RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/846008-17 (Promis) Datum uitspraak: 20 november 2020 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2020. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kubicz en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zich schuldig heeft gemaakt aan: 1. primair: het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik (art. 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit (Vwb)); subsidiair: het als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis voorhanden hebben van professioneel vuurwerk (art. 1.2.2 lid 3 Vwb); 2. primair: het voorhanden hebben en aan een ander ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik (art. 1.2.2 lid 1 Vwb); subsidiair: het aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk, of in elk geval het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk (art. 1.2.2. lid 2/lid 3 Vwb); 3. gewoontewitwassen; 4. het voorhanden hebben van een busje pepperspray. De tenlastelegging is op de zittingen van 4 september 2019 en 6 november 2020 gewijzigd. De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging – voor zover nu nog aan de orde – is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis 3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (feit 3) Op de zitting van 6 november 2020 heeft de rechtbank naar aanleiding van een preliminair verweer van de verdediging het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 3 (verdenking van gewoontewitwassen) niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft toen als volgt overwogen. Op de zitting van 4 september 2019 is de behandeling van de zaak aangehouden om de verdediging in de gelegenheid te stellen in verband met de verdenking onder 3 een schriftelijke verklaring te verstrekken over de inkomsten en uitgaven van verdachte en om het Openbaar Ministerie vervolgens in staat te stellen onderzoek te doen naar die verklaring. Verdachte is kort na die zitting met een financieel overzicht gekomen, met daarbij een toelichting. De officier van justitie heeft op 15 oktober 2019 laten weten dat de door verdachte ingediende stukken haar geen aanleiding gaven tot het verrichten van nader onderzoek. Vervolgens heeft de rechtbank geen nadere stukken meer ontvangen, behalve een proces-verbaal met betrekking tot [persoon 1] , een op de zitting van 4 september 2019 gehoorde getuige. In de week voorafgaand aan de zitting is gebleken dat door (of namens) het Openbaar Ministerie wel degelijk onderzoek is gedaan naar de financiën van verdachte en dat er getuigen zijn gehoord over transacties die deel uitmaken van de witwasverdenking en waarover verdachte in zijn schriftelijke standpunt heeft verklaard. De verdediging heeft in de week voor de zitting de officier van justitie om opheldering gevraagd en de officier van justitie verzocht om deze stukken alsnog in het dossier te voegen. De officier van justitie heeft hierop geantwoord dat inderdaad onderzoek naar (onderdelen van) de financiën van verdachte is en/of wordt verricht, maar dat dit onderzoek plaatsvindt in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) in verband met een nog in te dienen ontnemingsvordering. Het onderzoek staat los van de strafzaak, aldus de officier van justitie, en de stukken worden dus ook niet gevoegd in de strafzaak. Op zitting is hierover verder gesproken, naar aanleiding van het niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsman en het subsidiaire verzoek om aanhouding. De officier van justitie heeft haar eerdere standpunt herhaald en toegelicht dat zij geen aanleiding heeft gezien alsnog de stukken die in het kader van het SFO zijn opgemaakt te voegen of in elk geval op te vragen. Zij heeft alleen geprobeerd een overzicht van het onderzoek te krijgen, maar is hierin niet geslaagd. Dat is wat de rechtbank betreft volstrekt onvoldoende. De rechtbank vindt het standpunt van de officier van justitie, dat dit onderzoek (het SFO) niet relevant is of kan zijn voor de aan de orde zijnde witwasverdenking jegens verdachte, onbegrijpelijk. Het gaat immers om onderzoek naar de financiële positie van verdachte (o.a. blijkt een getuige te zijn gehoord over de verkoop door verdachte van een quad, waarvoor verdachte zegt een behoorlijke som geld te hebben verkregen). Ook vindt de rechtbank het onbegrijpelijk dat de officier van justitie op 15 oktober 2019 aan de rechtbank en de verdediging heeft laten weten geen aanleiding te zien tot het doen van nader onderzoek of het voegen van nadere stukken, en hierop tot op de zitting van 6 november 2020 niet meer is teruggekomen, terwijl is gebleken dat wel degelijk onderzoek naar de financiële positie van verdachte is verricht. Zelfs het concrete verzoek van de verdediging in de week voorafgaand aan de zitting heeft hierin geen verandering gebracht. Door aldus te handelen, de stukken niet te voegen, geen informatie hierover te verstrekken en op geen enkele manier te onderkennen dat stukken uit een SFO van belang kunnen zijn voor een witwasverdenking, heeft de officier