vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/660194 / HA ZA 19-60 Vonnis van 16 december 2020 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [eiser 2], wonende te [woonplaats] , 3. [eiser 3], wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. A. Hagedorn te Amsterdam, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM, zetelend te Amsterdam, 2. de stichting STICHTING STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM, zetelend te Amsterdam, 3. de stichting STICHTING STEDELIJK MUSEUM FONDS, zetelend te Amsterdam, gedaagden, advocaat mr. P.L. Loeb te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. (afzonderlijk ook wel [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ) en de Gemeente Amsterdam c.s. (afzonderlijk ook wel de Gemeente, het Museum, het Stedelijk Museum Fonds) genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaardingen van 21 december 2018 met producties, de conclusie van antwoord met producties, het tussenvonnis van 12 juni 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 oktober 2020 en de daarin genoemde stukken; de brief van mr. Loeb van 12 november 2020 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal; de brief van mr. S.A. van der Sluijs, advocaat van de Gemeente Amsterdam c.s., met een opmerking naar aanleiding van het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De Gemeente is eigenaar van het schilderij “Bild mit Häusern” uit 1909 van de kunstenaar Wassily Kandinsky (hierna: het schilderij). Het Museum beheert de kunstcollectie van de Gemeente, waaronder het schilderij. Het schilderij bevindt zich sinds oktober 1940 in de collectie van het Museum. Het Stedelijk Museum Fonds verleent steun aan het Museum ten behoeve van het organiseren van tentoonstellingen en educatieve activiteiten en het uitoefenen van collectiebeheer door het bijeenbrengen en beheren van gelden die ten bate van het Museum door het Stedelijk Museum Fonds zijn verkregen. 2.2. Het schilderij maakte voor de Tweede Wereldoorlog deel uit van de kunstverzameling van [naam 1] en zijn echtgenote [naam echtgenote] . Zij hadden twee kinderen, [naam kind 1] en [naam kind 2] (hierna: [naam kind 1] en [naam kind 2] ), die het schilderij in 1937 erfden na het overlijden van [naam echtgenote] . Het schilderij is op 9 oktober 1940 geveild bij veilinghuis [naam veilinghuis] en daar aangekocht door de Gemeente. 2.3. [eiser 1] en [eiser 2] zijn de kinderen en erfgenamen van [naam kind 1] en zijn daarnaast erfgenamen van [naam kind 2] . [eiser 3] is de erfgenaam van de pleegzoon van [naam ex-vrouw] (hierna: [naam ex-vrouw] ), de ex-vrouw van [naam kind 1] . 2.4. In september 2012 zijn [eiser 1] en [eiser 2] via tussenkomst van Mondex Corporation (hierna: Mondex), een Canadese organisatie gespecialiseerd in kunstrestitutie, geïnformeerd over de locatie van het schilderij en hebben zij, via Mondex, bij brief van 23 november 2012 een verzoek tot teruggave aan het Museum gedaan. 2.5. Ter uitvoering van het besluit van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 november 2001 (hierna: het instellingsbesluit) is de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna: de restitutiecommissie) ingesteld. De restitutiecommissie houdt zich sinds 2002 bezig met het onderzoeken en beoordelen van claims tot teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar in de Tweede Wereldoorlog het bezit heeft verloren. Zij bestaat uit zeven leden die allen bij ministerieel besluit zijn benoemd. De restitutiecommissie beschikt over een eigen bureau met onderzoekers. 2.6. In artikel 2 van het instellingsbesluit is het volgende bepaald: “ 1. Er is een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die zich thans in bezit van de Staat der Nederlanden bevinden. 2. De commissie heeft voorts tot taak op verzoek van de minister advies uit te brengen over geschillen over teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. 3. De minister dient een verzoek om advies als bedoeld in het tweede lid uitsluitend in bij de commissie, indien de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen en de huidige bezitter gezamenlijk de minister daarom gevraagd hebben. 4. De commissie verricht de adviestaak, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake. 5. De commissie verricht de adviestaak, bedoeld in het tweede lid, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.” en in artikel 4 lid 2 van het instellingsbesluit is bepaald: De commissie kan een reglement omtrent de verdere werkwijze vaststellen. 