← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2021:2732

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/728003-16 (Promis) Datum uitspraak: 31 mei 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 juli 2018, 25 september 2018, 12 december 2018, 27 februari 2019, 23 mei 2019, 7 augustus 2019, 9 oktober 2019, 16 december 2019, 12 februari 2020, 15 april 2020, 2 juni 2020, 18 augustus 2020, 14 oktober 2020, 15 december 2020, 8 maart 2021, 9 maart 2021, 10 maart 2021, 15 maart 2021, 17 maart 2021, 18 maart 2021 en 31 mei 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. [officier van justitie 1] en mr. [officier van justitie 2] (hierna: officier van justitie), en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. L.J.G.B. van Kleef naar voren hebben gebracht. 2De tenlastelegging Verdachte wordt – na wijzigingen van de tenlastelegging – kort weergegeven – beschuldigd van: 1. Deelname als leider aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten (gewoonte)witwassen, bezit van (vuur)wapens en munitie en moord in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 (artikel 140 Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr); en/of Deelname als leider aan een criminele organisatie met als oogmerk het voorbereiden/bevorderen van drugshandel in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 (artikel 11b Opiumwet, hierna: Ow); 2. Medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 (artikelen 420ter, 420bis, 420quater Sr); 3. Medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie op 5 juli 2016 (Wet wapens en munitie). Voor zover in het onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde criminele organisatie met als oogmerk het voorbereiden en/of bevorderen van drugshandel is verwezen naar het vierde of vijfde lid van artikel 10A Ow, beschouwt de rechtbank dat als een kennelijke verschrijving nu artikel 10A Ow geen vierde en vijfde heeft en niet is gebleken dat het voor verdachte niet duidelijk was dat het vierde en vijfde lid van artikel 10 Ow werd bedoeld. De rechtbank zal deze kennelijke verschrijving verbeterd lezen. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt van dit vonnis deel uit. 3Voorvragen 3.1. Geldigheid dagvaarding Het verweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 partieel nietig is, namelijk voor wat betreft het onderdeel “luxe goederen, te weten (onder andere) een of meer (exclusieve) horloges”. Volgens de verdediging is de tenlastelegging ten aanzien van dat onderdeel onvoldoende bepaald, nu niet duidelijk is om welke goederen dan wel horloges het gaat. In de tenlastelegging had per tenlastegelegd horloge een concrete beschrijving of vindplaats moeten worden opgenomen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat het verweer tardief is, nu geen bezwaar is gemaakt toen de wijziging van de tenlastelegging werd gevorderd. Subsidiair stelt het Openbaar Ministerie dat voldoende duidelijk is om welke horloges het gaat. Verdachte is immers uitgebreid over de horloges bevraagd en in het requisitoir is duidelijk uiteengezet om welke horloges het gaat. Bovendien worden de specifieke merken van de horloges in de tenlastelegging opgesomd en gaat het om een hoeveelheid horloges die te overzien is. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is allereerst van oordeel dat het verweer van de verdediging niet tardief is. Het staat de verdediging vrij om bij de inhoudelijke behandeling de geldigheid van de dagvaarding ter discussie te stellen, ook als eerder geen bezwaar is gemaakt tegen een wijziging van die tenlastelegging. De verdediging heeft aangevoerd dat niet voldoende duidelijk is waartegen zij zich wat betreft de luxegoederen en horloges moet verdedigen. Bij de beantwoording van de vraag of de tenlastelegging op dit punt voldoende feitelijk en duidelijk is, moet niet alleen worden gekeken naar de letterlijke tekst van de tenlastelegging, maar moet deze mede worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier. De rechtbank overweegt dat in de tenlastelegging de merken van de horloges waar de verdenking van witwassen (mede) op ziet, limitatief zijn opgesomd. Daar komt bij dat uit het dossier is af te leiden op welke plaatsen er horloges, certificaten en doosjes zijn aangetroffen. De hoeveelheid horloges is bovendien te overzien. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – voor wat betreft de horloges voldoende feitelijk en duidelijk is en dat het voor verdachte voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging in zoverre verworpen. Voor zover in de tenlastelegging met de woorden “onder andere” wordt gedoeld op andere luxegoederen dan horloges, is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging partieel nietig moet worden verklaard nu de tenlastelegging op dit punt onvoldoende feitelijk en duidelijk is. Er is op geen enkele wijze geduid welke goederen bedoeld worden. Nu de dagvaarding anderszins voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), is de dagvaarding voor het overige geldig. 3.2. Ontvankelijkheid officier van justitie of bewijsuitsluiting 3.2.1. Specialiteitsbeginsel De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte, blijkens de tekst van de uitleveringsbeslissing van de Chileense Hoge Raad van 15 januari 2018, door Chili niet is uitgeleverd voor het leiding geven aan een criminele organisatie. Op grond van het specialiteitsbeginsel mag verdachte daarvoor nu niet vervolgd worden. In zoverre is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. De officier van justitie is het daarmee niet eens. Uit de stukken die tot de uitlevering hebben geleid, zoals het aanhoudingsbevel en het uitleveringsverzoek, blijkt dat de uitlevering werd verzocht voor het geven van leiding aan een criminele organisatie. Dat is in die stukken met zoveel woorden vermeld. Dat de uitlevering mede is toegestaan voor leiding geven volgt ook uit de omstandigheid dat artikel 140, derde lid, Sr gaat over het leiding geven aan zo’n organisatie. Dit artikel is in het geheel ten grondslag gelegd aan het uitleveringsverzoek en vormde daarmee de basis voor de toestemming om verdachte uit te leveren. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank stelt vast dat in de Chileense uitleveringsbeslissing inderdaad niet expliciet wordt overwogen dat de uitlevering wordt toegestaan voor het leiding geven aan een criminele organisatie. Er wordt toestemming gegeven voor de uitlevering om te vervolgen voor “toebehoren aan een criminele organisatie”. Anders dan de raadsman betoogt, volgt hieruit niet dat geen toestemming werd verleend voor vervolgen voor leiding geven aan een criminele organisatie. Daarvoor is om te beginnen van belang dat uit het uitleveringsverzoek blijkt dat verdachte in Nederland zal worden vervolgd voor het leiderschap van een criminele organisatie. De Chileense autoriteit wist dus dat vervolging van leiderschap gevraagd was. De uitleveringsbeslissing houdt geen expliciete of impliciete afwijzing in van de verzochte uitlevering voor leiding geven, terwijl (taalkundig of juridisch) ook niet kan worden volgehouden dat toebehoren aan een criminele organisatie het leiding geven daaraan zou uitsluiten. Leiding geven aan een criminele organisatie is ook een vorm van toebehoren daaraan en behoefde gezien het verzoek geen afzonderlijke expliciete toewijzing. Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de uitleveringsbeslissing de vervolging daarvoor ook toestond. Voorwaardelijk verzoek Volgens de verdediging zou er tijdens de uitleveringszitting in Chili discussie zijn geweest over de vraag of verdachte zou mogen worden uitgeleverd voor het leidinggeven aan een criminele organisatie. De verdediging heeft daarom voorwaardelijk verzocht om aanhouding van de zaak teneinde de geluidsbestanden van de uitleveringszitting uit te laten werken. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat zij de uitwerking van de geluidsbanden – gelet op de uitleveringsbeslissing en de uitleg die zij daaraan geeft – niet noodzakelijk acht. 3.2.2. Vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek De verdediging heeft bepleit dat er in het voorbereidend onderzoek meerdere onherstelbare vormverzuimen hebben plaatsgevonden. Om die reden moet volgens de verdediging de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel moet bewijsuitsluiting volgen van het onrechtmatig verkregen bewijs. De verweren spitsen zich toe op de volgende onderwerpen: I. Ennetcom-data en de 13Orinus-dataset; II. Rechtmatigheid verleende machtiging ex artikel 126l Sv; III. Sending order. I. Ennetcom-data en de 13Orinus-dataset Inleiding Het procesdossier bevat een grote hoeveelheid berichten die verstuurd zijn met zogeheten Pretty Good Privacy telefoons (hierna: PGP-telefoons). PGP-telefoons zijn telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Deze berichten zijn afkomstig van in beslag genomen PGP-telefoons en van (onder andere) servers van Ennetcom. Ennetcom is een Nederlands bedrijf dat diensten leverde op het gebied van versleutelde communicatie: met telefoontoestellen voorzien van specifieke software konden via emailadressen versleutelde berichten worden verzonden, waardoor de gebruikers van de telefoons en emailadressen (schijnbaar) anoniem konden communiceren met elkaar. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de servers van Ennetcom in Canada. In april 2016 zijn – na een rechtshulpverzoek van Nederland aan de Canadese autoriteiten – de gegevens (data) op de servers van Ennetcom veiliggesteld. Het rechtshulpverzoek had betrekking op vier lopende strafrechtelijke onderzoeken (26Koper, 13Rooibos, 13Rendlia en 26DeVink). Op 19 september 2016 heeft de Superior Court of Justice in Canada (hierna: de Canadese rechter) beslist dat de bij Ennetcom in beslag genomen gegevens weliswaar aan Nederland mochten worden verstrekt, maar dat de gegevens alleen in de vier voormelde onderzoeken mochten worden gebruikt. Omdat de Canadese rechter voorzag dat ook bij andere Nederlandse opsporingsonderzoeken interesse zou kunnen bestaan in de Ennetcom-data, heeft de Canadese rechter bepaald dat – voor toegang tot de Ennetcom-data in andere dan de vier genoemde onderzoeken – een Nederlandse rechter van te voren een machtiging moet afgeven. De Canadese rechter wilde daarmee voorkomen dat de Nederlandse autoriteiten een ‘fishing expedition’ zouden gaan uitvoeren in de grote hoeveelheid Ennetcom-data, en met de eis van een machtiging de rechten van derden beschermen. Inmiddels is in meerdere andere strafrechtelijke onderzoeken door een rechter-commissaris aan de officier van justitie machtiging verleend op grond van artikel 126ng Sv, om aan de Ennetcom-data onderzoek te verrichten. Op grond van artikel 126ng Sv kunnen – na machtiging door een rechter-commissaris – identificerende- en inhoudsgegevens door een officier van justitie van een telecomaanbieder worden gevorderd. Dit kan alleen bij verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Ook in het onderhavige onderzoek, 13Orinus, heeft de officier van justitie op grond van 126ng Sv aan de rechter-commissaris een machtiging verzocht om onderzoek te verrichten aan de Ennetcom-data. Bij beschikking van 12 april 2018 heeft de rechter-commissaris de machtiging verleend, waarna het onderzoeksteam 13Orinus een zoekslag is gestart in de Ennetcom-data. Op 12 juli 2019 is door de rechter-commissaris een machtiging verleend voor een tweede zoekslag. A. Ten aanzien van de eerste zoekslag Het verweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie aan de vordering 126ng, tweede lid, Sv om onderzoek te mogen doen in de Ennetcom-data ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat – kort gezegd – sprake zou zijn van verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Immers, in de onderbouwing van de vordering is vermeld dat het onderzoek 13Orinus een onderzoek zou betreffen naar “een criminele organisatie welke tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties (moord c.q. doodslag), (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen en witwassen”, terwijl verdachte op dat moment in voorlopige hechtenis zat op grond van verdenking van deelname aan een criminele organisatie, witwassen, wapenbezit en leider van een criminele organisatie die drugsfeiten zou voorbereiden. Verdachte zat op dat moment niet in voorlopige hechtenis op grond van verdenking van deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk moord. Ook is betrokkenheid bij grootschalige invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen niet tenlastegelegd. Er was dus op dat moment geen verdenking die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverde. Vervolgens heeft de rechter-commissaris de vordering op 12 april 2018 toegewezen met de onderbouwing dat het een onderzoek betreft naar onder meer “een criminele organisatie welke tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties (moord c.q. doodslag), (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen en witwassen. Dergelijke feiten leveren een ernstige inbreuk op de rechtsorde op”. Ook ten tijde van het verlenen van de machtiging door de rechter-commissaris bestond er echter geen verdenking die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverde. De rechter-commissaris wist – of had moeten weten – dat de vordering van de officier van justitie was onderbouwd met onjuiste informatie. De rechter-commissaris heeft de informatie in de vordering kennelijk niet gecontroleerd. Bij zowel het Openbaar Ministerie als bij de rechter-commissaris was sprake van tunnelvisie die geleid heeft tot een schending van artikel 126ng, tweede lid, Sv waardoor de machtiging van de rechter-commissaris onrechtmatig is verleend. Zodoende hebben de officier van justitie en de rechter-commissaris niet conform de door de Canadese rechter geformuleerde waarborgen gehandeld om ‘fishing expeditions’ te voorkomen en derden te beschermen tegen onrechtmatige toegang tot de Ennetcom-data. Er is sprake van onherstelbaar vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Om die reden moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, of alles wat (in)direct is verkregen als gevolg van de onrechtmatige machtiging van het bewijs worden uitgesloten. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat er vanaf het begin van het onderzoek een verdenking bestond dat verdachte zich bezighield met de handel en import van cocaïne en dat de criminele organisatie van verdachte als oogmerk moord had. Deze verdenking is vanaf het begin van het onderzoek in zowel vorderingen en bevelen als in het Internationaal Arrestatiebevel genoemd. Daarnaast is in de eerste vordering op grond van artikel 126ng Sv – met bijbehorend plan van aanpak – duidelijk omschreven waarop de verdenking van moord was gebaseerd, namelijk op TCI-informatie en op de bevindingen binnen het onderzoek die leidden tot de vondsten van wapens in de Volvo, in de woning van verdachte en bij leden van zijn criminele organisatie. Bovendien is het criterium voor het toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden – waaronder een vordering bij de rechter-commissaris ex artikel 126ng, tweede lid, Sv – niet slechts gelegen in verdenking voor de feiten waarvoor een verdachte op dat moment in voorlopige hechtenis verblijft. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 126ng, tweede lid, Sv bepaalde gegevens, zoals emailberichten, die zijn opgeslagen bij een internetaanbieder kunnen worden opgevraagd 1) indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert en 2) in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het gaat daarbij om een verdenking in de zin van artikel 27, eerste lid, Sv, te weten een – uit feiten en omstandigheden voortvloeiend – redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Dat is dus een ander – minder zwaar – criterium dan de ernstige bezwaren die worden vereist voor een bevel tot voorlopige hechtenis. In de vordering ex artikel 126ng, tweede lid, Sv van de officier van justitie van 4 april 2018 zijn bevindingen uit het onderzoek 13Orinus opgenomen die aanleiding hebben gegeven voor de vordering. Kort samengevat gaat het ten aanzien van de verdenking van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van liquidaties en (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen om onder meer de volgende onderzoeksbevindingen: Een melding van Meld Misdaad Anoniem van 23 september 2015: “Internationaal cocaïne transport. De msc katya r. is op 6 september jl. vertrokken uit Ecuador. Aankomst 24 of 25 september op ddn msc Delta in Rotterdam. Het betreft een droge container met cocaïne. De zender is [verdachte] geboren op [geboortedag] 1975”; Een TNI-melding waarin werd aangegeven dat op voornoemd schip cocaïne aanwezig zou zijn bestemd voor de groep [naam 1] en [verdachte] ; Op 27 september 2015 is op het schip MSC KATYA R in de Rotterdamse haven 440 kilogram cocaïne aangetroffen; Verdachte en [naam 2] zijn gezamenlijk gecontroleerd op 2 december 2015 in Frankrijk, toen zij in een voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] en [kenteken] reden; Op 18 december 2015 werd door het TCI de volgende melding verstrekt: “ [naam 3] heeft een aantal Joegoslavische ex-militairen geregeld, die nog voor Oud en Nieuw liquidaties gaan uitvoeren. [verdachte] heeft opdracht gegeven voor deze liquidaties. [naam 4] regelt een onderkomen voor de Joegoslaven. [naam 5] en [naam 2] zullen de Joegoslaven faciliteren. De beoogde slachtoffers behoren tot de groep van wijlen [naam 6] en betreffen diens broer [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12]”; Uit OVC-opnames uit de bij [naam 2] in gebruik zijnde Volvo blijkt dat verdachte betrokken is bij het aansturen van ‘missies’ en dat voor deze ‘missies’ gebruik wordt gemaakt van voornoemde Volvo door leden van de organisatie, waaronder [naam 13] ; In de Volvo zijn op 5 juli 2016 in een verborgen ruimte twee vuurwapens en munitie aangetroffen; In de woning van [naam 13] zijn op 5 juli 2016 een wapen en patronen aangetroffen; Uit de bakengegevens van de Volvo blijkt dat onder meer [naam 2] regelmatig een bezoek brengt aan het bedrijf [bedrijf 1] . Uit gevoerde tapgesprekken en OVC-gesprekken blijkt dat [bedrijf 1] ‘het kantoor’ wordt genoemd. [bedrijf 1] is het bedrijf van de zus en zwager van verdachte; In het bedrijf [bedrijf 1] is een doosje met vijftig 6,35 Browning patronen aangetroffen; In de woning aan de [adres] – waar verdachte tot 30 november 2007 stond ingeschreven en waarvan poststukken in de woning en auto van [naam 13] zijn aangetroffen – zijn patronen gevonden; In deze woning aan de [adres] is ook – verstopt in de toiletruimte – een krant aangetroffen met een artikel over de vondst van een grote hoeveelheid verdovende middelen op een boot alsmede papieren bescheiden met daarop berekeningen met grote geldbedragen en boten en onderschepte ladingen cocaïne die door middel van grote vrachtschepen vanuit Zuid-Amerika naar Nederland werden verscheept; In een opslagbox bij opslagbedrijf ‘ [opslagbedrijf] ’ zijn tussen spullen van verdachte notities aangetroffen, waaronder een notitie met daarop een lijst van chemicaliën met hoeveelheden. De vermelde chemicaliën zijn zeer geschikt voor het terugwinnen van cocaïnebase uit binnen gesmokkeld waar. Gezien de verhoudingen gaat het volgens de LFO-expert om het terugwinnen en vervolgens kristalliseren van maximaal enkele honderden tot 900 kilo aan cocaïne-HCL. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich schuldig maakte aan deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van liquidaties (moord c.q. doodslag) en (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen. De stelling van de verdediging dat er door het Openbaar Ministerie een verdenking is gepresenteerd die niet bestond en dat er bij het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris sprake was van tunnelvisie, wordt dan ook niet door de feiten geschraagd. De rechtbank concludeert dat de rechter-commissaris in redelijkheid de machtiging ex artikel 126ng, tweede lid, Sv heeft kunnen verlenen. Dat verdachte op dat moment niet ook voor deze feiten in voorlopige hechtenis zat, maakt dat oordeel niet anders nu de toets voor het mogen toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals artikel 126ng, tweede lid, Sv en het kunnen bevelen van de voorlopige hechtenis, niet dezelfde is. Ten aanzien van de tweede zoekslag Het verweer van de verdediging Alle Ennetcom-data die door de tweede zoekslag zijn verkregen moeten volgens de verdediging worden uitgesloten van het bewijs wegens onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat de onrechtmatigheid van de eerste zoekslag ook de tweede zoekslag heeft besmet. Daarnaast is er in strijd gehandeld met de bedoeling van de Canadese rechter, omdat de omvang van deze zoekslag veel te omvangrijk (664.000 adressen) en onvoldoende begrensd was. Artikel 126ng, tweede lid, Sv schrijft voor dat gegevens kunnen worden gevorderd voor zover deze klaarblijkelijk van verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. De machtiging ging echter veel verder dan dat. Het toezicht van de rechter-commissaris schoot volgens de verdediging daarbij tekort. Verder is volgens de verdediging gehandeld in strijd met het recht op privacy zoals beschermd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat door het afgeven van de beschikking niet is voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De schending is aanzienlijk. Gebruik van de Ennetcom-data voor het bewijs leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bepaald in artikel 6 EVRM, omdat de schending van artikel 8 EVRM ten grondslag heeft gelegen aan het verkrijgen van het bewijs, terwijl dit bewijs de basis en het kernbewijsmateriaal vormt voor de verdenkingen tegen verdachte. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft bestreden dat er sprake was van een ‘fishing expedition’. De hoeveelheid onderzochte PGP-accounts is aanzienlijk kleiner dan door de raadsman gesteld, namelijk ongeveer 2.000 accounts. De rechter-commissaris heeft wel toezicht gehouden op het onderzoek in de Ennetcom-data, onder meer door het toetsen van de plannen van aanpak, waarin door het Openbaar Ministerie werd onderbouwd welke accounts en/of zoektermen relevant werden geacht. Verder is de raadsman in de gelegenheid gesteld om alle onderzochte data bij het NFI te bekijken en te controleren en zijn alle in het dossier opgenomen PGP-lijnen volledig aan hem verstrekt. Ook zijn de artikelen 6 en 8 EVRM niet geschonden. Juist om de rechten van andere Ennetcom-gebruikers te beschermen heeft de Canadese rechter restricties gesteld aan de toegankelijkheid van de Ennetcom-data. Ook biedt artikel 126ng, tweede lid, Sv wel degelijk basis voor de bevraging, omdat die bevraging juist valt onder alle varianten van dit artikel. Het oordeel van de rechtbank Artikel 126ng, tweede lid, Sv bepaalt dat slechts van een communicatiedienst gegevens kunnen worden gevorderd voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit zijn gepleegd. De rechtbank overweegt dat in de rechtspraak al eerder is goedgekeurd dat een vordering om in de Ennetcom-data te zoeken wordt gebaseerd op artikel 126ng, tweede lid, Sv (zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 14 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2504, r.o. 6.4.1 en de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 26 juni 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2833). Deze rechtbank ziet geen reden om daar in deze zaak anders over te oordelen. De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de eerste zoekslag dat uit de beschikking van de rechter-commissaris van 12 april 2018 blijkt dat de rechter-commissaris vond dat in de vordering van 4 april 2018 voldoende was onderbouwd dat de gevraagde emailadressen door (onder meer) verdachte en zijn contacten werden gebruikt en dat PGP-berichtenverkeer tussen verdachten in het teken van de verdenking hoogstwaarschijnlijk was. De rechter-commissaris heeft daarbij bepaald dat het onderzoek alleen mocht worden verricht aan de hand van de vooraf door de rechter-commissaris goedgekeurde zoektermen en/of -handelingen. Deze zoektermen en/of -handelingen zijn beschreven in het bij de vordering van de officier van justitie gevoegde plan van aanpak en betreffen de inhoud van specifiek omschreven emailadressen en telefoontoestellen (Kader A) en eventuele toestellen en emailadressen die daarmee direct in contact stonden (Kader B). Daaronder worden begrepen de emailadressen die voorkomen in de contactlijsten van de genoemde toestellen en emailadressen. De rechter-commissaris heeft voorts bepaald dat voor personen en/of contacten die in een verder verwijderd verband staan, afzonderlijk – eventueel in een aanvulling op het initiële plan van aanpak – zal moeten worden gemotiveerd dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat het gaat om gegevens die klaarblijkelijk van verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit zijn gepleegd. Vervolgens heeft de officier van justitie op 8 juli 2019 aan de rechter-commissaris een aanvulling van het plan van aanpak overgelegd en daarmee verzocht om een uitbreiding van de toegestane zoektermen en/of handelingen in de Ennetcom-data. De aanvulling hield allereerst een uitbreiding in van Kader A, waarbij werd verzocht om ook onderzoek te mogen verrichten naar de inhoud van 67 emailadressen die inmiddels waren geïdentificeerd van de 14 personen die onder Kader A vielen alsmede 16 emailadressen van verdachte. Voorts werd verzocht om de inhoud van alle mailbox-accounts waarmee de emailadressen van Kader A in contact staan (Kader B). Daarnaast werd toestemming verzocht om alle adresboeken en opgeslagen bijnamen van Kader C en D op te vragen. Tot slot werd toestemming verzocht om de gegevens op te vragen van de adresboeken van personen die uit Kader D inzichtelijk werden (Kader E). Bij e-mailbericht van 12 juli 2019 heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven om de in de “aanvulling plan van aanpak” verzochte gegevens in de Ennetcom-data op te vragen. Uit het voorgaande volgt allereerst dat het door de rechter-commissaris toegestane onderzoek in de Ennetcom-data wel degelijk in omvang is beperkt. De rechter-commissaris heeft het onderzoek in de Ennetcom-data geclausuleerd door alleen toestemming te geven voor de verzochte kaders A tot en met E. Van een onbeperkte toegang tot de Ennetcom-data