← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:2549

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751925-19 RK nummer: 21/1190 Datum uitspraak: 18 mei 2021 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 maart 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 augustus 2019 door the Regional Court in Bydgoszcz, Criminal Division III (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 mei 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een decision of the District Court in Bydgoszcz van 28 juni 2019 to impose detention pending investigation for 14 days following the arrest (referentie: IV Kp 231/19). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel

  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid 4.1. Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 en 2 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 8, te weten: 1. deelneming aan een criminele organisatie en 8. fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Volgens de in rubriek
  2. c)van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 4.2. Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van verduistering. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47 en 321 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, Criminal Division III (Polen). Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en D.P. Hein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2021. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.