2.7. Bij brief van 2 december 2013 hebben [eiser 1] , [eiser 2] en de Gemeente gezamenlijk aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gevraagd om de restitutiecommissie bindend advies uit te laten brengen, zoals bedoeld in artikel 2 onder 2 van het instellingsbesluit, over de teruggave van het schilderij. 2.8. De zaak is vervolgens door de restitutiecommissie in behandeling genomen (onder nummer RC 3.141). De heer [naam oprichter] (hierna: [naam oprichter] ), oprichter van Mondex, heeft in de zaak bij de restitutiecommissie als gemachtigde opgetreden van [eiser 1] en [eiser 2] . [naam oprichter] heeft de restitutiecommissie in 2015 bericht tevens [eiser 3] te vertegenwoordigen. De Gemeente heeft desgevraagd verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben. 2.9. [eiser 1] c.s. en de Gemeente hebben in het kader van de procedure bij de restitutiecommissie schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het door de commissie vastgestelde ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (hierna: het reglement), en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden. 2.10. In het (op 27 januari 2014 opnieuw vastgestelde) reglement is – voor zover in deze zaak van belang – het volgende vermeld: “Artikel 3 De commissie adviseert naar redelijkheid en billijkheid, waarbij de commissie in ieder geval in de overwegingen kan betrekken: a. de internationaal en nationaal aanvaarde beginselen zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst voor zover zij van overeenkomstige toepassing zijn; b. de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan; c. de mate waarin de verzoeker zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen; d. de omstandigheden van de verwerving door de bezitter en het door hem verrichte onderzoek vóór de verwerving van het werk; e. het belang van het werk voor de verzoeker; f. het belang van het werk voor bezitter; g. het belang van het openbaar kunstbezit.”. (…) Artikel 6 (…) 4. De commissie kan, in iedere stand van de behandeling bepalen: a. dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden; (…) Artikel 7 1. In het geval de commissie bepaalt dat zij zelfstandig nader onderzoek zal verrichten, dan legt zij haar bevindingen vast in een feitenoverzicht. 2. De commissie zendt het feitenoverzicht naar partijen. Deze kunnen hierop schriftelijk reageren binnen een termijn van zes weken. (…) Artikel 15 1.Een lid van de commissie kan door één of door beide partijen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel over het geschil zouden kunnen bemoeilijken. (….) 3.Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid kan een lid van de commissie zich ter zake van de behandeling van een geschil verschonen. Hij is verplicht dit te doen, indien de voorzitter van de commissie van oordeel is dat de bedoelde feiten of omstandigheden zich te zijnen aanzien voordoen. (…)”. 2.11. De restitutiecommissie heeft een zelfstandig onderzoek verricht en daarvan een eerste conceptonderzoeksrapport opgesteld gedateerd 19 december 2014. Daarop hebben [eiser 1] c.s. en de Gemeente gereageerd. Op 24 april 2017 heeft de restitutiecommissie een tweede conceptonderzoeksrapport opgesteld. Dit rapport telt 88 pagina’s en heeft 14 bijlagen, waaronder correspondentie en stukken van de betrokken partijen. Bij brief van 1 december 2017 heeft [naam oprichter] namens [eiser 1] c.s. een reactie op het tweede conceptonderzoeksrapport aan de restitutiecommissie doen toekomen en opgemerkt dat [eiser 1] c.s. een mondelinge behandeling wensen. Bij brief van 28 december 2017 heeft de raadsman van de Gemeente op het tweede conceptonderzoeksrapport gereageerd. 