RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/056527-20 (A) en 13/145851-20 (B) Datum uitspraak: 26 maart 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] ,geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juni 2020 (zaak A) en 12 maart 2021 (zaken A en B). Verdachte was hierbij niet aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat de raadsman van verdachte, mr. J. van Weers, naar voren heeft gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij [slachtoffer] (zaak A) naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt – samengevat – ervan beschuldigd dat hij: Zaak A op 2 maart 2020 te Amsterdam heeft geprobeerd [slachtoffer] , hoofdagent in functie, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door in volle vaart op [slachtoffer] af te rennen en vervolgens met zijn elleboog tegen de kin/kaak van [slachtoffer] te stoten en [slachtoffer] tegen de enkels te trappen. Mocht de rechtbank dit niet bewezen achten, dan wordt verdachte beschuldigd van mishandeling; Zaak B op 2 maart 2020 als bestuurder van een motorrijtuig betrokken is geweest bij verkeersongevallen op de Rijksweg A5 en/of Rijksweg A10 en de plaats van deze ongevallen heeft verlaten; op 2 maart 2020 als bestuurder van een voertuig zich zodanig heeft gedragen dat verkeersregels (overschrijding van de maximumsnelheid, rijden over de vluchtstrook en/of rijden onder invloed) in ernstige mate werden geschonden waardoor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage 1 die achter dit vonnis is gevoegd. 3Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [naam 1] reed op 2 maart 2020 omstreeks 17:00 uur in zijn grijze Fiat Panda (kenteken [nummer 1] ) op de A5. Op een gegeven moment hoorde en voelde hij een harde knal. De auto begon te draaien en belandde uiteindelijk in de vangrails. De auto was op meerdere plekken beschadigd en er lagen overal onderdelen van de auto op de grond. [naam 2] reed ook op de A5 in haar Mini Cooper (kenteken [nummer 2] ). Zij zag in haar binnenspiegel een witte auto met hoge snelheid over de vluchtstrook komen aanrijden. Hierna keek zij in haar binnenspiegel en zag achter haar een grijskleurige auto slingeren. Ineens schoot de witte auto achter haar langs. De auto kwam van rechts achter haar langs en ging naar de linkerrijstrook. [naam 2] hoorde een klap en voelde haar auto schudden. Zij zag vervolgens dat de witte auto met hoge snelheid wegreed, in de richting van de Coentunnel. [naam 2] stopte op de vluchtstrook en constateerde lakschade aan haar auto. Ook werkten de parkeersensoren aan de achterkant niet meer. Zij zag dat de eerder genoemde grijskleurige auto een Fiat Panda betrof. Een man die uit een eveneens gestopte auto stapte, zei dat de witte auto een Renault Twingo met een Frans kenteken betrof. [naam 3] stond diezelfde dag rond 17.10 uur in haar Toyota Aygo (kenteken [nummer 3] ) op de afrit S116 van de A10 op de rechterrijstrook voor het rode stoplicht. Zij zag ineens in een flits een witte auto over de vluchtstrook voorbij komen. Hierna volgde een knal aan de achterzijde van haar auto en zag [naam 3] dat haar achterraam stuk was. [slachtoffer] , aanrijdingscoördinator van het Team Opsporing Ernstige Verkeersongevallen, was als eerst aanwezig op de plaats van het ongeval, de afrit S116 van de A10. Hij dirigeerde het verkeer richting de IJ-tunnel. [slachtoffer] droeg daarbij een geel, opvallend zichtbaarheidsvest met de tekst ‘politie’ op de rechter borstkas van de jas en de tekst ‘ACT’ op de achterzijde. Hij zag dat een witte auto over de vluchtstrook kwam aanrijden en twee auto’s voor het stoplicht stopte. Deze auto bleek later te zijn voorzien van het Frans kenteken [nummer 4] . Er kwam een man uit de auto, naar later blijkt verdachte, die in een volle sprint in de richting van [slachtoffer] rende. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte in een soort karatebeweging op hem af kwam rennen en zijn elleboog in de richting van zijn kaak bewoog, waar hij werd geraakt. Verdachte rende door in de richting van de IJ-tunnel. [slachtoffer] rende achter verdachte aan. Verdachte draaide zich om en nam een gevechtshouding aan. Hierop heeft [slachtoffer] met hulp van collega’s verdachte met geweld aangehouden. [slachtoffer] heeft verklaard over pijn aan zijn kaakgewricht en kies. Ook had hij op de linkerenkel een klein wondje en deed zijn enkelgewricht pijn. 4.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Verdachte heeft door zijn rijgedrag drie ongevallen veroorzaakt en daarna de plaats van deze ongevallen verlaten. Hoewel niet vaststaat dat met de auto van [naam 3] een aanrijding heeft plaatsgevonden, heeft het rijgedrag van verdachte, vermoedelijk door de snelheid, het knappen van de autoruit veroorzaakt. Verdachte heeft twee verkeersregels geschonden, te weten te hard rijden en rijden over de vluchtstrook, en heeft dat in ernstige mate gedaan, gelet op de getuigenverklaringen en het feit dat verdachte in korte tijd drie aanrijdingen heeft veroorzaakt. Verdachte heeft dat bovendien opzettelijk gedaan en er kon in ieder geval zwaar lichamelijk letsel door worden veroorzaakt, mede gelet op het feit dat het maandagmiddag spitstijd was en het dus erg druk was. Daarnaast heeft verdachte geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een elleboog [slachtoffer] in zijn gericht te raken, op zijn onderkaak. Het is bij pijn gebleven, maar het had erger kunnen zijn. Een gebroken kaak leidt menigmaal tot langdurig herstel en/of een operatieve ingreep. 