was dan ook geen sprake. De rechtbank overweegt voorts dat – anders dan de verdediging heeft gesteld – alleen de inhoud van de mailbox-accounts van kader A en B inzichtelijk zijn gemaakt en niet ook die van kaders C, D en E. Van kader C zijn slechts de communicatie met kader B en de adresboeken en opgeslagen bijnamen verkregen. Van de kaders D en E zijn slechts de adresboeken en opgeslagen bijnamen verkregen. Dat er daarmee sprake is van een ‘fishing expedition’ doordat de inhoud van 664.000 PGP-adressen is verkregen, is dan ook niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit ook niet dat méér inhoudelijke gegevens zijn gevorderd dan de gegevens die klaarblijkelijk van verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldaan aan de vereisten van artikel 126ng, tweede lid, Sv en heeft de rechter-commissaris in alle redelijkheid – op basis van het plan van aanpak alsmede de aanvulling daarop – de machtiging tot het verrichten van onderzoek aan de Ennetcom-data kunnen verlenen. De rechter-commissaris heeft er in voldoende mate toezicht op gehouden dat er geen sprake was van een ‘fishing expedition’, omdat zij het onderzoek in de Ennetcom-data telkens heeft beperkt en het Openbaar Ministerie steeds aanvullende toestemming moest vragen voor verder onderzoek. De werkwijze valt binnen de waarborgen die de Canadese rechter formuleerde en is daarmee niet in strijd. Nu voorafgaand aan en tijdens het zoeken in de data rechterlijk toezicht daarop is geweest, de zoekslagen niet onbegrensd zijn geweest, daar een wettelijke basis voor was en het onderzoek noodzakelijk was in een democratische samenleving in het belang van onder meer de openbare veiligheid is geen sprake van een schending als bedoeld in lid 2 van artikel 8 EVRM en daarmee is artikel 6 EVRM evenmin geschonden. De verweren van de raadsman worden verworpen. II. Rechtmatigheid verleende machtiging ex artikel 126l Sv Het verweer van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie ex artikel 126l Sv heeft kunnen geven, omdat niet met feiten en omstandigheden is onderbouwd dat er sprake was van een verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De onderzoeken 13Kust en 13Luxing hadden immers niets opgeleverd. De afgegeven machtiging is dan ook onrechtmatig verleend. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en moeten de OVC-opnames van het bewijs worden uitgesloten. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat er wel degelijk voldoende onderbouwing is gegeven in de vordering ex artikel 126l Sv. Zij heeft daartoe gewezen op de bevindingen ten aanzien van de Volvo, de waargenomen overdracht van een rugtas, de bevindingen van doorzoekingen in 13Kust en 13Luxing en de koppeling van verdachte aan liquidaties vanuit TCI-informatie. Ook de feitelijkheden in de onderzoeken 13Kust en 13Luxing zijn – in tegenstelling tot wat de raadsman stelt – in de vordering opgenomen. Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 126l Sv kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel. Het moet dan gaan om de verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat – kort gezegd – een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De bevoegdheid mag daarnaast pas worden toegepast indien het onderzoek dit dringend vordert, waarmee de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit tot uitdrukking worden gebracht. Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend, maar dat de rechter-commissaris tevoren een schriftelijke machtiging moet hebben verstrekt. De rechtbank moet beoordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van die machtiging heeft kunnen beslissen. Bij vordering van 12 januari 2016 heeft de officier van justitie aan de rechter-commissaris verzocht om vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel te mogen opnemen in een Volvo met kentekennummer [kenteken] . Deze Volvo was bij [naam 2] in gebruik. Aan de vordering lag een proces-verbaal van verdenking ten aanzien van [naam 2] (documentnummer 6057820) ten grondslag, waarin is onderbouwd dat [naam 2] is aan te merken als verdachte met betrekking tot witwassen, handel in verdovende middelen en als medeplichtige in het kader van voorbereidingshandelingen tot het plegen van liquidaties. In voornoemd proces-verbaal staan onder meer de volgende onderzoeksbevindingen: In januari 2015 is TCI-informatie ontvangen, waarin staat vermeld dat verdachte opdrachtgever is van de liquidatie van [naam 6] ; [naam 2] was aanwezig op de plaats delict van de liquidatie van [naam 14] op 27 december 2014; Opsporingsambtenaren hebben tijdens een zaalvoetbalwedstrijd waargenomen dat [naam 2] op 15 april 2015 door [naam 15] aan het publiek werd voorgesteld als ‘de manager, de man van het geld’; Op 11 oktober 2015 zijn meerdere koffers op een hotelkamer van het Van der Valk hotel te Breukelen achtergelaten. De kamer was geboekt onder de naam [naam 2] . In de koffer bevond zich een iPad, waarbij het account was gekoppeld aan een e-mailadres van verdachte; [naam 2] is op 7 december 2015 waargenomen met [naam 16] . Uit het onderzoek 13Donder blijkt dat [naam 16] gebruik maakt van een voertuig (BMW 5-serie met kenteken [kenteken] ) dat vermoedelijk gebruikt is bij een aanslag op de woning van [naam 17] (beheerder van de website [website] ). [naam 16] behoort tot de [groep] : een grote groep personen die zich bezig houden met het uitvoeren van geweldsdelicten en mogelijk liquidaties; Op 2 december 2015 zijn [naam 2] en verdachte bij een verkeerscontrole in Frankrijk gecontroleerd. [naam 2] reed op dat moment in een voertuig met kenteken [kenteken] , terwijl verdachte reed in een voertuig waarvan het kenteken met één cijfer verschilt van voornoemde kenteken, te weten [kenteken] . De voertuigen staan op naam van het autoverhuurbedrijf [bedrijf 3] Automobile Gmbh. Op naam van dit bedrijf staan meerdere extreem luxe voertuigen; Op 18 december 2015 werd door het TCI de volgende melding verstrekt: “ [naam 3] heeft een aantal Joegoslavische ex-militairen geregeld, die nog voor Oud en Nieuw liquidaties gaan uitvoeren. [verdachte] heeft opdracht gegeven voor deze liquidaties. [naam 4] regelt een onderkomen voor de Joegoslaven. [naam 5] en [naam 2] zullen de Joegoslaven faciliteren. De beoogde slachtoffers behoren tot de groep van wijlen [naam 6] en betreffen diens broer [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12]”. De verstrekte informatie kan als betrouwbaar worden aangemerkt; In oktober 2015 is TCI-informatie binnengekomen over een dreiging op het leven van [verdachte] ; Op 23 september 2015 werd de volgende Bel-M melding gedaan: “Internationaal cocaïne transport. De msc katya r. is op 6 september jl. vertrokken uit Ecuador. Aankomst 24 of 25 september op ddn msc in Rotterdam. Het betreft een droge container met cocaïne. De zender is [verdachte] geboren op [geboortedag] 1975”. In de vordering ex artikel 126l Sv is voorts opgenomen dat uit onderzoeksbevindingen is gebleken dat [naam 2] op 10 januari 2016 in de Volvo zit en kennelijk op iemand wacht, waarna drie minuten later een onbekende persoon instapt die een gevulde rugtas in de Volvo achterlaat. In de vordering is geconcludeerd dat het aannemelijk is dat [naam 2] , dan wel andere personen, in de Volvo gesprekken voeren die zeer waardevol zijn voor het onderzoeksteam en dat het dan ook noodzakelijk is dat er zo spoedig mogelijk apparatuur wordt geplaatst in voornoemde auto ten bate van het opnemen van vertrouwelijke communicatie, teneinde de verdenkingen met betrekking tot [naam 2] nader te onderzoeken en bewijs te verzamelen. Gezien recente informatie dat [naam 2] een faciliterende rol zou hebben bij een nog te plegen liquidatie wil het onderzoeksteam zo snel mogelijk controle hebben op [naam 2] en de bij hem in gebruik zijnde voertuigen. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 13 januari 2016 een machtiging ex artikel 126l Sv met betrekking tot voornoemde Volvo afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat er op het moment dat de machtiging door de rechter-commissaris is verstrekt – op basis van de aan de vordering ten grondslag liggende onderzoeksbevindingen als hiervoor weergegeven – een redelijk vermoeden bestond dat [naam 2] betrokken was bij witwassen, handel in verdovende middelen en als medeplichtige in het kader van voorbereidingshandelingen tot het plegen van liquidaties. De rechter-commissaris heeft ook in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het onderzoek dringend vorderde dat vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in genoemde voertuig zou worden opgenomen. De rechtbank concludeert dan ook dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van de machtiging ex artikel 126l Sv heeft kunnen beslissen. Het verweer van de raadsman dat de machtiging onrechtmatig is verleend, wordt verworpen. III. Sending order van de Canadese rechter Het verweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat alle Ennetcom-data besmet en onbruikbaar zijn omdat niet kan worden uitgesloten dat er gebruik is gemaakt van specifiek door de Canadese rechter verboden bestanden. De raadsman heeft daarvoor gewezen op artikel 3 van de ‘sending order’ van de Canadese rechter dat ontbreekt in de Nederlandse vertaling. Dat artikel geldt echter wel. Omdat nu niet is na te gaan of er bepaalde berichten zijn uitgezonderd, zoals artikel 3 voorschrijft, of toch gebruikt zijn, mogen geen van de Ennetcom berichten worden gebruikt voor het bewijs. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat zij van de zaaksofficier van justitie in het onderzoek 26DeVink heeft vernomen dat laatstgenoemde over artikel 3 van de ‘sending order’ contact heeft opgenomen met de centrale autoriteit in Canada en dat daaruit naar voren kwam dat artikel 3 de e-mails betreft die op de Ennetcom servers binnenkwamen tussen het tijdstip dat de doorzoeking in Canada was aangevangen en het tijdstip dat het daadwerkelijk kopiëren van de data is begonnen. De servers moesten immers nog eerst gepauzeerd worden door de beheerder. Die e-mails beschouwt Canada als ‘stromende data’, vergelijkbaar met tapdata. Deze specifieke data zien slechts op een hele korte periode. Deze data komen dan ook niet voor in Hansken en zijn daarmee niet in de sub dataset van het onderzoek 13Orinus terecht gekomen. Het oordeel van de rechtbank In de ‘sending order’ van de Canadese rechter – waarin door de Canadese rechter voorwaarden zijn opgenomen voor onderzoek in de Ennetcom-data – is in artikel 3 opgenomen: “3. The following data may not be accessed, examined or used for any purpose: a. Undelivered mail residing in Microsoft Exchange mail queue (mail.que) databases, and any associated transaction log files; b. The files that comprise the undelivered mail queue from all of the mail servers seized (listed and attached as Appendix “A” to this order).” De rechtbank stelt allereerst vast dat in de vertaling waarover de rechtbank beschikt artikel 3 niet is opgenomen. Dit betekent uiteraard niet dat artikel 3 niet van toepassing zou zijn. De officier van justitie heeft gesteld dat artikel 3 ziet op de PGP-berichten die op de Ennetcom servers binnenkwamen tussen het tijdstip dat de doorzoeking in Canada was aangevangen en het tijdstip dat het daadwerkelijke kopiëren is begonnen. Gelet op de tekst van artikel 3 lijkt dit een plausibele uitleg, zeker nu Nederland niet beschikt over berichten van ná 19 april 2016, zijnde de dag van de doorzoeking bij Ennetcom. Voor wat betreft de berichten van 19 april 2016 zal de rechtbank deze zekerheidshalve niet meenemen voor het bewijs, nu het tijdstip van de doorzoeking bij de rechtbank niet bekend is. Het verweer van de verdediging dat alle Ennetcom-data onbruikbaar zijn, wordt verworpen. Voorwaardelijk verzoek Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden teneinde de officier van justitie in het onderzoek 26DeVink en [naam eigenaar] - eigenaar van Ennetcom - te horen af. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht zodat zij aanhouding van de zaak niet noodzakelijk vindt. Eindconclusie rechtbank: De dagvaarding is partieel nietig en voor het overige geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding Het onderzoek 13Orinus is begin 2016 gestart naar aanleiding van waarnemingen in een ander onderzoek, genaamd 13Kust. Binnen dat onderzoek was er een TCI-melding binnengekomen van eind 2015, waarin stond vermeld: “ [naam 3] heeft een aantal Joegoslavische ex-militairen geregeld, die nog voor Oud en Nieuw liquidaties gaan uitvoeren. [verdachte] heeft opdracht gegeven voor deze liquidaties. [naam 4] regelt een onderkomen voor de Joegoslaven. [naam 5] en [naam 2] zullen de Joegoslaven faciliteren. De beoogde slachtoffers behoren tot de groep van wijlen [naam 6] en betreffen diens broer [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12]”. Naar aanleiding van deze TCI-melding is onderzoek verricht, waaruit uiteindelijk onvoldoende concrete aanwijzingen zijn gekomen die de informatie uit de TCI-melding bevestigden. Binnen dat onderzoek werd wel waargenomen dat [naam 2] gebruik maakte van een Volvo S60 met kenteken [kenteken] , terwijl deze Volvo niet op zijn naam geregistreerd stond en telkens bij de [adres] werd geparkeerd, een straat die ver verwijderd was van zijn woning. De Volvo bleek op naam te staan van [naam 18] , wonende op de [adres] . Dat adres ligt ook niet in de directe omgeving van de [adres] . Naar aanleiding van deze bevindingen ontstond de verdenking dat de Volvo werd gebruikt voor criminele doeleinden. Dat heeft geleid tot de start van het onderzoek 13Orinus. Binnen 13Orinus is onderzoek gedaan naar strafbare gedragingen van verdachte en een groep personen rond verdachte. Dit heeft geresulteerd in de verdenking dat deze groep, onder leiding van verdachte, gedurende langere tijd in georganiseerd verband het plegen van misdrijven heeft beoogd. Als specifieke doelen van de organisatie zijn in de tenlastelegging opgenomen: (gewoonte)witwassen, het bezit van (vuur)wapens en munitie, het plegen van moorden en/of het voorbereiden/bevorderen van drugshandel (feit 1). Het onderzoek heeft ook geresulteerd in de verdenking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2) en medeplegen van het bezit van (vuur)wapens en munitie (feit 3). Verdachte is op 20 oktober 2017 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten aangehouden in Chili. Op 21 maart 2018 is verdachte aangekomen in Nederland. Sindsdien bevindt hij zich in voorlopige hechtenis in de [detentieadres] . 4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd – overeenkomstig het schriftelijk requisitoir – dat verdachte leider is geweest van een criminele organisatie die zich bezighield met moorden, gewoontewitwassen, vuurwapenbezit en het voorbereiden/bevorderen van drugshandel (feit 1). Ook kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen van voertuigen, woningen, luxe goederen en geldbedragen ter hoogte van bijna € 12.000.000,- (feit 2). Tot slot heeft verdachte samen met anderen vuurwapens en munitie voorhanden gehad (feit 3). Volgens de officier van justitie kunnen dan ook alle tenlastegelegde feiten worden bewezen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie zal bij de inhoudelijke bespreking van de tenlastegelegde feiten uitgebreider aan bod komen (paragraaf 4.4.). 4.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit – overeenkomstig de schriftelijke pleitnota – dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ook de door de verdediging gevoerde verweren zullen uitgebreider aan de orde komen bij de inhoudelijke bespreking van de tenlastegelegde feiten (paragraaf 4.4.). 4.4. Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte leider is geweest van een criminele organisatie met als oogmerk gewoontewitwassen en een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van moorden (feit 1 eerste cumulatief/alternatief) en voorts dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2). De rechtbank baseert dit oordeel op de inhoud van de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank zal nader ingaan op wat zij bewezen acht in paragraaf 4.4.2. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich, al dan niet als leider, schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het voorbereiden/bevorderen van drugshandel (feit 1, tweede cumulatief/alternatief) en het, al dan niet als leider, deelnemen aan een criminele organisatie met vuurwapenbezit als oogmerk (feit 1, eerste cumulatief/alternatief). Evenmin ziet de rechtbank voldoende bewijs dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie (feit 3). Verdachte zal voor die feiten worden vrijgesproken. Deze vrijspraken zullen nader worden besproken onder paragraaf 4.4.3. Het bewijs in deze zaak is grotendeels gebaseerd op de inhoud van PGP-berichten. De verdediging heeft daartegen enkele verweren gevoerd die hieronder zullen worden besproken (paragraaf 4.4.1. onder A). De rechtbank zal daarna de PGP-adressen/-gebruikers en bijnaam van verdachte bespreken die de rechtbank voor het bewijs gebruikt en daarbij ingaan op de personen die de rechtbank aan andere PGP-adressen en bijnamen koppelt (paragraaf 4.4.1. onder B). 4.4.1. PGP-communicatie A. Verweer: artikel 344 lid 1 sub 5 Sv en PGP-berichten Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat informatie afkomstig uit de Ennetcom-data de status heeft van “andere geschriften” als bedoeld in artikel 344, eerste lid, Sv en slechts als bewijsmiddel kan gelden “in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen”. Voorts is de bewijskracht van de Ennetcom-data door de kwetsbaarheid en de manipuleerbaarheid zwakker dan “de bewijskracht die volgens de CAG bij het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2004 (ECLI:NL:PHR:2004:AO9193) aan door verbalisanten uitgewerkte tapverslagen kan worden toegerekend”. Dit speelt eens te meer, omdat de PGP-lijnen veelal niet compleet zijn (geen kop of staart hebben), er sprake kan zijn van desinformatie en de agenda’s van de gebruikers onduidelijk zijn. PGP-berichten kunnen dan ook alleen met behoedzaamheid en slechts als daar ander bewijsmateriaal – niet zijnde een ander PGP-bericht – naast bestaat, als bewijs worden gebruikt. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat niet terughoudend hoeft te worden omgegaan met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de inhoud van de Ennetcom-data vaak is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen waarin – naast de inhoud van de Ennetcom-data – ook andere feiten en omstandigheden zijn opgenomen. Het gaat dan niet meer om een schriftelijk bescheid, maar om een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Voorts heeft zij aangevoerd dat door de verdediging aangehaalde ‘unus-testis jurisprudentie’ niet van toepassing is, omdat het bij PGP-berichten gaat om de tekst van een e-mailwisseling. Zelfs als de gebruiker of gebruikers van deze telefoons niet bekend zijn geworden, dan nog is er geen sprake van een schriftelijk bescheid inhoudende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet is gebleken als bedoeld in artikel 344a, derde lid, Sv. Het oordeel van de rechtbank De schriftelijke PGP-berichten hebben bewijstechnisch de status van ‘een ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, Sv. Dit betekent dat de inhoud daarvan alleen als bewijs kan dienen als er ook ander bewijs is. Dat andere bewijs kan ook bestaan uit een ‘ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 Sv. In dit dossier bestaat het bewijs niet uitsluitend uit op zichzelf staande PGP-berichten, maar is er sprake van berichtenwisselingen tussen minimaal twee gebruikers van PGP-telefoons. Voorts geldt dat de inhoud van de PGP-berichten is beschreven in ambtsedige processen-verbaal waarin ook andere omstandigheden zijn beschreven die aan het bewijs bijdragen. Aan de eis van artikel 344 lid 1 sub 5 Sv is dan ook voldaan. Ook de rechtbank is van oordeel dat met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs behoedzaam moet worden omgegaan. Het betreffen onderschepte berichten die niet zijn opgesteld om te dienen als bewijs in een strafproces. Er zijn geen gebruikers die als getuige de vermeende inhoud van de berichten hebben bevestigd. In de berichten wordt verder soms versluierde taal gebruikt en het betreft gesprekken die plaatsvinden in een context die voor de gebruikers van de berichten bekend is, maar lang niet altijd voor een buitenstaander. Ook beschikt de rechtbank niet over het volledige berichtenverkeer. Een en ander impliceert dat een interpretatie vereist is om iets over de betekenis van de berichten te zeggen. De rechtbank is zich van dit alles bewust. Om deze redenen is voorzichtigheid geboden. Aan de andere kant is voor de bewijswaarde relevant dat personen die de encrypte berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden. Ook dat neemt de rechtbank in aanmerking. De enkele mogelijkheid dat PGP-berichten ook ‘desinformatie’ kunnen bevatten, maakt niet dat de bewijswaarde beperkt of nihil is. B. PGP-adressen/-gebruikers en bijnamen Het Openbaar Ministerie baseert een groot deel van de beschuldigingen op de inhoud van PGP-berichten die aan (onder meer) verdachte worden gekoppeld. Verdachte heeft niet willen verklaren of hij van specifieke PGP-adressen de gebruiker is en of bepaalde berichten door of naar hem zijn gestuurd. Ook heeft hij geen gerichte vragen willen beantwoorden over de inhoud/betekenis van de PGP-berichten. Verdachte heeft ter zitting ten aanzien van een aantal berichten slechts verklaard dat deze (tekstueel) anders zouden kunnen worden gelezen dan het Openbaar Ministerie dit doet. De rechtbank zal eerst beoordelen of kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is van door het Openbaar Ministerie aan verdachte gekoppelde PGP-adressen. Ook zal de rechtbank beoordelen of kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van verdachte is, zoals door de officier van justitie is gesteld. Ook ten aanzien van de overige gebruikers die aan PGP berichten gekoppeld kunnen worden, zal de rechtbank beoordelen of daarvan de identiteit kan worden vastgesteld, een en ander voor zover dit voor de bewezenverklaring van belang is. Het betreft hier de personen [naam 19] , [naam 20] , [naam 1] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 2] en [naam 23] . Verdachte ‘ [gebruikersnaam] ’ Tijdens de aanhouding van verdachte op 20 oktober 2017 in Chili is onder hem een iPhone 6 inbeslaggenomen. De iPhone bleek na onderzoek eigendom te zijn van [naam 24] met wie verdachte een relatie had. In de telefoon stond een foto van het scherm van een BlackBerry telefoon. Op het scherm was een PGP-bericht te zien dat afkomstig was van een gebruiker met de naam ‘ [gebruikersnaam] ’. In het bericht beklaagde ‘ [gebruikersnaam] ’ zich erover dat de gebruiker van de telefoon waar het bericht naartoe was gestuurd nooit berichten terugstuurt. ‘ [gebruikersnaam] ’ zou de PGP-telefoon annuleren en hem aan iemand anders geven. Het bericht lijkt een onenigheid in de relationele sfeer te zijn. Op [geboortedag] 2015 wordt door de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 1] aan [gebruikersnaam] (hierna [gebruikersnaam] ) gevraagd of hij zijn verjaardag nog gaat vieren. Verdachte is geboren op [geboortedag] 1973. In het onderzoek 13Kust is tijdens de aanhouding van [naam 2] een PGP-telefoon inbeslaggenomen. Deze telefoon lag in een nachtkastje op de slaapkamer waar [naam 2] werd aangetroffen en aangehouden en is gekoppeld aan het PGP-adres [PGP-adres 2] (hierna: [PGP-adres 2] ). De telefoon bevat een PGP-gesprek van 30 november 2015, waarin [gebruikersnaam] omstreeks 17:37 uur aan [PGP-adres 2] vraagt of hij even langs het hotel kan komen en een kamer kan pakken. Daarop antwoordt [PGP-adres 2] bevestigend. Op de camerabeelden van het Van der Valk hotel in Breukelen is te zien dat [naam 2] om 23:10 uur aan de balie staat om een kamer te boeken. Uit beelden bleek ook dat verdachte diezelfde avond bij het Van der Valk hotel te Breukelen verscheen. Verdachte zelf checkte niet in. In de telefoon is ook een PGP-gesprek aangetroffen van 1 december 2015, waarin [gebruikersnaam] aan [PGP-adres 2] vraagt of hij mee naar Spanje gaat. Op 2 december 2015 worden door de Franse politie de inzittenden van twee Audi’s gecontroleerd, met als inzittenden verdachte en [naam 2] . Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker was van ‘ [gebruikersnaam] ’. Niet gesteld of gebleken is dat deze gebruikersnaam of het PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. De rechtbank gaat ervan uit dat het verdachte was die berichten via dit adres verstuurde. ‘ [PGP-adres 3] ’ en bijnaam [bijnaam 1] Het PGP-adres ‘ [gebruikersnaam] ’ komt in meerdere contactlijsten van andere PGP gebruikers voor. In vier contactlijsten is [gebruikersnaam] opgeslagen onder een overeenkomstige naam (‘ [bijnaam 1] ’) als waarmee het PGP-adres [PGP-adres 3] (hierna: [PGP-adres 3] ) in contactlijsten is opgeslagen. Uit adresboeken van enkele Ennetcom-gebruikers blijkt dat zij het PGP-adres [gebruikersnaam] hadden opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 1] ’, ‘Hermanooo’ en ‘ [bijnaam 1] nieuw’. Op 16 juni 2016 werd verdachte aangehouden in Alcoron in Spanje. M. [naam 38] is toen naar Madrid gegaan waar op 18 juni 2016 een hoorzitting was in de zaak tegen verdachte. Hierover hadden [naam 38] en [naam 36] PGP-contact gehad. In dat gesprek vroeg [naam 36] of de advocaat ‘ [bijnaam 1] ’ had gezien. [naam 38] bevestigde dit. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van verdachte is. De rechtbank neemt om deze redenen aan dat verdachte ook de gebruiker was van het PGP-adres [PGP-adres 3] . Niet gesteld of gebleken is dat dit PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. Het was naar het oordeel van de rechtbank dan ook verdachte die berichten via dit adres verstuurde. De verdediging heeft nog aangevoerd dat ‘ [bijnaam 1] ’ een algemeen gebruikte benaming is en dat het dossier ook PGP-communicatie bevat waarin verdachte en een ander elkaar over en weer aanspreken met ‘ [bijnaam 1] ’. Feit van algemene bekendheid is inderdaad dat het woord [bijnaam 1] in het Spaans wordt gebruikt zoals het Engelse ‘brother/bro’, een term om elkaar aan te spreken, waarmee in de regel niet een specifiek persoon wordt bedoeld, zodat slechts uit de context duidelijk kan zijn wie bedoeld wordt. Ook ziet de rechtbank dat in dit dossier op enig moment het woord [bijnaam 1] over en weer gebruikt wordt. Dit brengt de rechtbank echter niet tot een ander oordeel. Bij het opslaan van een gebruiker onder de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ of een zeer vergelijkbare naam, kan het namelijk redelijkerwijs niet anders zijn, dan dat degene die deze naam opslaat een concreet persoon in gedachten heeft. Het opslaan van de naam in verschillende spellingen of met toevoeging “nieuw” ondersteunt dat. In dit geval kan daarom de conclusie worden getrokken dat in de aangetroffen adresboeken met [bijnaam 1] dezelfde persoon wordt bedoeld en dat dit verdachte is. Overige PGP gebruikers Op grond van de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank voorts van oordeel dat de hierna te noemen PGP adressen zijn te koppelen aan respectievelijk [naam 19] , [naam 20] , [naam 1] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 2] en [naam 23] . [naam 19] ‘ [PGP-adres 4] ’ In de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 vindt er PGP-communicatie plaats tussen de PGP-adressen [PGP-adres 4] (hierna: [PGP-adres 4] ) en de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [PGP-adres 5] . De berichten gaan over ‘broertje’, ‘ [naam 25] ’, ‘ [naam 26] ’, ‘ [naam 27] ’, ‘graf van papa’. Ook wordt door [PGP-adres 4] gezegd dat hij alle zussen heeft gesproken over het kopen van kleding voor hun zelf en de kids: ‘ [naam 26] 2 kids’, ‘ [naam 28] 3 kids’, ‘ [naam 29] 4 kids’ en ‘ [naam 27] 1 kid’. [naam 25] is getrouwd met [naam 26] , de zus van [naam 19] . Van [naam 26] is bekend dat zij twee kinderen heeft. [naam 27] is ook een zus van [naam 19] . Van [naam 27] is bekend dat zij één kind heeft. [naam 29] is ook een zus van [naam 19] . Van haar is bekend dat zij vier kinderen heeft. De vader van [naam 19] is in 2005 overleden. ‘ [PGP-adres 6] ’ De telefoonboeken van de PGP-adressen [PGP-adres 4] en [PGP-adres 6] (hierna: [PGP-adres 6] ) komen bijna geheel overeen met elkaar. Ogenschijnlijk zijn de telefoonboeken één op één overgezet van het ene account naar het andere account. Dit kan een sterke aanwijzing zijn dat beide accounts bij dezelfde persoon in gebruik zijn geweest. Tevens is [PGP-adres 6] in diverse andere telefoons opgeslagen onder de bij verbalisant ambtshalve bekende bijnamen van [naam 19] (‘ [bijnaam naam 19] ’, ‘ [bijnaam naam 19] ’ en ‘ [bijnaam naam 19] ’). ‘ [PGP-adres 7] ’ In de contactlijst van [PGP-adres 8] (hierna: [PGP-adres 8] ) staat [PGP-adres 7] (hierna: [PGP-adres 7] ) opgeslagen onder de naam ‘ [naam PGP-adres 7] ’. In diverse andere contactlijsten is dit PGP-adres [PGP-adres 7] opgeslagen onder gelijkende namen (‘ [naam PGP-adres 7] ’ en variaties daarop). Hierbij zijn PGP-adressen vermeld, die al dan niet vermoedelijk in gebruik zijn (geweest) bij [naam 19] , waaronder ook het adres [PGP-adres 4] . Uit de berichten blijkt dat de gebruiker van [PGP-adres 7] dit PGP-adres rond 1 september 2015 in gebruik neemt. Hij bevindt zich rond die tijd in Dubai en schrijft dat zijn kinderen daar naar school gaan. Van [naam 19] is bekend dat hij vier kinderen heeft. Dit bevestigt het vermoeden dat het ook in deze gesprekken daadwerkelijk [naam 19] is die hier communiceert. De rechtbank ziet bevestiging van het gebruik van [PGP-adres 7] door dezelfde persoon als de gebruiker van [PGP-adres 4] in de schrijfstijl van de berichten, waaronder met name het gebruik van de letter “y” waar “ij” de correcte schrijfwijze in het Nederlands is. [naam 20] “ [PGP-adres 5] ” en ‘ [PGP-adres 9] ’ Hiervoor is uiteengezet dat [naam 19] ( [PGP-adres 4] ) in de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 heeft gecommuniceerd met de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 5] (hierna: [PGP-adres 5] ) over zijn zussen en ‘mama’ en ‘graf van papa’. [naam 19] heeft ook naar [PGP-adres 5] gestuurd: “Ben echt trots op jouw en dan allah iedere dag dat je [contact 3] broertje bent al ben ik hard tegen je hou van je brot tot de dood en erna!!!”. Daarop antwoordt [PGP-adres 5] : “(…) Ben ook trots op jou als broer (…)”. [naam 19] is een broer van [naam 20] . Op 30 maart 2016 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 9] (hierna: [PGP-adres 9] ) naar de helpdesk van Ennetcom ( [mailadres] ): “Amigo mij pgp geeft sos aan, hoe kan dat. Hij is pas verlengd. [PGP-adres 5] (…)”. Op 17 april 2016 stuurt [PGP-adres 5] naar het PGP-adres [PGP-adres 10] om 11:40 uur: “(…) Kan je een pgp afgeven aan die jongen die met jou mee was gegaan na club aub”. Op de vraag van [PGP-adres 10] of hij “sims” erin moet doen, antwoordt [PGP-adres 5] : “Ja bro” en “ [PGP-adres 9] Zet mij in die nieuwe toestellen. Met deze mail sir”. Ook vraagt [PGP-adres 5] om 13:09 uur: “Bro tekst mij zo met die nieuwe (…). Zet erbij wie mij tekst, afz [afzender] ”. Vervolgens stuurt de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 29] om 13:11 uur naar [PGP-adres 9] : “Afz [afzender]”. [naam 1] ‘ [PGP-adres 8] ’, ‘ [PGP-adres 11] ’, ‘ [PGP-adres 12] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ Bij de aanhouding van [naam 1] in Ierland op 7 april 2016 zijn twee PGP-telefoons aangetroffen waaraan de PGP-adressen [PGP-adres 11] (hierna: [PGP-adres 11] ) en [PGP-adres 12] (hierna: [PGP-adres 12] ) zijn gekoppeld. Beide toestellen ontvingen op 9 april 2016 een wipe-verzoek op verzoek van [naam 20] . Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [slachtoffer 1] , is vastgesteld dat het PGP-adres [PGP-adres 1] (hierna: [PGP-adres 1] ) door [naam 1] gebruikt werd. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [opgeslagen naam 1] ’ en ‘ [opgeslagen naam 2] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] zichzelf ‘ [opgeslagen naam 1] (

  1. i)noemt en dat hij door anderen ‘ [opgeslagen naam 2] wordt genoemd. Door Ennetcom-gebruikers zijn de volgende PGP-adressen opgeslagen onder de naam ‘ [opgeslagen naam 1] (i)’: [PGP-adres 8] en ‘ [PGP-adres 12] ’. Door Ennetcom-gebruikers is het PGP-adres [PGP-adres 8] ook onder de naam ‘ [opgeslagen naam 2] ’ opgeslagen. De PGP-adressen [PGP-adres 8] en [PGP-adres 12] zijn ook door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam naam 19] [bijnaam 5] ’. Ook is onder die naam het PGP-adres [PGP-adres 11] door Ennetcom-gebruikers opgeslagen. Op 16 november 2015 stuurt [PGP-adres 12] naar de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [PGP-adres 13] dat hij gisteren vijf keer de verkeerde code had gedrukt. [PGP-adres 12] zegt tegen [PGP-adres 13] dat hij in Ierland zit en vraagt aan [PGP-adres 13] of hij een nieuwe toestel wil brengen. Dat [PGP-adres 12] in Ierland zit mag [PGP-adres 13] tegen niemand zeggen. Uit het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] in ieder geval rond 5 november 2015 al in Dublin (Ierland) verbleef. Op 1 oktober 2015 is door de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [PGP-adres 14] een foto met daarop de zus en moeder van [naam 1] naar [PGP-adres 12] gestuurd. De gebruiker van [PGP-adres 14] is geïdentificeerd als [naam 30] , de vrouw/vriendin van [naam 1] . Uit de berichten tussen verdachte ( [gebruikersnaam] en [PGP-adres 3] ) en [PGP-adres 11] blijkt dat verdachte [PGP-adres 11] heeft opgeslagen als ‘ [opgeslagen naam 3] ..@@@’ en ‘ [opgeslagen naam 4] @@@’. Verdachte werd ‘ [bijnaam 4] ’ genoemd. Onder de bijnaam ‘ [bijnaam 2] GmbH is ook het PGP-adres [PGP-adres 15] opgeslagen. Dit PGP-adres is door contactpersonen opgeslagen onder bijnamen van [naam 1] , waaronder ‘ [bijnaam 5] ’ en ‘ [bijnaam 6] ’. [naam 1] is op 8 april 2016 in Ierland aangehouden. Als wettelijke vertegenwoordiger (in rechte) had hij in eerste instantie [naam 31] en [naam 32] . Op 17 en 18 april 2016 hebben verdachte ( [gebruikersnaam] ) en [naam 19] ( [PGP-adres 4] ) contact met elkaar. Op 17 april 2016 stuurt [naam 19] naar verdachte een bericht door van ‘Adv’ waarin ‘adv’ schrijft: “Ik kreeg net een rare mail. Ene [naam 33] die zegt dat hij begrijpt dat ik [naam 1] bij bijsta en die vraagt of ik zijn telefoonnummer kan doorgeven aan [naam 1] , zodat die hem kan bellen. (…) Alsof ik zomaar tel nrs door geef of kan doorgeven en [naam 1] hem zomaar kan bellen. Zegt u dit iets?” [naam 19] vraagt aan verdachte “Wie is deze mafkees?”. Daarop vraagt verdachte aan [naam 19] wie [naam 1] is. [naam 19] antwoordt: “ [bijnaam 3] sir ”. Op 18 april 2016 vraagt verdachte ( [gebruikersnaam] ) aan [naam 19] ( [PGP-adres 4] ) of [naam 19] het nummer ‘van de advo van onze broer in Ierland’ kan geven. [naam 19] stuurt daarop: “Ok sir ga even weski mailen en vraag haar num direct sir [naam 32] heet ie. Vervolgens stuurt [naam 19] naar verdachte een bericht van ‘adv’ door, waarin ‘adv’ stuurt dat [naam 32] in Dublin ‘de barrister’ is en dat [naam 31] ‘de solicitor’ is. Ook heeft ‘adv’ gestuurd dat [naam 31] heeft gezegd dat de rechter pro deo had afgewezen, dat zij nu als advocaten graag iets vernemen over betaling en dat ze dat ook aan ‘ [bijnaam 5] ’ zouden melden. “Adv’ heeft verder geschreven dat “een vrouw naar kantoor heeft gebeld die zei dat zij de zus van [naam 1] is” en vraagt hoe dat kan. Later stuurt [naam 19] naar verdachte: “ Sir weski is gebelt die persoon zei ze is zusje van [bijnaam 5] nu blykt ze heeft helemaal niet gebelt sir dus iemand wilt slim spelen”. [naam 21] ‘ [PGP-adres 16] ’ Het onderzoek 26Tandem bevat een PGP-bericht waarin door de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [PGP-adres 17] het volgende bericht is gestuurd naar ‘ [naam 34] ’: “ [naam 21] wilt je spreken??” en “Hier is zen mail bro.. [PGP-adres 16] ”. Het is de verbaliserende verbalisant ambtshalve bekend dat ‘ [bijnaam 7] ’ een bekende bijnaam van [naam 21] is. Vervolgens slaat [PGP-adres 17] het PGP-adres [PGP-adres 16] (hierna: [PGP-adres 16] ) op onder de naam ‘ [bijnaam 7] ’. ‘ [naam 34] ’ slaat [PGP-adres 16] op onder de naam ‘ [bijnaam 7] ’. Door andere Ennetcomgebruikers is [PGP-adres 16] opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 7] ’, [bijnaam 7] ’, ‘ [bijnaam 7] ’. Ook is [PGP-adres 16] door Ennetcom-gebruikers opgeslagen onder de namen ‘ [opgeslagen 4] ’ en ‘ [opgeslagen naam 4] ’. Dit zijn ook bekende bijnamen van [naam 21] . In een onderzoek genaamd13Ebetsu is een man die door [naam 1] “ [naam 21] / [bijnaam 7] ” wordt genoemd geïdentificeerd als [naam 21] , geboren op [geboortedag] 1992. Uit dat onderzoek is gebleken dat [naam 1] aan een gesprekspartner in de [detentieadres] heeft gezegd dat [naam 21] hem gaat bellen. Kort daarna wordt [naam 1] gebeld door een man die hij [naam 21] noemt. De man geeft zijn personalia door zodat [naam 1] hem op de bezoekerslijst kan zetten, te weten [naam 21] , geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] . [naam 22] ‘ [PGP-adres 18] ’ Op 14 april 2016 schrijft [PGP-adres 18] (hierna: [PGP-adres 18] ) aan [PGP-adres 3] , gebruikt door verdachte, dat hij een gevangenisstraf van 30 jaar riskeert. Maar nu heeft zijn advocaat iets gevonden dat de pentito zei waardoor hij "slechts" 9 jaar zou kunnen krijgen. Hij moet eerst "hier" regelen wat hij eerder in Spanje heeft gedaan, zodat ze zijn paspoort nemen als borg zodat hij op straat kan lopen zoals ervoor. Met hier lijkt hij te doelen op de Verenigde Arabische Emiraten, aangezien hij zegt dat Italië geen overeenkomst heeft met UAE (de Engelse afkorting voor de Verenigde Arabische Emiraten). Ook schrijft [PGP-adres 18] dat Italië geen overeenkomst heeft met de Verenigde Arabische Emiraten. Dit kan ook verklaren waarom hij in Dubai de verklaring heeft afgelegd. is in Italië bij verstek veroordeeld voor zijn leidende rol bij de handel in verdovende middelen voor de Camorra clan Amato/Pagano. Om strafvermindering te krijgen heeft hij op 29 augustus 2016 vanuit Dubai een verklaring afgelegd en afstand gedaan van vermogen. De gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 18] communiceert met verdachte ( [PGP-adres 3] ) in het Engels. Dit is kennelijk niet zijn moedertaal gezien de vele grammaticale fouten. Hij spreekt kennelijk ook geen Nederlands of Spaans, anders hadden ze zeer waarschijnlijk in die taal gecommuniceerd (verdachte is beide talen zeer goed machtig). In Chili werd onder verdachte een iPhone in beslaggenomen waarop een aantal video-opnamen is opgeslagen. Op één van die video-opnames staat [naam 22] . Op de telefoon staan ook foto’s van [naam 22] . Verdachte heeft op 13 mei 2018 tegenover EBI-bewaarders gezegd dat hij goed bevriend is met [naam 22] . [naam 2] ‘ [PGP-adres 2] ’ De PGP-telefoon die in het onderzoek 13Kust tijdens de aanhouding van [naam 2] in zijn slaapkamer in zijn aanwezigheid in beslag werd genomen, was gekoppeld aan het PGP-adres [PGP-adres 2] (hierna: [PGP-adres 2] ). Met dit PGP-adres was (zoals hierboven al uiteengezet) contact met [gebruikersnaam] . Ook is [naam 2] naar aanleiding daarvan gezien bij het Van der Valk hotel in Breukelen en werd hij staande gehouden door de Franse politie. [naam 23] ‘ [PGP-adres 13] ’ Op 1 februari 2015 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 13] (hierna: [PGP-adres 13] ) naar een PGP-adres dat begint met [PGP-adres 19] een bericht over een vingerafdruk die van hem op een papiertje zou zijn aangetroffen. Aan hem zou zijn gevraagd of hij dit kan uitleggen en of hij een turk kent. In de politiesystemen is een mutatie aangetroffen, waarin staat dat in het onderzoek 13Ebetsu een vingerafdruk van [naam 23] is aangetroffen op een foto van het beoogde slachtoffer van een schietpartij. In deze mutatie staat ook de naam [naam 35] , die de bijnaam ‘ [bijnaam 8] ’ heeft. [naam 23] is tijdens een getuigenverhoor in het onderzoek 13Ebetsu onder andere gevraagd naar de vingerafdruk die van hem op de foto is aangetroffen en of hij [naam 35] kent. Op 17 november 2015 stuurt de gebruiker van [PGP-adres 13] een bericht naar het PGP-adres [PGP-adres 12] , waarin hij zegt dat hij morgen om 09:00 uur ‘die zitting’ heeft. Op 18 november 2015 om 09:00 uur stond bij het Gerechtshof Amsterdam een zaak van [naam 23] op de rol. ‘ [PGP-adres 20] ’ In het adresboek van de [PGP-adres 12] van [naam 1] , is het PGP-adres [PGP-adres 13] van [naam 23] opgeslagen onder de naam ‘ [opgeslagen naam 5] ’. Het PGP-adres [PGP-adres 20] (hierna: [PGP-adres 20] ) is in dit adresboek opgeslagen onder de naam ‘ [opgeslagen naam 6] ’. Tussen [naam 1] en ‘ [opgeslagen naam 6] ’ vindt op 6 april 2016 communicatie plaats waaruit volgt dat ‘ [opgeslagen naam 6] ’ zich in Dubai bevindt. Blijkens vluchtgegevens bevond [naam 23] zich op dit moment ook in Dubai. Zie ook pagina’s 59 en 60(voetnoten 120, 121 en 122) van dit vonnis. Samenvatting De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte gebruiker was van de PGP adressen ‘ [gebruikersnaam] ’ en ‘ [PGP-adres 3] ’ en dat hij de bijnaam [bijnaam 1] had. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de hierna genoemde personen gebruikers zijn van de volgende PGP adressen en/of bijnamen hadden: [naam 19] : ‘ [PGP-adres 4] ’, ‘ [PGP-adres 6] ’ en ‘ [PGP-adres 7] ’ [naam 20] : ‘ [PGP-adres 5] ’ en ‘ [PGP-adres 9] ’ [naam 1] : ‘ [PGP-adres 8] ’, ‘ [PGP-adres 11] ’, ‘ [PGP-adres 12] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ [naam 21] : ‘ [PGP-adres 16] ’ [naam 22] : ‘ [PGP-adres 18] ’ [naam 2] : ‘ [PGP-adres 2] ’ [naam 23] : ‘ [PGP-adres 13] ’, ‘ [PGP-adres 20] ’ en bijnaam ‘ [opgeslagen naam 5] ’ Voor de leesbaarheid van dit vonnis zullen in het vervolg bij de weergave van PGP-gesprekken de door de rechtbank aan die PGP-adressen gekoppelde personen worden ingelezen. 4.4.2. Bewezenverklaring Omdat de rechtbank – bij haar oordeel dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk gewoontewitwassen – heeft meegewogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen, zal eerst feit 2 worden besproken (paragraaf 4.4.2.1.). Daarna zal de rechtbank toekomen aan de bespreking van feit 1 (paragraaf 4.4.2.2.). 4.4.2.1. Bewezenverklaring feit 2: medeplegen van gewoontewitwassen Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd – kort samengevat – dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. Het Openbaar Ministerie heeft zich daarbij gebaseerd op de aangetroffen kasboeken en notities die zien op de handel in drugs en witwassen. Verder heeft het Openbaar Ministerie gewezen naar de bij verdachte en [naam 36] aangetroffen contante geldbedragen alsmede de horlogecollectie en het wagenpark van verdachte. Verdachte had onvoldoende legale inkomsten om alle uitgaven en contante geldbedragen te verklaren, terwijl hij geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd die wijzen op een legale herkomst. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit – kort samengevat – dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft zich beziggehouden met underground banking. Dat wordt bevestigd doordat het dossier gesprekken bevat waarin wordt gesproken over tokens en het tellen van geld. De kasboeken en het bij [naam 36] aangetroffen geld hebben dan ook met underground banking te maken. Het contante geld dat verdachte bij zich had tijdens zijn aanhouding in Chili kan worden verklaard doordat hij in Colombia en Dubai ondernemer is en in dat kader inkomsten ontvangt. Zo beschikte verdachte onder andere over contante geldbedragen door de koop en verkoop van horloges. Die handel in horloges verklaart ook de aangetroffen certificaten en doosjes van horloges in een opslagbox. Dat de horloges op de foto’s horen bij de aangetroffen horlogedozen kan echter niet worden vastgesteld, omdat de registratienummers op de achterkant van de horloges niet gefotografeerd zijn. Verdachte ontkent dat hij eigenaar is van de [kenteken] voertuigen en de woning in [woonplaats] . De redenering van het Openbaar Ministerie is niet meer dan een hypothese en wordt niet door bewijs onderbouwd. A. Witwasvermoedens De beschuldiging van witwassen bestaat uit verschillende onderdelen, zijnde bedragen genoemd in de kasboeken, aangetroffen contante geldbedragen, voertuigen, een woning en horloges. De rechtbank zal deze onderdelen hieronder bespreken, maar zal voorafgaand hieraan beoordelen wat het (legale) inkomen van verdachte was. Legaal inkomen Uit door de ICOV verstrekte gegevens over verdachte blijkt dat hij vanaf 1 januari 2011 geen geregistreerd inkomen heeft gehad en dat het totaal vermogen uit bankspaargelden, effecten en verzekeringen bedroeg: € 4.785,- in 2011, € 41.794 in 2012, € 45.313,- in 2013 en € 49.474,- in 2014. Verdachte was verder in het bezit van twee creditcards. Daarmee zijn in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 maart 2016 geen transacties gedaan. In Colombia beschikte verdachte over een spaarrekening, een woningkrediet en twee consumentenkredieten, waarvan geen saldogegevens bekend zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in Colombia ongeveer 3.000,- USD per maand verdiende en met zijn bedrijf in Dubai ongeveer 16.000,- dirham. [naam 37] , die gehoord is in de uitleveringsprocedure in Chili, heeft verklaard dat zij de zakenpartner van verdachte is in het bedrijf [bedrijf 2] . Zij verklaarde dat het bedrijf begon als grenswisselkantoor, maar dat het kantoor niet van de grond kwam omdat er geen vergunning was. De economische activiteit van het bedrijf is toen veranderd, waarna het bedrijf zag op dienstverlening in onroerend goed en administratievoering bij de koop en verkoop van de goederen. Volgens [naam 37] kreeg verdachte vanuit dat bedrijf ongeveer € 3.500,- aan inkomsten. Zij verklaarde dat zij in Dubai een dochteronderneming hebben opgericht. Verdachte zou daarmee ongeveer 16.000,- USD hebben verdiend. Verder is naar voren gekomen dat verdachte in 2007 onroerend goed met (omgerekend naar euro’
  2. s)€ 14.088,23 winst heeft verkocht. Tussenconclusie rechtbank: De rechtbank stelt vast dat er vanaf 2011 geen legale inkomsten van verdachte in Nederland bekend zijn en verdachte geen concrete verklaring heeft afgelegd over de inkomsten die hij in Colombia en/of Dubai heeft gegenereerd. Ook heeft verdachte geen stukken overgelegd op basis waarvan zijn inkomsten en vermogen in Colombia en Dubai kan worden vastgesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat buiten bovenvermelde gegevens, verdachte niet beschikte over ander legaal inkomen. Kasboeken en notities: € 10.132.703,- Op 5 juli 2016 werd de woning van [naam 13] aan de [adres] doorzocht. Daarbij werd een notitieboek in beslag genomen. Op die dag werd ook de woning van [naam 36] aan de [adres] doorzocht. Ook daar werd een notitieboek gevonden en in beslag genomen. De inhoud van de notitieboeken is nagenoeg identiek en de politie vermoedt dat dit kasboeken zijn, waarin inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode zijn weergegeven. In de woning van [naam 36] vond de politie ook nog drie losse notities. Deze drie notities zijn onderdeel van een kasboek uit 2015 en hebben betrekking op een periode van 18 weken. De notities zaten verstopt in een boek in de slaapkamer van [naam 36] . Verder trof de politie in de woning van [naam 13] een telefoon van het merk BlackBerry (goednummer 5216793) aan. In deze telefoon zijn notities opgeslagen die overeenkomen met de bij [naam 13] en [naam 36] aangetroffen kasboeken. Ook bevatten de notities gegevens die betrekking hebben op de periode van 27 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 en op de periode van 1 juli 2016 tot en met 4 juli 2016. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van 9 maart 2021 verklaard dat [naam 36] , [naam 13] , [naam 2] en [naam 38] voor hem werkten. Verdachte gaf opdrachten door aan [naam 36] en – bij afwezigheid van [naam 36] – aan [naam 38] . Ter terechtzitting van 9 maart 2021 heeft verdachte bevestigd dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven door [naam 36] werden bijgehouden en dat hij opdrachten van geldoverdrachten altijd aan [naam 36] gaf. [naam 36] gaf weer opdrachten aan [naam 13] . De politie heeft de bedragen die in de kasboeken en de losse notities zijn vermeld bij elkaar opgeteld. Daaruit blijkt dat in een periode van 40 weken een bedrag van € 10.132.703,- contant is uitgegeven. In een schema ziet dat er als volgt uit: Tussenconclusie rechtbank: De rechtbank concludeert dat op basis van de bevindingen kan worden vastgesteld dat de notitieboeken en notities zagen op contante in- en uitgaven die kunnen worden gerelateerd aan bedrijfsactiviteiten van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat in de kasboeken weliswaar inkomsten en uitgaven staan die [naam 36] in opdracht van hem heeft ontvangen dan wel gedaan, maar dat de kasboeken niet met zekerheid alleen zijn boekhouding betreffen. Verdachte stelt dat [naam 36] ook persoonlijke uitgaven kan hebben genoteerd. Verdachte heeft verklaard dat de werkwijze was dat hij ook voor zichzelf een kasboek bijhield en dat hij regelmatig samen met [naam 36] afsprak om de kasboeken te vergelijken. Op die manier moest [naam 36] verantwoording afleggen voor de door hem genoteerde inkomsten en uitgaven en werd bepaald wat persoonlijke uitgaven van [naam 36] waren en wat bedrijfsuitgaven waren. De rechtbank gaat niet mee in deze stelling van verdachte. Verdachte heeft zijn eigen kasboek – waaruit deze verschillen zouden kunnen blijken en daarmee aldus ondersteuning van zijn verklaring zou kunnen bieden – niet willen overhandigen. Verdachte heeft ook overigens geen stukken overhandigd die zijn verklaring zouden kunnen ondersteunen. Daar komt bij dat het de rechtbank – op basis van het dossier – niet is gebleken dat in de kasboeken persoonlijke inkomsten en uitgaven zijn genoteerd die klaarblijkelijk zijn te herleiden naar [naam 36] , [naam 13] of andere personen die voor verdachte werkten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de kasboeken uitsluitend op de bedrijfsactiviteiten van verdachte zagen en dus niet ook op privéuitgaven van anderen. De conclusie is dan ook dat in de onderneming van verdachte in de betreffende periode € 10.132.703,- contant is uitgegeven. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de contante gelden van misdrijf afkomstig zijn. Er zijn typologieën, feiten van algemene bekendheid en overige indicatoren die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Een van deze typologieën is het gebruik van grote contante gelden zonder dat dit in officiële boeken te vinden is. De bedragen vermeld in de kasboeken leveren op zichzelf al een indicatie voor witwassen op. De rechtbank overweegt daarnaast als volgt ten aanzien van de inhoud van de kasboeken. [adres] In de kasboeken komen maandelijkse betalingen terug met de omschrijving: appartement en elektra (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘Depa-Luz’) en de vermelding van de betreffende maand. Zo staat in het kasboek vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra februari – 01-03’ (bijlage 10 op pagina A 1409). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [naam 13] blijkt dat op 2 maart 2016 in totaal € 2.100,- contant op de bankrekening van [naam 13] is gestort, waarna € 1.754,- is overgeboekt naar Actys wonen met als omschrijving ‘ [nummer] ’ (bijlage 4 op pagina A 1401). Uit de gegevens van de ING bankrekening van [naam 13] blijkt voorts dat in de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 maart 2016 in totaal € 19.213,16 is betaald voor de woning aan de [adres] (bijlage 4 op pagina A 1401). In het kasboek staat ook vermeld (uit het Spaans vertaald): ‘-2.100 – appartement-elektra maart – 04-04’ (bijlage 10 op pagina A 1410). Uit gegevens van een ABN AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [naam 13] blijkt dat op 5 april 2016 € 2.000,- contant op deze bankrekening is gestort, waarna € 1.755,- naar Actys wonen met als omschrijving ‘ [nummer] ’ (bijlage 3 op pagina A 1400) en € 218,- naar NUON (klantnummer [klantnummer] ) is overgeboekt (bijlage 8 op pagina A 1405). In de periode van 5 juni 2015 tot en met 3 juni 2016 is in totaal € 5.265,- voor de woning aan de [adres] betaald (bijlage 3 op pagina A 1400). Het dossier bevat een brief van Actys Wonen BV van 25 april 2016, gericht aan [verdachte] en betreft het perceel [adres] . Als kenmerk staat vermeld: [nummer] . Het dossier bevat tevens een acceptgiro van 27 april 2016, gericht aan [verdachte] voor de [adres] . Het daarop vermelde klantnummer is: [klantnummer] . Verdachte stond van 22 mei 2006 tot en met 30 november 2007 ingeschreven op het adres [adres] . Na deze datum heeft niemand zich meer op dit adres ingeschreven. Het energiecontract van de woning aan de [adres] staat vanaf 1 augustus 2005 op naam van verdachte (klantnummer [klantnummer] ). Vanaf 4 augustus 2014 tot en met 24 november 2015 zijn de rekeningen betaald met het ING bankrekeningnummer [rekeningnummer] . Dit bankrekeningnummer staat op naam van [naam 13] . Op 14 februari 2012 werd verdachte in een ander onderzoek aangehouden. Voorafgaand aan de aanhouding werd gezien dat [naam 39] zeer vermoedelijk een sleutel van verdachte kreeg, waarna [naam 39] het perceel [adres] betrad. [naam 39] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat de woning waar hij naar binnenliep, van ‘ [verdachte] ’ is. Verdachte stond op 9 november 2011 één dag ingeschreven op het adres [adres] . De bewoners van dit adres hebben verklaard dat verdachte een zoon van een kennis is, dat verdachte niet woonachtig is op het adres en hier nooit heeft gewoond. Verdachte was op het adres ingeschreven vanwege een inschrijfadres voor zijn rijbewijs. Op 5 juli 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het perceel [adres] . In de hal en in de slaapkamers hingen foto’s van verdachte en zijn vriendin. Er lagen ook diverse persoonlijke goederen in het huis, zoals telefoons, harddisks en een notebook. Op één van de harddisks stonden foto’s van verdachte. Op een iPhone die in de slaapkamer is aangetroffen is een icloud account aangetroffen met emailadres [e-mailadres] com. Op een notebook zijn honderden foto’s en filmpjes aangetroffen, waaronder veel vakantiefoto’s van verdachte. Op het notebook staan de Windows Live Messenger Contactpersonen van de e-mailadressen [e-mailadres] en [e-mailadres] . Tussenconclusie rechtbank: Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat er – ten behoeve van kosten voor een appartement – contante geldbedragen uit de kas werden gehaald, dat deze vervolgens op één van de bankrekeningen van [naam 13] werden gestort, waarna betalingen voor de woning aan de [adres] werden verricht. Ook kan worden vastgesteld dat deze woning feitelijk aan verdachte toebehoorde. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de woning van hem was, maar dat [naam 36] de woning van hem mocht gebruiken sinds verdachte geëmigreerd is. Wel wilde hij van de woning gebruik kunnen maken als hij in Nederland was en dan zou hij ook voor die periode huur betalen (documentcode 11557416, pagina U 0131). De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. In de woning zijn veel persoonlijke spullen aangetroffen die aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Verdachte heeft bovendien tijdens de uitleveringszitting in Chili een andersluidende verklaring afgelegd, namelijk dat hij het appartement had overgedragen aan zijn zus en zwager (documentcode 10987817, pagina A 6511) Verdachte heeft echter tijdens zijn aanhouding in een ander onderzoek in 2012 weer een andersluidende verklaring afgelegd, namelijk dat hij bij zijn moeder en zus verbleef als hij in Nederland was. Tijdens die aanhouding had verdachte bovendien documenten bij zich waaruit bleek dat de [adres] nog steeds zijn woning betrof. Gelet op de wisselende verklaringen – in samenhang met het energiecontract bij Nuon dat op naam van verdachte stond, de persoonlijke spullen die in de woning zijn aangetroffen en de bevindingen in het kader van zijn aanhouding in 2012 – stelt de rechtbank vast dat de woning aan de [adres] feitelijk nog steeds aan verdachte toebehoorde. De verklaring van verdachte – inhoudende dat de woning door [naam 36] werd gebruikt, dat hij aan hem had gevraagd om de spullen van hem weg te halen die niet door anderen gezien of meegenomen mochten worden en hij daarom niet weet waarom er nog persoonlijke spullen van hem in de woning lagen – schuift de rechtbank dan ook als ongeloofwaardig terzijde. [opslagbedrijf] opslagbox In het kasboek van [naam 13] staat genoteerd dat op 30 juni 2016 € 2.500,- uit de kas is opgenomen met de omschrijving ‘appartement, elektra, box’ (de Nederlandse vertaling van het Spaanse ‘depa lux box’ (bijlage 1 op pagina A 1372). Op 5 juli 2016 vond een doorzoeking plaats in de opslagruimte met nummer [nummer] van het bedrijf [opslagbedrijf] . In deze opslagruimte zijn meerdere goederen gevonden die konden worden gelieerd aan verdachte, zoals een op zijn naam gesteld (verlopen) Nederlands paspoort, een paspoort op naam van zijn vriendin [vriendin] en twee foto’s van verdachte met een vrouw. In de opslagruimte is ook een scooter Piaggio voorzien van het kenteken [kenteken] aangetroffen. Deze scooter is volgens de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam gesteld van verdachte. Het huurcontract van de opslagruimte [nummer] stond vanaf 4 mei 2010 op naam van [naam 40] . De facturen van 14 april 2016 en 15 mei 2016 zijn betaald vanaf het ABN-AMRO bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [naam 13] . De facturen van 14 juni 2016 en 29 juni 2016 zijn per pin betaald op de vestiging van [opslagbedrijf] . De overige facturen zijn contant op de vestiging van [opslagbedrijf] betaald. Vanaf 6 juli 2016 zijn de facturen niet meer betaald. Op afbeeldingen van twee bankafschriften van de ABN-AMRO bankrekening [rekeningnummer] van [naam 13] zijn de betalingen aan [opslagbedrijf] te zien, te weten twee keer € 355,71 op 31 mei 2016 en € 355,71 op 29 juni 2016. Tussenconclusie rechtbank: De rechtbank stelt vast dat uit het kasboek ook blijkt dat er met de kasgelden is betaald voor de huur van de opslagbox bij [opslagbedrijf] en dat deze opslagbox – gelet op de persoonlijke spullen die daar van verdachte zijn aangetroffen – in gebruik wa bij verdachte. De verklaring van verdachte dat de opslagbox kennelijk door [naam 36] is gebruikt voor de opslag van zijn spullen uit de [adres] die [naam 36] op zijn verzoek uit de woning zou hebben gehaald, schuift de rechtbank – onder verwijzing naar hetgeen reeds hierboven is overwogen ten aanzien van die verklaring alsmede het gegeven dat de opslagbox op naam van een derde staat – als ongeloofwaardig terzijde. Versluierd taalgebruik Volgens de politie wordt in de kasboeken op een versluierde manier genoteerd, namelijk door gebruik te maken van gefingeerde namen en onduidelijke omschrijvingen, zoals bijvoorbeeld “ontvangen vriend” en “50 duizend Largo”. Tussenconclusie rechtbank: Kennelijk was het de bedoeling dat verdachte niet (administratief) naar de [adres] en de opslagbox herleid zou kunnen worden. Het is een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling of betalingen door een ander ertoe strekken om eigendom te verhullen en dit levert een witwasvermoeden op. De rechtbank concludeert voorts dat in de kasboeken de inkomsten en uitgaven versluierd zijn aangegeven, waardoor de herkomst en de bestemmingen van de geldbedragen – op basis van alleen de notities in de kasboeken – voor derden niet herleidbaar zijn naar specifieke personen. Zo is er geen sprake van een duidelijke en uitgebreide administratie waarin de volledige namen van de ontvangers worden genoteerd. Versluierd taalgebruik is een indicator voor witwassen omdat het dient ter verhulling. Daar komt tot slot bij dat niet is komen vast te staan dat verdachte over legaal inkomen en vermogen beschikte waarmee het totale uitgegeven bedrag van € 10.132.703,- zou kunnen worden verklaard. Gelet op dit alles concludeert de rechtbank dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het totaalbedrag van € 10.132.703,- dat verdachte en de personen die voor hem werkten voorhanden hebben gehad, van misdrijf afkomstig is. Contante geldbedragen van € 1.462.440,- (woning [naam 36] ) en € 46.190,65 (aanhouding verdachte) Tijdens de doorzoeking van de woning van [naam 36] aan de [adres] op 5 juli 2016 is in een doos met opschrift ‘Louis Vuitton’ € 1.186.500,- aangetroffen, bestaande uit € 500,- biljetten. Daarnaast werd in een kartonnen doos in de kantoorruimte € 2.75,940,- aangetroffen, bestaande uit onder meer drie € 500,- biljetten. Het totaalbedrag is € 1.462.440,-. Op 1 maart 2016 vraagt [naam 36] in een telefoongesprek met [naam 41] of ze wil kijken ‘hoeveel T-shirts er liggen’ en vraagt [naam 41] aan [naam 36] ‘of hij het maandelijks meeneemt’. [naam 36] kondigt aan ‘dat hij zo [naam 13] langs stuurt om dat te brengen’. Die avond wordt [naam 41] om 21:15 uur gebeld door een man die zegt dat hij over een kwartier bij haar is. Het telefoonnummer blijkt in gebruik te zijn bij [naam 13] . Door een observatieteam is gezien dat om 21:51 uur [naam 13] de woning van [naam 36] verlaat. Een dag later praten [naam 41] en [naam 36] over T-shirts en vraagt [naam 36] : “Maar gisteren, [naam 13] heeft je wat gebracht maar hoeveel ligt er nog van daarvoor?”. [naam 41] heeft bij de politie verklaard dat het gesprek over geld ging. Uit het in de woning van [naam 36] aangetroffen kasboek en de losse notities blijkt dat op sommige momenten zeer veel geld in de kas aanwezig was. Zo is in de periode van 2 maart 2015 tot en met 7 juni 2015 een bedrag van minimaal € 3.195.000,- in de kas voorhanden geweest. Op 18 juli 2016 is € 2.398.500,- voorhanden geweest. Verdachte was op het moment dat hij op 20 oktober 2017 in Chili werd aangehouden in het bezit van 6.668.236 Chileense peso (omgerekend naar euro: € 8.955,70) en 5.910 Unites Arab Emirates Dirham (omgerekend naar euro: € 1.308,85). Ook had verdachte € 35.926,10 in zijn bezit, bestaande uit onder meer coupures van € 100,00, € 200,00 en € 500,00. Tussenconclusie rechtbank: Uit het kasboek dat [naam 36] in het kader van zijn werkzaamheden voor verdachte bijhield – waarvan de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat het volledig de boekhouding van het bedrijf van verdachte betreft – blijkt dat er op sommige momenten zeer veel contant geld in de kas aanwezig was. Gelet daarop alsmede op het telefoongesprek tussen [naam 41] en [naam 36] en de observatie van de voor verdachte werkzame [naam 13] op 1 maart 2016, is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [naam 36] het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 1.462.440,- in het kader van zijn werkzaamheden voor verdachte voorhanden had. Het geldbedrag bestond mede uit zeer grote coupures. Onder verwijzing naar hetgeen reeds hiervoor is overwogen ten aanzien van het gerechtvaardigd vermoeden dat het uitgegeven totaalbedrag van € 10.132.703,- van misdrijf afkomstig s, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van het bij [naam 36] aangetroffen geldbedrag het vermoeden dat het van misdrijf afkomstig s. Ten aanzien van het geldbedrag van in totaal € 46.190,65 (€ 8.955,70 + € 1.308,85 + € 35.926,10) dat verdachte bij zich had tijdens zijn aanhouding in Chili op 20 oktober 2017, overweegt de rechtbank dat ook dat geldbedrag niet kan worden verklaard uit de bekende legale inkomsten van verdachte. Verdachte heeft bovendien wisselend verklaard over dit geldbedrag. Zo heeft verdachte in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij van dat geld cadeautjes voor de familie en ‘dat soort dingen’ wilde kopen. Op een later moment heeft hij verklaard dat het geldbedrag legale inkomsten uit één van zijn bedrijven in Colombia betrof (documentcode 11557416, pagina U 130). Ter terechtzitting op 9 maart 2021 heeft verdachte evenwel verklaard dat het niet zijn geld was maar van een klant die dat geld wilde investeren in Chili. Daar komt tot slot bij dat ook dit geldbedrag naast verschillende valuta, bestond uit grote coupures. Dit is eveneens een indicator voor witwassen. Alles afwegende, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vermoeden dat ook dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Voertuigen Op 21 maart 2016 vond een doorzoeking plaats in het bedrijfspand van [naam 42] aan de [adres] . [naam 42] is bestuurder van meerdere BV’s, waaronder [B.V. 1] en [B.V. 2] , handelsnaam [handelsnaam] . Tijdens de doorzoeking werd in de gang in een kastje dat als afwerking van verwarmingspijpen moet dienen, een A4 map aangetroffen. In de map zaten diverse insteekhoezen gevuld met papieren bescheiden behorend bij voertuigen met Duitse kentekens: [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] en [kenteken] . Deze voertuigen betreffen exclusieve en dure auto’s: [kenteken] : Mercedes-Benz ML 63 AMG nieuwprijs is € 166.100,- [kenteken] : Mercedes-Benz E 63 AMG nieuwprijs is € 153.221,- [kenteken] : Mercedes-Benz E 500 nieuwprijs is € 100.500,- [kenteken] : Mercedes-Benz AMG GLE 63S nieuwprijs is € 198.210,- [kenteken] : Mercedes-Benz E 500 nieuwprijs is € 107.395,- [kenteken] : Volkswagen Passat nieuwprijs is € 67.790,- [kenteken] : Audi RS3 Sportback nieuwprijs is € 71.860,- [kenteken] : Audi RS3 Sportback nieuwprijs is € 71,860,- Uit informatie van Europol blijkt dat alle voertuigen ten name stonden van het Duitse bedrijf [bedrijf 3] , gevestigd te [plaats] . [bedrijf 3] is een onderneming van [naam 43] . Van voornoemde voertuigen zijn de volgende bescheiden in de A4-map aangetroffen: - [kenteken] o een factuur voor een Mercedes-Benz ML 63 AMG gericht aan [naam 42] . Verkoper is het Duitse bedrijf [bedrijf 4] , gedagtekend op 20 mei 2015. Verkoopbedrag is € 98.319,33; o Een bewijs van aanbetaling van € 40.000,- vanaf betaalrekening [rekeningnummer] (privérekening van [naam 42] ), gedagtekend op 22-05-2015. Bij