2.12. Bij brief van 8 januari 2018 heeft de restitutiecommissie aan [eiser 1] c.s. en de Gemeente bericht dat zij naar aanleiding van de ontvangen reacties heeft besloten om over te gaan tot het houden van een mondelinge behandeling. Bij brief van 16 januari 2018 heeft de raadsman van [eiser 1] c.s. de restitutiecommissie als volgt bericht: “The DRC, given the new admission by the Stedelijk, should and can make a decision to restitute the painting within the very near future based on the evidence already submitted which evidence is strengthened by enclosed admission of the Museum. The [eiser 1] family would appreciate being able to save the significant costs of having their lawyers prepare for a hearing that – in their view- is no longer necessary, in addition to the travel cost and hotel costs.” Bij brief van 16 februari 2018 heeft de restitutiecommissie aan [eiser 1] c.s. en de Gemeente bericht dat zij nader heeft bekeken of het houden van een mondelinge behandeling noodzakelijk is. Gezien de aard van de vragen die de commissie wil stellen, heeft zij besloten dat een schriftelijke procedure volstaat en dat een mondelinge behandeling niet nodig is. 2.13. Bij brieven van 14 maart 2018 heeft de restitutiecommissie nadere vragen aan [eiser 1] c.s. en de Gemeente gesteld. De Gemeente heeft bij brief van 27 maart 2018 daarop antwoord gegeven en [eiser 1] c.s. hebben bij brief van 28 maart 2018 hun antwoord gegeven en bij brief van 6 april 2018 nog gereageerd op de antwoorden van de Gemeente. 2.14. Op 22 oktober 2018 heeft de restitutiecommissie haar bindend advies (hierna: het bindend advies) gegeven, waarbij de commissie als volgt was samengesteld: [voorzitter] (voorzitter), [naam 2] (hierna: [naam 2] ), [naam 3] , [naam 4] (hierna: [naam 4] ), [naam 5] (plaatsvervangend voorzitter), [naam 6] (hierna: [naam 6] ) en [naam 7] (hierna: [naam 7] ). Het advies houdt in dat de Gemeente niet gehouden is tot teruggave van het schilderij. Het bindend advies zal als bijlage aan dit vonnis worden gehecht. 3Het geschil 3.1. [eiser 1] c.s. vorderen samengevat – dat de rechtbank: primair: het bindend advies geheel dan wel gedeeltelijk vernietigt; verklaart voor recht dat de Gemeente Amsterdam c.s., althans de Gemeente, onrechtmatig hebben gehandeld en de Gemeente Amsterdam c.s. veroordeelt deze onrechtmatige toestand op te heffen dan wel te beëindigen; de Gemeente veroordeelt tot teruggave van het schilderij, onder verbeurte van een dwangsom; het Museum en het Stedelijk Museum Fonds gebiedt medewerking te verlenen aan de teruggave, onder verbeurte van een dwangsom; subsidiair 5. in het geval dat het bindend advies niet zal worden vernietigd, voor recht verklaart dat het bindend advies jegens [eiser 3] geen rechtskracht heeft en zij niet aan de uitkomst daarvan gebonden is en de tussen alle betrokken partijen gesloten bindend adviesovereenkomst vernietigt wegens dwaling; meer subsidiair: 6. in het geval dat de rechtbank het verzoek tot teruggave van het schilderij niet zelf kan toewijzen, de verdere behandeling van het verzoek terugverwijst naar de restitutiecommissie; alles met veroordeling van de Gemeente Amsterdam c.s. in de kosten. 3.2. De Gemeente Amsterdam c.s. voeren verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De Gemeente Amsterdam c.s. hebben aangevoerd dat de vorderingen tegen het Museum en tegen het Stedelijk Museum Fonds hoe dan ook moeten worden afgewezen. Zij waren geen partij in de procedure voor de restitutiecommissie en hebben gelet op de hen toebedeelde taak ook geen zeggenschap over het schilderij. Mocht worden geoordeeld dat de Gemeente tot afgifte van het schilderij gehouden is, dan staat het Museum daaraan niet in de weg, aldus de Gemeente Amsterdam c.s. 4.2. [eiser 1] c.s. hebben tegenover dit verweer onvoldoende concreet onderbouwd dat zij enig belang hebben bij hun vorderingen voor zover deze zijn gericht tegen het Museum en het Stedelijk Museum Fonds, zodat de vorderingen tegen hen al hierom zullen worden afgewezen. 4.3. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank hierna bij de bespreking van de overige verweren van de Gemeente Amsterdam c.s. alleen nog de Gemeente als verwerende partij noemen. Vordering tot vernietiging van het bindend advies 4.4. Vooropgesteld wordt dat een bindend advies blijkens het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW kan worden vernietigd indien gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit criterium vraagt terughoudendheid van de rechter aan wie een bindend advies ter vernietiging wordt voorgelegd. Het gaat er immers niet om dat de rechter zijn oordeel over de zaak in de plaats stelt van het oordeel van de bindend adviseur; het gaat erom of gebondenheid aan het oordeel van de bindend adviseur naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat brengt mee dat voor vernietiging van een bindend advies slechts ruimte is indien de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies ernstige gebreken