← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:1685

RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing op het op het op 17 maart 2021 gedane en onder rekestnummer C/13/699625 / HA RK 21/103 ingeschreven verzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.H.M. van de Ven, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter. Verloop van de procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken: het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer op 17 maart 2021 met daarin opgenomen de gronden tot wraking; de schriftelijke reactie van de rechter. De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. 1Gronden van de beslissing Van de volgende feiten wordt uitgegaan: Verzoeker is eiser in twee bij de rechter aanhangige procedures (AMS 20/3332 en AMS 20/3333). Op 17 maart 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij verzoeker de rechter heeft gewraakt. 2Het verzoek 2.

  1. Verzoeker heeft de rechter gewraakt omdat hij de verzoeken van instelling van incidenten niet is opgevolgd waardoor verzoeker in rechtsonzekerheid verkeert over zijn rechtpositie in zijn beroep. De rechter heeft verzoeker geen inzage verleend in alle stukken. De rechter heeft niet aangetoond dat hij bevoegd is als voorzitter van de ingestelde kamer. Tot slot heeft de rechter het verzoek tot een gevoegde behandeling afgewezen, dan wel heeft hij de voeging overgelaten aan de griffier. Door toedoen van de rechter verkeert verzoeker in een significant nadeliger positie ten opzichte van zijn wederpartij. Als gevolg hiervan is de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid schade toegebracht. 3De reactie van de rechter 3.
  2. De rechter heeft aangevoerd dat hij op de zitting eerst een toelichting heeft gegeven over de beslissingen van de rechtbank voorafgaand aan de zitting over de verzoeken om inzage en voeging. Daarna heeft hij partijen op basis van het beroepschrift van verzoeker in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten. Volgens de rechter is zijn opstelling en de behandeling van de zaken van verzoeker in overeenstemming geweest met hetgeen van een onpartijdige, betrokken en ter zake deskundige rechter mag worden verwacht. 4De gronden van de beslissing 4.
  3. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 4.
  4. Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking. 4.
  5. In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. 4.
  6. Een rechterlijke beslissing kan geen grond tot wraking opleveren zoals is beslist in het hiervoor genoemde arrest. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
  7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. BESLISSING De rechtbank: - wijst het verzoek tot wraking af; Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter en A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.