← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:606

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752036-19 RK nummer: 19/6978 Datum uitspraak: 24 januari 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2019 door Københavns Byret (Rechtbank Kopenhagen, Denemarken) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1981, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 januari 2020 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht bij de zitting aanwezig te zijn en is vertegenwoordigd door zijn raadsman mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Albanese nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een Beschikking van Østre Landsret (het Gerechtshof voor Oost-Denemarken) van 26 september 2019, rolnummer S-2577-119. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Deens recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Genoegzaamheid De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten ten behoeve waarvan de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht niet genoegzaam zijn beschreven. Met name blijkt uit het EAB niet wat de rol van de opgeëiste persoon zou zijn geweest. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de vordering aan te houden, teneinde de Deense uitvaardigende autoriteit te vragen naar de rol van de opgeëiste persoon. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafbare feiten voldoende genoegzaam zijn omschreven. De opgeëiste persoon wordt er van verdacht pleger te zijn van de in onderdeel
  2. e)van het EAB genoemde strafbare feiten, die zich onder meer in Denemarken hebben afgespeeld. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In de onderhavige zaak wordt de opgeëiste persoon, blijkens onderdeel
  3. e)van het EAB, ervan beschuldigd op 31 januari 2019, 4 maart 2019 en 5 maart 2019, in Denemarken, in vereniging, steeds 15 kilo cocaïne voorhanden te hebben gehad en te hebben geleverd aan de bestuurder van een personenauto voorzien van een Zweeds kenteken. Nu beschreven is dat de strafbare feiten in Denemarken hebben plaatsgehad en deze verder onder meer zijn gespecificeerd naar data, het soort en de hoeveelheid verdovende middelen en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon, is de rechtbank van oordeel dat voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen reden om de behandeling van de vordering aan te houden. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Volgens de in rubriek
  4. c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Deens recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW Het EAB heeft betrekking op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe. Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Deense autoriteiten plaats te vinden. Het onderzoek is in Denemarken aangevangen en het bewijs bevindt zich daar. Ook de medeverdachten zullen in Denemarken worden vervolgd. De raadsman heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft zij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Københavns Byret (Rechtbank Kopenhagen, Denemarken). Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en R. Godthelp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari 2020. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.