vertoont. Voor vernietiging is geen ruimte indien de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden. 4.5. [eiser 1] c.s. hebben onder meer aangevoerd dat het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is zowel vanwege de inhoud -gelet op de vele aannames van de restitutiecommissie en de wijze waarop de restitutiecommissie de bewijslast heeft verdeeld - als in het licht van de gewekte schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling van een aantal leden van de restitutiecommissie. Nu [eiser 1] c.s. tijdens de mondelinge behandeling hebben toegelicht dat dit de kern van hun bezwaren betreft, zal de rechtbank daarom hierop eerst ingaan. Schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling 4.6. [eiser 1] c.s. stellen zich op het standpunt dat ten aanzien van drie of vier leden van de restitutiecommissie de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling is gewekt, omdat zij een meer dan particuliere verhouding en dus een bijzondere verhouding ten opzichte van het Museum hadden. Zij hadden zich daarom uit zichzelf of op instigatie van de (waarnemend) voorzitter moeten verschonen. Ter onderbouwing verwijzen [eiser 1] c.s. naar een rapport van professor dr. G.H. Addink (hierna: Addink) van 9 januari 2020. Daarin geeft Addink aan de hand van hun nevenfuncties een overzicht van de betrokkenheid bij het Museum van [naam 7] , [naam 4] , [naam 2] en [naam 6] . 4.7. De Gemeente heeft daartegen het volgende aangevoerd. De door Addink in zijn rapport opgenomen stellingen zijn deels feitelijk onjuist en ook niet met enig bewijs van feiten en omstandigheden toegelicht. Voor zover er in een individueel geval sprake is geweest van enige beroepsmatige of maatschappelijke interactie met het Museum is dat nog geen grond voor het oordeel dat (leden van) de restitutiecommissie niet onpartijdig of onafhankelijk is (zijn) geweest. Bovendien wordt door Addink het verloop van tijd tussen de door hem gestelde betrekkingen en het bindend advies genegeerd. Volgens de Gemeente heeft geen van de genoemde leden een belang bij het Museum of bij de uitkomst van de procedure. Het Museum is vanuit het verleden alleen bekend met [naam 4] en [naam 7] . Verder voert de Gemeente nog aan dat alle gestelde feiten en omstandigheden omtrent de leden van de restitutiecommissie openbaar en toegankelijk zijn en gemakkelijk op het internet te vinden. [eiser 1] c.s. hebben, bijgestaan door hun advocaten, voldoende tijd gehad om onderzoek te doen en desgewenst tijdig een wrakingsverzoek te doen. Dat zij dit hebben nagelaten komt voor hun rekening. Een wraking kan niet achteraf door middel van een vernietiging van het bindend advies. 4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Onweersproken is gebleven dat de door [eiser 1] c.s. gestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van de vier leden van de restitutiecommissies zich al voordeden ten tijde van de procedure bij de restitutiecommissie en dat de informatie hierover openbaar en vrij toegankelijk was. Het had op de weg van [eiser 1] c.s. gelegen om desgewenst voorafgaand dan wel tijdens de procedure onderzoek te doen naar de verhouding tussen de leden van de restitutiecommissie en het Museum, als zij van mening waren dat niet zonder meer van hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid kon worden uitgegaan. Dat klemt te meer nu in artikel 15 van het reglement een bepaling is opgenomen over wraking en verschoning. Nu [eiser 1] c.s. dit hebben nagelaten en hun onderzoek pas geruime tijd na de beslissing van de restitutiecommissie hebben gedaan, kunnen zij in dit geval geen beroep meer doen op een gemis aan onpartijdigheid en/of onafhankelijkheid. 4.9. Anders dan [eiser 1] c.s. betogen zijn de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden bovendien ook niet zodanig dat een of meer leden zich hadden behoren te verschonen, of dat zij zelf melding hadden moeten doen van deze feiten en omstandigheden. In dat verband is van belang dat, zoals de Gemeente terecht heeft aangevoerd, gelet op de taak en de aard van de werkzaamheden van de restitutiecommissie, haar leden ter zake kundig dienen te zijn en over de nodige ervaring moeten beschikken. Het enkele feit dat een lid in zijn of haar loopbaan direct of indirect in contact is gekomen met het Museum, leidt nog niet tot het oordeel dat hij of zij zich had behoren te verschonen dan wel dat daarvan melding had moeten doen. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat een bedrijf of commissie waaraan een lid verbonden is (geweest) een subsidie of donatie heeft toegekend aan het Museum in de periode voordat het lid was toegetreden tot de restitutiecommissie. [eiser 1] c.s. voeren nog aan dat [naam 7] , werkzaam als wetenschapper en docent bij de Universiteit van Amsterdam, in haar publicaties nooit heeft geoordeeld dat het Museum betrokken was bij roofkunst of roofkunst heeft hangen en dat zij daarom zich van een oordeel had moeten onthouden omdat zij daarmee mogelijk tegen haar eigen bevindingen zou moeten ingaan. Dat betoog wordt verworpen. Noch uit de door Addink geciteerde publicaties van [naam 7] , noch uit andere door hem aangehaalde feiten en omstandigheden, volgt dat zij niet meer vrij en onafhankelijk kon oordelen over de vraag of het Museum betrokken is (geweest) bij roofkunst, laat staan of het schilderij als zodanig is aan te merken. 4.10. Het voorgaande leidt ertoe dat de stelling van [eiser 1] c.s. dat het bindend advies dient te worden vernietigd wegens de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling faalt. Inhoud bindend advies Het toetsingskader 4.11. Partijen hebben zich akkoord verklaard met de toepasselijkheid van het reglement. Daarin is bepaald dat de restitutiecommissie naar redelijkheid en billijkheid adviseert waarbij zij de in artikel 3 van het reglement genoemde punten bij haar overwegingen kan betrekken. 4.12. De restitutiecommissie overweegt (5.1 tot en met 5.3 van het bindend advies, onder het kopje ‘De taak van de commissie’) dat het adviseren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid allereerst inhoudt dat wordt beoordeeld of voldaan is aan de vereisten dat het in hoge mate aannemelijk is dat de gestelde oorspronkelijke eigenaar inderdaad de eigenaar was en dat in voldoende mate aannemelijk is dat hij of zij het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarnaast biedt volgens de restitutiecommissie advisering naar maatstaven redelijkheid en billijkheid ruimte om rekening te houden met de wijze van verwerving door de huidige eigenaar en andere omstandigheden en om de diverse betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Verder oordeelt de restitutiecommissie dat haar ruime afwegingskader recht doet aan de Washington Principles volgens welke het restitutiebeleid gericht moet zijn op het bereiken van ‘a just and fair solution, recognizing this may vary according to the facts and circumstances surrounding a specific case”. 4.13. Het aldus door de restitutiecommissie vastgestelde toetsingskader is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3 van het reglement en het instellingsbesluit. [eiser 1] c.s. hebben aangevoerd dat op grond van de Washington Principles geen ruimte is voor een belangenafweging. Voor zover dit al juist zou zijn, wat de Gemeente gemotiveerd betwist, dan betekent dat nog niet dat, zoals door [eiser 1] c.s. is aangevoerd, de restitutiecommissie een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Het reglement (opgesteld op grond van artikel 4 lid 2 van het instellingenbesluit), waaraan alle betrokken partijen zich hebben verbonden, biedt immers uitdrukkelijk ruimte voor een belangenafweging. Daarbij is van belang dat volgens het instellingenbesluit claims op kunstvoorwerpen uit provinciale of gemeentelijke collecties moeten worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 lid 5 instellingenbesluit) en dat de restitutiecommissie wat betreft deze claims een discretionaire beoordelingsruimte heeft. Zoals in het reglement is vastgelegd kan de restitutiecommissie bij claims als de onderhavige de belangen van de verschillende partijen tegen elkaar afwegen. Voor zover [eiser 1] c.s. menen dat hun restitutieverzoek uitsluitend diende te worden beoordeeld aan de hand van de Washington Principles wordt daaraan voorbijgegaan. Partijen hebben zich immers gebonden aan bindend advies en het door de restitutiecommissie vastgestelde reglement. Het door de restitutiecommissie verrichte onderzoek 4.14. De restitutiecommissie heeft vier jaar uitgebreid onderzoek verricht naar de feiten en omstandigheden die van belang konden zijn voor de beoordeling van het verzoek in onder meer verschillende archieven. Naast het eigen bronnenonderzoek heeft het onderzoek van de restitutiecommissie ook