van justitie niet alleen de verdediging maar ook de rechtbank buiten spel gezet. Het niet voegen van de stukken betreft een omissie die op zichzelf beschouwd herstelbaar zou kunnen zijn, in die zin dat de zaak zou kunnen worden aangehouden om de (mogelijk) relevante stukken alsnog aan het dossier toe te laten voegen. De rechtbank vindt echter dat het gelet op de hele gang van zaken onaanvaardbaar is om de zaak op dit punt opnieuw aan te houden. Daarbij betrekt de rechtbank in het bijzonder het volgende: het tijdsverloop sinds de vorige zitting de omstandigheid dat de zaak op de vorige zitting juist is aangehouden om ook het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de verklaring van verdachte omtrent zijn financiële positie het feit dat de officier van justitie al op 15 oktober 2019 heeft laten weten dergelijk nadere onderzoek niet nodig te vinden en hierop tot op heden niet is teruggekomen het feit dat de officier van justitie zelf niet onderkent dat stukken uit het SFO in dit geval van belang kunnen zijn voor de strafzaak en tenslotte het feit dat de officier van justitie zelf op geen enkel moment heeft verzocht om aanhouding om nader onderzoek te kunnen doen of stukken alsnog te kunnen voegen, maar integendeel heeft betoogd dat het op de weg van de verdediging had gelegen om te verzoeken om het horen van getuigen. De rechtbank heeft de officier van justitie om die reden niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van feit 3, de witwasverdenking. 4Waardering van het bewijs 4.1. Feiten 1 en 2 (vuurwerk) Onderlinge verhouding artikel 1.2.2, eerste, tweede en derde lid, Vwb Op de zitting van 6 november 2020 heeft de rechtbank een vordering van de officier van justitie toegewezen, die inhoudt dat de tenlastelegging gewijzigd moet worden door aan de feiten 1 en 2 subsidiaire feiten toe te voegen. De achtergrond van deze vordering is dat sinds een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 oktober 2019 in de feitenrechtspraak meermalen is geoordeeld dat het derde lid van artikel 1.2.2 Vwb als een systematische specialis moet worden beschouwd van het eerste lid. De officier van justitie stelt dat geen sprake is van een systematische specialis en verwijst daarbij naar een arrest van het gerechtshof Den Bosch van 7 oktober 2020. De officier van justitie stelt dat verdachte voor de primair tenlastegelegde feiten kan worden veroordeeld. De raadsman heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot de bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten 1 en 2. De rechtbank heeft zich naar aanleiding van de ontwikkelingen in de rechtspraak de vraag gesteld hoe de eerste drie leden van artikel 1.2.2 Vwb zich tot elkaar verhouden en komt tot de volgende conclusies. Tekst van het besluit en wetsgeschiedenis De eerste drie leden van artikel 1.2.2 Vwb luiden sinds 4 juli 2010 als volgt: “1 Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen. 2 Het is verboden aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ter beschikking te stellen. 3 Het is verboden als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te brengen.” In de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Vwb van 4 juli 2010 zijn onder meer de volgende passages opgenomen over artikel 1.2.2: “Het verbodsartikel voorziet erin handhavend te kunnen optreden tegen degenen die professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in strijd met het besluit hebben bestemd voor gebruik door particulieren. Aangezien aan het gebruik van deze artikelen meer gevaren kleven dan aan het gebruik van consumentenvuurwerk behoren dergelijke artikelen om veiligheidsredenen niet in handen van particulieren te komen. Om hieraan daadwerkelijk de hand te kunnen houden is in artikel 1.2.2., eerste lid, het verbod om professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik te bestemmen voor particulier gebruik, gericht tot de hele vuurwerkketen, zijnde de fabrikant, de importeur en distributeur. Alleen door de handhaving te richten op de hele keten kan het bovengenoemde doel bereikt worden. Zouden fabrikanten en importeurs hiervan gevrijwaard zijn, dan is de kans zeer groot dat dit gevaarlijke vuurwerk particulieren zal bereiken. Dit is uitermate onwenselijk.” En “De drie leden van het artikel volgen in grote lijnen de gehele keten. Het eerste lid richt zich op de fabrikant, importeur en distributeur. Het heeft op de detailhandelaar betrekking ten aanzien van het voorhanden hebben. Het tweede lid richt zich op de transactie tussen de detailhandelaar en de particulier. Het derde lid betreft de particulier zelf. (…) Er zijn kleine verschillen in formulering tussen de leden van artikel 1.2.2. In het eerste lid is de term «toepassen» niet opgenomen, omdat de toepassing in de daar bedoelde schakels van de keten niet speelt.” Conclusie: de verschillende leden bevatten kwaliteitsdelicten Uit de toelichting volgt dat de eerste drie leden van artikel 1.2.2 Vwb gezamenlijk zich richten tot de gehele keten van het professionele vuurwerk, met als doel te