4.3 Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Verdachte verkeerde in zodanige (psychische) toestand dat hij geen opzet heeft gehad. Mocht de rechtbank dit verweer verwerpen, dan heeft de raadsman ten aanzien van zaak B vrijspraak bepleit van alle onderdelen van de tenlastelegging die zien op [naam 3] . Er is geen botsing geweest tussen de auto van verdachte en die van [naam 3] . Ook kan niet worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de aanrijding met de Fiat Panda van [naam 1] heeft veroorzaakt, nu niemand deze aanrijding heeft gezien. Ten aanzien van zaak A heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, poging tot zware mishandeling. Eén klap is onvoldoende om het opzet op zwaar lichamelijk letsel aan te nemen, ook in voorwaardelijke vorm. 4.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal allereerst in een algemene alinea het verweer van de raadsman bespreken, omdat dit ziet op alle ten laste gelegde feiten, en zal vervolgens de ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde bespreken. 4.4.1 Opzet gelet op (psychische) toestand verdachte? Uit het Pro Justitia rapport van 20 mei 2020, opgemaakt door psychiater J. Neeleman, blijkt onder meer dat verdachte zich op 2 maart 2020 in een opgejaagde en uitgeputte toestand bevond en dat hij geen geld had. Volgens de psychiater was sprake van een manische dan wel schizomane psychose. Verdachte voelde dat hij naar [naam 4] , zijn mentor in 2018 gedurende zijn opname in Haarlem, moest en snel ook, want het ging niet goed en hij had dringend hulp nodig. Zodoende bevond verdachte zich op de snelweg tussen Amsterdam en Haarlem. Het verkeer reed te langzaam en daarom jakkerde verdachte met grote snelheid over de vluchtstrook om op tijd bij [naam 4] te komen. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een verweer, dat (samengevat) inhoudt dat het tenlastegelegde niet opzettelijk is begaan gelet op de toestand waarin verdachte verkeerde, slechts kan slagen indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. De vaststelling dat verdachte de vrijheid niet had om zijn wil te bepalen en keuzes te maken, betekent nog niet dat bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Dat verdachte gedurende de psychose ontoerekeningsvatbaar was, sluit evenmin uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er, gelet op de gedragingen van verdachte en zijn drijfveer om zo snel mogelijk bij [naam 4] te komen, voor worden gehouden dat een zodanig uitzonderlijk geval zich niet heeft voorgedaan. 4.4.2 Bespreking tenlasteleggingen Zaak B Uit het dossier volgt dat het verdachte is geweest die op 2 maart 2020 de witte Renault Twingo met Frans kenteken [nummer 4] bestuurde. 4.4.2.1 Gedeeltelijke vrijspraak feit 1 De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op [naam 3] . [naam 3] heeft verklaard dat de witte auto in een flits haar auto passeerde en dat daarna de achterruit van haar auto stuk ging. De auto zag zij niet meer. [naam 3] hoorde dat de bestuurder van de betreffende auto, verdachte, was aangehouden. Hoewel het aannemelijk is dat de achterruit van de auto van [naam 3] is gesprongen als gevolg van de snelheid waarmee danwel wijze waarop verdachte haar auto passeerde, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [naam 3] schade of letsel was toegebracht. De voertuigen hadden elkaar immers niet geraakt en niet duidelijk is of verdachte kon horen dat de achterruit van de auto van [naam 3] was gesprongen. 4.4.2 Bewezenverklaring feit 1 Voor het overige vindt de rechtbank bewezen dat verdachte als bestuurder betrokken is geweest bij meerdere verkeersongevallen en dat hij de plaats van deze ongevallen heeft verlaten. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat zij via haar binnenspiegel een witte auto met hoge snelheid over de vluchtstrook aan zag komen rijden en dat zij toen een grijze auto achter haar zag slingeren. Hierna schoot de witte auto achter [naam 2] langs waarna zij een klap hoorde en de auto voelde schudden. De witte auto reed met hoge snelheid weg. Van een andere bestuurder vernam [naam 2] dat het een witte Renault Twingo betrof met een Frans kenteken. [naam 1] , bestuurder van een grijze Fiat Panda, heeft verklaard dat hij een klap hoorde en voelde en dat vervolgens zijn auto begon te draaien. Uit beide verklaringen leidt de rechtbank af dat het een kwestie van enkele seconden moet zijn geweest waarbinnen het voorgaande zich heeft afgespeeld. Gelet op dit korte tijdsbestek en het rijgedrag van verdachte kan het volgens de rechtbank niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die de verkeersongevallen met [naam 1] en [naam 2] heeft veroorzaakt. Dat het hierbij ging om de witte Renault Twingo van verdachte leidt de rechtbank mede af uit de verklaring van getuige [naam 6] . Zij heeft verklaard dat zij even na 16:50 uur een kleine witte auto met Frans kenteken op de vluchtstrook van de A9 zag staan, ongeveer een halve kilometer voor de splitsing met de A5. Naast de auto stond een man die aan het flippen was en drukke bewegingen maakte. Hij leek ruzie te hebben met iemand anders, maar was alleen. Hij stapte vervolgens in zijn auto en reed hard weg in de richting van de A5 naar Amsterdam. Bij de afrit van de A10 waar verdachte is aangehouden heeft [naam 6] een agent aangesproken, waarbij zij verklaarde getuige te zijn geweest van het rijgedrag van de auto van verdachte, die zij daarbij aanwees. [naam 1] en [naam 2] hebben verklaard dat zij een klap hoorden en dat hun auto schudde dan wel begon te draaien. Tezamen met de schade aan in elk geval de auto van [naam 1] had verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij een verkeersongeval had veroorzaakt. 4.4.3 Bewezenverklaring feit 2 De rechtbank moet beoordelen of verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.