betrekking gehad op door [eiser 1] c.s. en de Gemeente verstrekte informatie en documenten. De uitkomsten van haar onderzoek heeft zij op 19 december 2014 in een eerste conceptonderzoeksrapport neergelegd. Daarop hebben beide partijen gereageerd. Het tweede conceptonderzoeksrapport is van 27 april 2017 en ook daarop hebben beide partijen gereageerd. Deze uitgebreide conceptonderzoeksrapporten liggen ten grondslag aan het bindend advies en, zoals de Gemeente terecht aanvoert, dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de vordering tot vernietiging van het bindend advies. Overwegingen (‘aannames’) van de restitutiecommissie 4.15. [eiser 1] c.s. stellen zich op het standpunt dat de restitutiecommissie een doelredenering heeft gehanteerd om tot afwijzing van het verzoek te kunnen komen, waarbij zij het uitgangspunt heeft genegeerd, zoals geformuleerd in de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001, te weten dat een verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 verondersteld wordt onvrijwillig te zijn geweest, behoudens bewijs van het tegendeel. Feitelijk heeft de restitutiecommissie dit uitgangspunt omgedraaid en zijn de bewijslast en het bewijsrisico door haar neergelegd bij de slachtoffers. Op basis van een aantal onjuiste en onbegrijpelijke aannames heeft de restitutiecommissie geoordeeld dat het schilderij na het overlijden van [naam echtgenote] is toebedeeld aan [naam kind 1] , en niet aan [naam kind 2] . Vervolgens heeft de restitutiecommissie ten onrechte overwogen dat financiële motieven van [naam kind 1] en [naam ex-vrouw] een rol zouden hebben gespeeld bij de veiling van het schilderij in 1940. Door vervolgens – onnavolgbaar – te oordelen dat door een tussen [naam kind 1] en [naam ex-vrouw] in 1947 opgemaakte akte van verdeling het schilderij aan [naam ex-vrouw] is toebedeeld, heeft de restitutiecommissie kunnen toekomen aan het afwegen van de belangen van [eiser 3] , die van alle verzoekers de minste binding met het schilderij zou hebben, enerzijds en het Museum anderzijds, aldus steeds [eiser 1] c.s. De Gemeente betwist dat van onjuiste aannames en een doelredenering sprake is geweest. De rechtbank overweegt als volgt. Toebedeling van het schilderij in 1937 (overweging 6.3.2 bindend advies) 4.16. De restitutiecommissie heeft in 6.3.2. geoordeeld dat er naar haar oordeel vanuit dient te worden gegaan dat het schilderij na het overlijden van [naam echtgenote] is toebedeeld aan [naam kind 1] . Zij heeft dit oordeel gebaseerd op de volgende overwegingen: Het is onbekend of de regeling in het testament van [naam echtgenote] van 1 februari 1937 ten aanzien van schilderijen en etsen ten uitvoer is gebracht. Daarin was opgenomen dat de schilderijen en etsen in twee gelijkwaardige kavels verdeeld moesten worden die bij loting toegewezen moesten worden aan haar beide kinderen. In de akte van scheiding van de nalatenschap van [naam echtgenote] van 24 januari 1938 worden geen kunstwerken expliciet benoemd. De ‘nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’ zijn toebedeeld aan [naam kind 1] en er zijn geen aanwijzingen dat de kunstwerken, waaronder het schilderij van deze toebedeling zijn uitgezonderd. In diverse gerechtelijke documenten wordt melding gemaakt van de kostbare inventaris, waaronder kunstwerken, die zich na het vertrek van [naam kind 1] in augustus 1938 uit Amsterdam nog steeds in het huis aan het [adres] bevond. Dat deze goederen aan [naam kind 1] zijn toebedeeld acht de restitutiecommissie goed verklaarbaar omdat [naam kind 2] nog een schuld had aan [naam echtgenote] van NLG 16.250,00 en [naam kind 1] een schuld van NLG 2.000,00. De waarde van de nog aanwezige roerende lichamelijk zaken wordt in de akte van 24 januari 1938 vastgesteld op NLG 14.250,00. In een door een familielid vanaf 2003 opgetekende biografie van [naam kind 2] wordt over de verdeling van de erfenis vermeld dat de inboedel met haar waardevolle inventaris werd verrekend met de schuld van [naam kind 2] aan haar moeder. Ook om een andere reden is het verklaarbaar dat de goederen aan [naam kind 1] zijn toebedeeld: [naam kind 2] stond op het punt om met haar man naar Mozambique te emigreren. Minder goed verklaarbaar is de brief van [naam 8] van 31 mei 1948 waarin zij schrijft dat het schilderij Das bunte Leben (een ander werk van Kandinsky,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.