunstiger is naar Frankrijk te worden overgeleverd. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het punt of de aanvullende vragen afdoende zijn beantwoord. 3.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan aangezien uit de aanvullend verstrekte informatie van de Franse autoriteit kan worden afgeleid dat zowel in de detentie-instelling van Bordeaux-Gradignan als in die van Fresnes geen algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 Handvest. Voor het geval de rechtbank de verstrekte informatie onvoldoende acht, verzoekt de officier van justitie subsidiair de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen. 3.3. Oordeel van de rechtbank Op 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198), hierna het arrest Aranyosi en Căldăraru geoordeeld over de wijze waarop getoetst moet worden of detentieomstandigheden in het land van de uitvaardigende lidstaat leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. De rechtbank dient eerst te onderzoeken of zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentie-omstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren. Indien wordt geconcludeerd dat dit reële gevaar in zijn algemeenheid bestaat, komt de tweede toets aan de orde. Deze tweede toets houdt in dat op de rechtbank de verplichting rust om te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat. Detentie-instelling Bordeaux-Gradignan De rechtbank heeft ten aanzien van de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan in de tussenuitspraak van 31 januari 2019 in een andere zaak (ECLI:NL:RBAMS:2019:655), geoordeeld dat op dat moment geen reëel gevaar bestond dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar dat - gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing - nadere gegevens van de Franse uitvaardigende autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden. De Franse autoriteit heeft in eerste instantie de hiervoor bedoelde nadere gegevens niet verstrekt maar is vanaf voormelde tussenuitspraak van 31 januari 2019 overgegaan tot het verstrekken van de garantie dat een opgeëiste persoon die naar Frankrijk wordt overgeleverd niet in de detentie- instelling van Bordeaux-Gradignan wordt geplaatst. Op 17 juli 2020 heeft de Franse autoriteit nadere gegevens verschaft over de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan. Hierin wordt over deze penitentiaire inrichting onder meer het volgende meegedeeld: “As of May 29, 2020, the Gradignan-Bordeaux prison institution greeted 507 prisoners (men, women, minors) within the quartier mandat d'arrêt. Not including the confinement section (CS) and disciplinary quarter (DQ). Eighteen cells have a surface of 8 to 9 m2 and 325 cells a surface of 9 to 10 m2. Ninety eight percent of the penal population benefit from a space greater than 3 m2, all cells having a surface greater than 8 m2. Apart from two specific cells, all the cells have only two beds and no cell has more than two inmates. In addition, 26 % of the prison population benefits from an individual confinement.” Na het verstrekken van deze informatie is de Franse autoriteit gestopt met het verstrekken van de hiervoor genoemde garantie dat een opgeëiste persoon na zijn overlevering niet in de detentie-instelling van Bordeaux-Gradignan wordt geplaatst. Op basis van de op 17 juli 2020 verstrekte informatie zag de rechtbank in de tussenuitspraak in deze zaak van 3 september 2020 aanleiding om nog enkele nadere vragen te stellen, waarbij de rechtbank uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten of er naar haar oordeel een reëel gevaar bestaat dat personen die in de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. In de tussenuitspraak van 3 september 2020 is bepaald dat de volgende vragen aan de Franse autoriteit dienen te worden voorgelegd: 1. Over hoeveel m² personal space beschikken de 2% gedetineerden die niet over meer dan 3 m² personal space beschikken? Indien het om gedetineerden in een meerpersoonscel gaat, is het aantal m² personal space dan inclusief of exclusief het sanitair? 2. Over hoeveel m² personal space beschikken de overige 98% gedetineerden in respectievelijk een éénpersoonscel dan wel een tweepersoonscel en - ten aanzien van de tweepersoonscellen - is dit inclusief of exclusief het sanitair? Op 16 oktober 2020 is in een andere zaak de volgende informatie verschaft over de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan. 1. The additional checks carried out established that it is not 98% of detained persons, but 100% who benefit from more than 3 square meters of personal space. As specified in our previous transmission of July 17, 2020, the cells have a minimal size of 8 square meters, and for the most part between 9 and 10 square meters. lf the sanitary facilities (approximately 1 square meter) are not taken into account, the persons have a personal space of 3.5 to 4.5 square meters. 2. 2. Not applicable, given the above details. Op 19 oktober 2020 is ten aanzien van de hiervoor genoemde informatie van 16 oktober 2020 door de Franse autoriteiten bevestigd dat deze in alle aanhangige Franse overleveringszaken geldt: Yes, this answer is indeed applicable to all pending French cases. I already talked about it with the French ministry of justice. De rechtbank is op grond van bovenstaande informatie van oordeel dat ten aanzien van Bordeaux-Gradignan geen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in deze detentie-instelling zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de hiervoor genoemde tweede toets zoals bepaald in het arrest Aranyosi en Căldăraru. Detentie-instelling Fresnes In de tussenuitspraak in een andere zaak van 21 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1102) heeft de rechtbank ten aanzien van de detentie-instelling van Fresnes vastgesteld dat vanwege de door het EHRM in de uitspraak van 30 januari 2020 (ECLI:CE:ECHR:2020:-0130JUD000967115) geconstateerde gebreken en overbevolking een reëel gevaar bestaat dat detentie in Fresnes in strijd komt met artikel 4 van het Handvest. In dezelfde tussenuitspraak van 21 februari 2020 is besloten om aan de Franse uitvaardigende autoriteit te vragen of de opgeëiste persoon in de detentie-instelling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.