voorkomen dat professioneel vuurwerk in handen komt van niet-professionals. Elk van de leden richt zich tot een eigen doelgroep en stelt gedragingen strafbaar die voor die doelgroep relevant zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de fabrikant, de importeur en de distributeur de normadressaat zijn van de verboden van lid 1. Voor wat betreft het voorhanden hebben geldt dat ook de detailhandelaar een normadressaat is. De detailhandelaar is daarnaast de normadressaat van het verbod van lid 2. De particulieren (de personen zonder gespecialiseerde kennis) zijn de normadressaten van de verboden van het derde lid. Dit betekent dat de leden 1 en 2 impliciete kwaliteitsdelicten zijn. Het derde lid is een expliciet kwaliteitsdelict, nu de kwaliteit ‘als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis’ in de strafbepaling is opgenomen. Wat betekent dit voor de bewezenverklaring? Om tot een bewezenverklaring van een kwaliteitsdelict te komen is vereist dat de aanwezigheid van de relevante hoedanigheid bewezen kan worden. Voor de begrippen ‘fabrikant’, ‘importeur’ en ‘distributeur’ dient aansluiting gezocht te worden bij de definities uit artikel 1.1.1 Vwb. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat fabrikanten, importeurs en distributeurs professionals zijn. Het gaat om (rechts)personen die op zichzelf genomen gedragingen mogen verrichten met betrekking tot professioneel vuurwerk, maar niet wanneer dit vuurwerk bestemd is voor particulier gebruik. Het begrip ‘detailhandelaar’ is niet gedefinieerd in het Vwb. Dit maakt de inhoud van dit begrip naar normaal spraakgebruik moet worden uitgelegd. In de eerste plaats is een detailhandelaar een professionele verkoper van professioneel vuurwerk. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook een niet-professional als detailhandelaar optreden, maar impliceert het begrip detailhandelaar wel dat sprake is van gedragingen die gericht zijn op structureel en/of systematisch handeldrijven met professioneel vuurwerk, doorgaans ook met onbekenden. Feiten en omstandigheden Uit onderzoek komt naar voren dat op 6 oktober 2017 verdachte en [persoon 4] op en neer rijden naar Duitsland en terugkomen met flowerbeds (professioneel vuurwerk). Op een parkeerplaats in Beverwijk worden zes flowerbeds overgedragen aan [persoon 2] . Tijdens het overladen stond [persoon 3] op de uitkijk. Verdachte, [persoon 3] en [persoon 4] zijn later in Spaarndam aangehouden en hadden op dat moment nog 16 flowerbeds voorhanden. Verdachte heeft bekend dat hij het vuurwerk voorhanden heeft gehad en ook dat hij een deel van het vuurwerk aan [persoon 2] ter beschikking heeft gesteld. Feit 1 Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte samen met anderen het onder 1 tenlastegelegde vuurwerk voorhanden heeft gehad. Verdachte en zijn medeverdachten zijn particulieren en niet aan te merken als fabrikant, importeur of distributeur. Verdachte en zijn medeverdachten kunnen ook niet worden aangemerkt als (particuliere) detailhandelaren. Op basis van het dossier kan niet méér worden vastgesteld dan dat sprake was van een gezamenlijke actie om vuurwerk aan te kopen. Dat deze aankoop onderdeel uitmaakte van systematisch handeldrijven met professioneel vuurwerk blijkt niet uit het dossier. Dit betekent dat verdachte van feit 1 primair moet worden vrijgesproken. Feit 1 subsidiair is wel bewezen. De rechtbank vindt dat sprake is van medeplegen. Er was sprake van een gezamenlijk plan om vuurwerk te kopen, waarbij sprake is geweest van inwisselbare rollen. Feit 2 Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte samen met anderen het onder 2 tenlastegelegde vuurwerk voorhanden heeft gehad en aan [persoon 2] ter beschikking heeft gesteld. Omdat verdachte niet als fabrikant, importeur, distributeur of (particuliere) detailhandelaar aangemerkt kan worden, moet verdachte van feit 2 primair en feit 2 subsidiair voor wat betreft het ‘ter beschikking stellen’ worden vrijgesproken. Het als feit 2 subsidiair tenlastegelegde ‘voorhanden hebben’ is wel bewezen. De rechtbank vindt dat sprake is van medeplegen. Er was sprake van een gezamenlijk plan om vuurwerk te kopen, waarbij sprake is geweest van inwisselbare rollen. 4.2. Feit 4 (pepperspray) Bij verdachte is een busje pepperspray aangetroffen en verdachte heeft bekend dat dit van hem was. Gelet op die bekennende verklaring en de overige inhoud van het dossier vindt de rechtbank feit 4 bewezen. 4.3. Bewezenverklaring De rechtbank vindt bewezen dat verdachte Feit 1 subsidiair op 6 oktober 2017 te Beverwijk en Spaarndam, tezamen en in vereniging met anderen, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten vier flowerbeds (Triplex, TXB679, 47,4 kg), en vier flowerbeds (Triplex, U31414, 55 kg), en één flowerbed (Triplex, TXB577, 28,6 kg), en twee flowerbeds (Triplex, R12100, 34,6 kg), en twee flowerbeds (Triplex, TXB678, 51,6 kg), en twee flowerbeds (Triplex, U31450/XB4010, 37 kg), en één flowerbed (Triplex YHW901, 14,4
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.