← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2020:7569

proces-verbaal RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/673169 / HA ZA 19-1047 Proces-verbaal van comparitie, gehouden op 6 juli 2020, houdende mondeling vonnis in de zaak van 1 [eiser 1] ,

  1. [eiser 2], beiden wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. L. Kesting te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1] ,
  2. [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. S.E. de Schutter te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagden] c.s. worden genoemd. De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ingevolge het vonnis van deze rechtbank van 6 mei
  3. Tegenwoordig zijn mr. H.J. Schaberg, rechter, en mr. M.M. de Keizer, griffier. Na uitroeping van de zaak verschijnen: [eisers] voornoemd; [eiser 2] voornoemd; mr. Kesting voornoemd; [gedaagde 1] voornoemd; [gedaagde 2] voornoemd; mr. De Schutter voornoemd; mr. C.L.M.M. Kriekaard, kantoorgenoot van mr. De Schutter voornoemd. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is, gehoord partijen, mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dit proces-verbaal opgemaakt. De rechter heeft de volgende uitspraak gedaan. 1De beoordeling [eisers] c.s. vordert verwijdering van (een gedeelte van) de houten betimmering/rabatdelen van de muur van [gedaagden] c.s. omdat die over de erfgrens uitsteken. [eisers] c.s. legt hieraan ten grondslag dat er sprake is van onrechtmatige overbouw. [gedaagden] c.s. voert verweer en beroept zich op verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid van overbouw in de zin van artikel 3:99 in samenhang met artikel 5:72 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [gedaagden] c.s. heeft hiertoe aangevoerd dat de rabatdelen er al vanaf 2002 hangen zonder dat [eisers] c.s. daartegen heeft geprotesteerd, zodat sprake is van onafgebroken bezit te goeder trouw. Niet in geschil is dat de rabatdelen langer dan tien jaar onafgebroken op de gevel van [gedaagden] c.s. aanwezig zijn. Aan dat vereiste van artikel 3:99 BW is dus voldaan. Tussen partijen is in geschil of [gedaagden] c.s. te goeder trouw is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de rabatdelen zonder overleg door [gedaagden] c.s. zijn geplaatst. Nadien is tussen partijen eind augustus 2002/begin september 2002 gecorrespondeerd over de rabatdelen. In zijn brief van eind augustus 2002 heeft [eisers] c.s. gesproken over het feit dat de rabatdelen over de loodslabben heen hangen, wat een probleem kan opleveren bij het onderhoud of vervangen van de goot. Dat betrof dus alleen de onderste rabatdelen. Tegen het grootste gedeelte van de rabatdelen heeft [eisers] c.s. dus geen bezwaren geuit. Bij brief van 2 september 2002 heeft [gedaagden] c.s. laten weten dat de rabatdelen over de loodslabben heen zijn geplaatst om het doorslaan van het regenwater tegen te gaan. [gedaagden] c.s. heeft daarnaast aangegeven dat de rabatdelen tijdelijk (gedeeltelijk) verwijderd zouden kunnen worden, indien dat nodig is voor onderhoud uit te voeren door [eisers] c.s. Op deze brief is niet meer door [eisers] c.s. gereageerd. [eisers] c.s. heeft ook nooit geklaagd over problemen met het schoonmaken van de goot. [gedaagden] c.s. was dan ook te goeder trouw dat de rabatdelen mochten blijven hangen, mits ze tijdelijk konden worden verwijderd bij werkzaamheden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van verkrijgende verjaring van de erfdienstbaarheid nu aan alle voorwaarden hiervoor is voldaan. De vordering zal dan ook worden afgewezen. [eisers] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] c.s. worden begroot op: - griffierecht € 297,00 - salaris advocaat € 1.086,00 (2.0 punten × tarief € 543,00) Totaal € 1.383,00 De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente en nakosten worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld. 2De beslissing De rechtbank 2.
  4. wijst de vorderingen af; 2.
  5. veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] c.s. tot op heden begroot op € 1.383,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na de dag van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; 2.
  6. veroordeelt [eisers] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak; 2.
  7. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de rechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.