beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht RK: 21/1899 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , [plaats] , woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, [kantooradres] , klager. 1De procesgang Het klaagschrift is op 6 april 2021 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. Gelet op de omstandigheden rondom het coronavirus heeft in onderhavige zaak geen raadkamerzitting plaatsgevonden. Zowel de officier van justitie, mr. P. van Laere, als de raadsman van klager, mr. Siccama, hebben per e-mail aangegeven dat een behandeling van het klaagschrift zonder zitting kan plaatsvinden en dat volstaan kan worden met een uitwisseling van schriftelijke standpunten per e-mail. De rechtbank heeft op 25 en 26 april 2021 per e-mail de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van klager ontvangen. 2De inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. De raadsman heeft in het klaagschrift – kort samengevat – naar voren gebracht dat klager zowel privé als voor zijn werk volledig afhankelijk is van zijn rijbewijs. Klager heeft onlangs gesolliciteerd als pakketbezorger. Als klager niet binnen afzienbare tijd over zijn rijbewijs beschikt, zal hij nog niet aan het werk kunnen. Daarnaast zal het dan voor klager ook lastiger worden om een andere baan te vinden. Verder moet klager zijn moeder, die hartpatiënt is, regelmatig naar het ziekenhuis brengen en is hij vaak de enige in het gezin die dat kan doen. Ook doet hij boodschappen voor het gezin. De raadsman heeft tot slot aangegeven dat hij het voorstel van de officier van justitie om het rijbewijs aan klager per 1 juni 2021 te retourneren redelijk vindt. 3Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er door klager op meerdere momenten een gevaarlijke verkeerssituatie is ontstaan. Er zijn volgens de officier van justitie geen ongelukken gebeurd, maar dat lag niet aan het gedrag van klager. De officier van justitie heeft verder aangegeven dat er nog geen zittingsdatum bekend is en dat er aan klager ook niet eerder een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (OBM) is opgelegd (alleen geldboetes). Voor de persoonlijke omstandigheden ziet de officier van justitie geen overtuigende bewijsstukken. De officier van justitie zou bij een inhoudelijke zitting een OBM van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk vorderen. Gelet op het voorgaande kan het klaagschrift volgens de officier van justitie daarom gedeeltelijk gegrond worden verklaard en het rijbewijs zou per 1 juni 2021 kunnen worden geretourneerd aan klager. 4De beoordeling Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 5 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.