← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:6105

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751220-17 RK-nummer: 18/7917 Datum uitspraak: 5 november 2020 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juli 2018 door het Staatsanwaltschaft Köln (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1989, wonende op het adres: [adres], hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Bij tussenuitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te informeren of, bij weigering van de executieoverlevering op grond van artikel 6 lid 2 jo lid 5 OLW, de daadwerkelijke overname van de tenuitvoerlegging van de straf gegarandeerd is. Het onderzoek is hervat op de openbare zitting van 5 november
  2. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, Advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Ontvankelijkheid van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, nu het EAB is uitgevaardigd door een Duits Openbaar Ministerie, niet zijnde een rechterlijke autoriteit als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De rechtbank verenigt zich, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese unie van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 (zaak PI), met het standpunt van de officier van justitie en zal haar niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. 4Beslissing VERKLAART de officier van justitie NIET-ONTVANKELIJK in haar vordering van 9 november 2018 tot het in behandeling nemen van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.E.M. James-Pater en R.J. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 november
  3. De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.