← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:1538

beslissing RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/182452-19 RK: 20/6126 Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 6:6:23, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering van: [veroordeelde] geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats], ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, [kantooradres], hierna te noemen: veroordeelde. 1Procesgang De politierechter in deze rechtbank heeft bij vonnis van 15 januari 2020 veroordeelde een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, opgelegd en bevolen dat voor het geval veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis van 40 dagen zal worden toegepast. Het vonnis is onherroepelijk. Het Openbaar Ministerie heeft op 12 februari 2021 beslist dat de vervangende hechtenis wordt toegepast. De kennisgeving van deze beslissing is op 12 februari 2021 naar het adres van veroordeelde verstuurd. Het bezwaarschrift is op 22 december 2020 op de griffie van deze rechtbank ingediend. Veroordeelde is niet met de taakstraf begonnen. 2Inhoud van het bezwaarschrift Het bezwaarschrift richt zich tegen de kennisgeving door het Openbaar Ministerie en strekt ertoe dat de politierechter de beslissing van het Openbaar Ministerie tot toepassing van de vervangende hechtenis wijzigt en veroordeelde in de gelegenheid stelt zijn taakstraf alsnog te verrichten. 3Beoordeling De politierechter heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak onder bovenvermeld parketnummer, waaronder: het hiervoor genoemde vonnis; het rapport van Reclassering Nederland, ressort Amsterdam, van 27 augustus 2020, waarin het Openbaar Ministerie wordt geadviseerd de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen; de kennisgeving van de beslissing tot toepassing van de vervangende hechtenis; het bezwaarschrift van veroordeelde. De politierechter heeft op de openbare terechtzitting van 16 februari 2021 de officier van justitie, mr. R. Leuven, en veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, gehoord. Standpunt van veroordeelde en zijn raadsvrouw Veroordeelde heeft verklaard dat hij begin vorig jaar met het overlijden van zijn neef in Spanje bezig was. Verder heeft hij bevestigd dat hij op het eerste gesprek bij de reclassering niet is verschenen. Hij heeft verdere brieven omtrent een nieuwe afspraak echter niet ontvangen. Hij heeft verzocht om een laatste kans om de taakstraf uit te voeren. De raadsvrouw van veroordeelde heeft aangevoerd dat veroordeelde de eerste afspraak bij de reclassering heeft gemist, dat hij daarna een brief heeft ontvangen dat, door het coronavirus, de uitvoering van de taakstraffen werd uitgesteld en nadien heeft veroordeelde geen bericht meer van de reclassering ontvangen. Uiteindelijk heeft veroordeelde contact opgenomen met de reclassering en is aan hem medegedeeld dat de taakstraf geretourneerd was. Veroordeelde is bereid en in staat om de taakstraf uit te voeren. Tot slot heeft de raadsvrouw opgemerkt dat als het de reclassering niet lukt om contact te krijgen met veroordeelde, zij daarvoor ook contact op kunnen nemen met de raadsvrouw. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het bezwaarschrift gegrond te verklaren en veroordeelde nog een laatste kans te gunnen om de taakstraf te voldoen. Oordeel van de politierechter De politierechter heeft geconstateerd dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. De politierechter is op grond van de hierboven genoemde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat, hoewel veroordeelde niet met de taakstraf is aangevangen, aannemelijk is geworden dat veroordeelde alsnog de opgelegde taakstraf naar behoren zal verrichten binnen de daarvoor bepaalde termijn en hem deze kans moet worden geboden. Op grond hiervan dient het bezwaarschrift gegrond te worden verklaard zodat veroordeelde zijn bij voornoemd vonnis opgelegde taakstraf alsnog kan verrichten. 4Beslissing De politierechter verklaart het bezwaarschrift gegrond; bepaalt het aantal uren taakstraf dat nog moet worden verricht op 36 uren; bepaalt dat de taakstraf binnen 12 (twaalf) maanden na heden moet worden voltooid. Deze beslissing is gegeven door mr. E.G.C. Groenendaal, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.