de omschrijving staat vermeld: Anzahlung ML 63 AMG VINNR.355630. o Een kwitantie waarin vermeld is dat een contante betaling is gedaan door [naam 42] van €77.000, - op 26 mei 2015 voor een Mercedes ML 63 AMG; o Het originele kentekenbewijs, deel I en ll, bouwjaar 9 oktober 2014, chassisnummer [nummer] ; - [kenteken]: o het originele kentekenbewijs deel I en II (Mercedes-Benz E 63 AMG); o een aankoopfactuur van € 82.500,- gericht aan [bedrijf 3] te [plaats] van [autoverhuurbedrijf] ., gevestigd te [plaats] ; o kopie Belgisch bewijs op naam van [naam 44] ; - [kenteken]: o een kopie kentekenbewijs deel I en een origineel deel II, afgegeven voor een Mercedes E500 cabriolet, chassisnummer [nummer] , bouwjaar 14 juni 2011; - [kenteken]: o een kopie en een origineel kentekenbewijs deel I en II, afgegeven voor een Mercedes AMG GLE 63S , chassisnummer [nummer] , bouwjaar 24 juli 2015; - [kenteken]: o het originele en een kopie van het kentekenbewijs, afgegeven voor een Mercedes E500 cabriolet, chassisnummer WDD207 [nummer] , bouwjaar 4 juli 2014; o verzekeringsbewijs [kenteken] , afgifte 14 september 2015 ten name van [bedrijf 3] ; o een kopie van het Chileense paspoort van [verdachte] ; o een kopie van het Nederlandse rijbewijs van [verdachte] ; - [kenteken]: o het origineel kentekenbewijs deel I en II, afgegeven voor een Volkswagen Passat met chassisnummer [nummer] , bouwjaar 22 mei 2013; o een rekening van [servicecentrum] gericht aan [B.V. 1] voor een Volkswagen Passen met het chassisnummer [nummer] . Eindbedrag € 62.941,-; - [kenteken]: o het originele kentekenbewijs deel I en II behorend bij een Audi RS3 Sportback; - [kenteken]: o het origineel en een kopie van het kentekenbewijs, chassisnummer [nummer] , bouwjaar 4 november 2015; o factuur, bedrag € 62.500,01 dd 3 november 2015 voor [naam bedrijf] . Op 4 mei 2015 zijn de [kenteken] en [kenteken] waargenomen bij het perceel [perceel] . De huur van het perceel werd betaald door [naam 2] . Ook de [kenteken] en de [kenteken] zijn daar gezien. Op 9 oktober 2015 is op camerabeelden van het Van der Valk hotel te Breukelen te zien dat [naam 2] bij het hotel komt aanrijden in een personenauto van het merk Mercedes, voorzien van het kentekenplaat [kenteken] , met als bijrijder [naam 38] . De [kenteken] is op 17 april 2016 met als bestuurder [naam 36] in Spanje gecontroleerd. Verdachte is op 30 november 2015, 1 december 2015, 23 en 24 februari 2016 waargenomen in de [kenteken] . Op 2 december 2015 werden verdachte in Frankrijk gecontroleerd toen hij in de [kenteken] reed. [naam 2] is op 30 november 2015 en op 17 en 21 februari 2016 waargenomen in de [kenteken] . Op 1 december 2015 is gezien dat verdachte in de [kenteken] reed. Op 2 december 2015 is [naam 2] in Frankrijk gecontroleerd toen hij in de [kenteken] reed. Op 26 juni 2015 zijn verdachte en [naam 38] staande gehouden door de politie in Malaga. [naam 38] identificeerde zich met een identiteitskaart op naam van [naam 44] . Tussenconclusie rechtbank: Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de voertuigen met de kentekens [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] en [kenteken] door [naam 42] zijn gekocht en op naam van het bedrijf [bedrijf 3] gevestigd te [plaats] – het bedrijf van [naam 43] – zijn geregistreerd. Het betroffen hoofdzakelijk zeer exclusieve en dure auto’s. Bescheiden van deze voertuigen, een kopie van de paspoorten van verdachte en een vals identiteitsbewijs dat is gebruikt door [naam 38] zaten verstopt in een kastje dat als afwerking van verwarmingspijpen moest dienen. Verdachte is in een aantal van deze auto’s op meerdere data gezien. Ook is gezien dat verschillende personen die voor verdachte werkten te weten [naam 36] , [naam 13] , [naam 38] en [naam 2] (zie, pagina 25, voetnoten 8 en 9) gebruik maakten van een aantal van deze voertuigen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden vastgesteld dat er ten aanzien van voormelde voertuigen een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat het gebruik daarvan is gefinancierd met geld dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank heeft ter beantwoording van die vraag acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden. 1op 1-telefoon Op 29 februari 2016 voert [naam 13] in de Volvo een telefoongesprek met een onbekende man. Uit dit gesprek blijkt dat [naam 13] een telefoon heeft gekocht en daar de applicatie WhatsApp op heeft gezet. [naam 13] moet het nummer van de NN-man toevoegen in WhatsApp en die telefoon vervolgens aan een vriend van de NN-man geven. De stem van de NN-man is vermoedelijk de stem van verdachte. Uit de bakengegevens blijkt dat [naam 13] vervolgens naar de [adres] rijdt. Volgens de Kamer van Koophandel is op het adres [adres] een aantal bedrijven gevestigd, waaronder: [B.V. 2] . (handelsnaam [handelsnaam] ) en [B.V. 1] De bestuurder van alle op het adres gevestigde bedrijven is [naam 42] . Vervolgens klinkt het geluid van de centrale deurvergrendeling, gaat het portier open en zegt [naam 13] tegen de NN-man: “Dit is voor jou, dat weet je? (…) Staat Compa. (…) Is de enigste.. Er is maar een…ehhh..een contactpersoon. (…) He je weet, ik kom van [verdachte] , he? Dat weet je. (…) Ik moest dit naar jou brengen en die telefoon, en er staat al een bericht verzonden naar hem toe, dus dan kan jij ehhh..met hem..ehhh”. Vervolgens vraagt de NN-man: “Dus dan kan ik deze nu gebruiken. Dat is gewoon een iPhone6? (…) En die gebruiken we alleen hiervoor, he?” Daarop antwoordt [naam 13] bevestigend. Vervolgens geeft [naam 13] de pincode voor de telefoon door, te weten [pincode] . Tijdens de doorzoeking bij [naam 42] op 21 maart 2016 is een iPhone 6 aangetroffen. De telefoon kon worden ontgrendeld met de door [naam 13] genoemde pincode. In de telefoon stonden drie WhatsApp-gesprekken, waaronder een gesprek waarin door het telefoonnummer + [telefoonnummer] op ‘dinsdag’ is gestuurd: “Hey vriend dit is mijn nummer. Met de vriend van de ‘ GLE 63 ’. De laatste dinsdag vóór 21 maart 2016 is 15 maart 2016. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer] blijkt dat het telefoonnummer op 14 maart 2016 is gekoppeld aan een Iphone 6 met het imei-nummer [nummer] . Verdachte is op 16 juni 2016 in Spanje aangehouden voor het tonen van een valse legitimatiebewijs. Hij had toen een Iphone 6 met imei-nummer [nummer] bij zich. In het proces-verbaal van bevindingen is geverbaliseerd dat het imei-nummer uit 15 cijfers bestaat en het laatste cijfer een controlecijfer is; als het laatste cijfer anders is, blijft het imei-nummer uniek. [kenteken] In de losse notities die in de woning van bij [naam 36] zijn aangetroffen staat onder meer vermeld: “01-07 – 117.000 – ML Benz gegeven”. In het onderzoek 26Wallis is onder [naam 45] een telefoon inbeslaggenomen. In die telefoon bevindt zich een database waarin onder meer staat vermeld: “01-07-2015 – [verdachte] – 117.000 – Betaling ML [naam 42] ”. Uit het onderzoek 26Planthopper is gebleken dat er op 5 november 2015 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [naam 42] en [naam 45] , waarin onder meer door [naam 42] het volgende is gezegd: “Maar zijn broer was hier of één van zijn familie, want die auto met Chili is wel klaar”. Uit het aangiftesysteem AGS van de Douane is gebleken dat de Mercedes-Benz [kenteken] op 23 november 2015 door [B.V. 2] in Rotterdam in een uitgaande zeeschip is geladen, met als bestemming [adres] (Chili). [B.V. 2] is een bedrijf van [naam 42] . Verdachte en diens vader – genaamd [vader] – zijn woonachtig op het adres [adres] (Chili). Uit een lopend strafrechtelijk onderzoek in Chili is gebleken dat de vader van verdachte in Chili gebruik maakt van de Mercedes. Uit een door de Chileense autoriteiten verstrekte foto is te zien dat de Mercedes is voorzien van een Chileens kenteken en dat dit kenteken is bevestigd over een Duitse kentekenplaat, beginnend met een [letter] en eindigend op een [cijfer] . Het Chileense kenteken staat in Chili op naam van een in Engeland woonachtige Chileen genaamd [naam 46] . Tussenconclusie rechtbank: De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de [kenteken] met geld van de onderneming van verdachte is betaald. Uit de bij [naam 42] aangetroffen bescheiden blijkt dat [naam 42] in totaal € 117.000,- (€ 77.000,- en € 40.000,-) voor dit voertuig heeft aanbetaald. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat in het kasboek van [naam 36] en in een telefoon van [naam 45] is vermeld als bedrag dat aan ‘ [naam 42] ’ is gegeven voor een ‘ML Benz’. Dat met ‘ [naam 42] ’ [naam 42] wordt bedoeld wordt ondersteund door het gesprek tussen [naam 45] en [naam 42] over een auto die naar Chili moet en de vaststelling dat er op 1 juli 2016 namens verdachte door [naam 13] € 50.000,- naar [naam 42] is gebracht. De [kenteken] is ook daadwerkelijk naar Chili verscheept, alwaar het voertuig door de vader van verdachte wordt gebruikt. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte – net als de woning aan de [adres] , de opslagbox bij [opslagbedrijf] en de kasgelden – administratief niet aan het voertuig te koppelen is en het erop lijkt dat hij zijn betrokkenheid probeert te verhullen. In dat licht is het opvallend dat verdachte een 1 op 1-telefoon naar [naam 42] laat brengen en vervolgens op 21 maart 2016 een bericht stuurt naar [naam 42] waarin hij niet zijn naam zegt maar zichzelf voorstelt als ‘de vriend van de GLE 63 ’. Het bekende legale inkomen van verdachte kan niet verklaren hoe verdachte over dit exclusieve voertuig kan beschikken. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit voertuig een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat het is gefinancierd met geld dat van misdrijf afkomstig is. De ter terechtzitting van 9 maart 2021 afgelegde verklaring van verdachte dat dit voertuig door een oom van verdachte is aangeschaft, schuift de rechtbank – bij gebrek aan enige onderbouwing en in het licht van het voorgaande – als onaannemelijk terzijde. Bij de beantwoording van de vraag of ten aanzien van overige voertuigen ook kan worden vastgesteld dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat deze zijn gefinancierd met geld dat van misdrijf afkomstig is, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden. [kenteken] Op een losse notitie die bij [naam 36] is aangetroffen, is vermeld: “07-07 – 68.200 – afgegeven voor Passat”. In de database van de GSM van [naam 45] staat vermeld: “07-07 – 62000 – passat”. Bij de doorzoeking bij [naam 45] werd een handgeschreven notitie aangetroffen met de vermelding: “Passat 68.200 voor 15e betalen”. [kenteken] Op 1 maart is blijkens de kasboeken € 35.000,- uit de kas gehaald met de omschrijving “auto Duitsland”. Tijdens een doorzoeking van de woning van [naam 13] zijn twee facturen van 1 maart 2016 van het bedrijf [naam bedrijf 2] , gevestigd te [adres] (Duitsland) aangetroffen. Op beide facturen staat onderaan vermeld dat een aanbetaling van 50% van het factuurbedrag vereist is. Factuur 1 betreft een factuur van 1 maart 2016 voor een totaalbedrag van € 35.333,33. Onderaan de factuur staat een handgeschreven bedrag van € 17.500,- met daaronder de datum 01.03.2016 vermeld. Factuur 2 betreft een factuur van 1 maart 2016 en is gericht aan [handelsnaam] te [plaats] , een onderneming van [naam 42] . Het totaalbedrag van de rekening is € 30.006,81. Onderaan de factuur staat een handgeschreven bedrag van € 17.500,- met daaronder de datum 1 maart 2016 vermeld. De factuur heeft betrekking op de betaling van onderdelen voor een Audi RS6 4.0 liter V8 en het tunen van dit voertuig. Volgens de gegevens van het baken in de Volvo met kenteken [kenteken] is de Volvo op 1 maart 2016 in Duitsland geweest. Uit de OVC in de Volvo blijkt dat [naam 13] de bestuurder was. Uit informatie van Bureau Sirene te Portugal blijkt dat verdachte op 7 juli 2016 vanaf Lissabon Airport met het vliegtuig naar Dubai is vertrokken en een Audi RS6 met kenteken [kenteken] op 31 augustus 2016 op het parkeerterrein van het vliegveld te Lissabon is aangetroffen. De auto werd onder een dikke laag stof aangetroffen en had daar kennelijk voor een langere periode stil gestaan. De auto is op 6 oktober 2016 door een onbekende man opgehaald. Mercedes E 63 AMG ( [kenteken] , ) [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] Getuige [getuige 1] is door de politie in Duitsland gehoord. Hij heeft verklaard dat hij werkzaam is bij [naam bedrijf 2] en dat de volgende voertuigen bij [naam bedrijf 2] zijn getuned: Mercedes Benz E500 ( [kenteken] ), Mercedes Benz GLE 63 S AMG ( [kenteken] ), Audi RS 3 Sportback ( [kenteken] ), Audi RS 6 Avant (zonder kenteken) en een Mercedes Benz E 63 AMG. Hij had steeds contact met ‘ [naam 47] ’, maar dat was niet de eigenaar van de auto’s. “ [verdachte] ” zou de eigenaar geweest moeten zijn. Dat is de getuige te weten gekomen bij het afhalen van een auto. Hierbij was een persoon aanwezig die zich als [verdachte] voorstelde en beweerde de eigenaar van de auto’s van die opdrachten te zijn. [getuige 1] beschrijft ‘ [verdachte] ’ als ongeveer 35-40 jaar oud, Zuid-Amerikaans type, sportief uiterlijk. Aan de getuige zijn vervolgens foto’s getoond en gevraagd of hij de personen op de foto’s kent. Daarop heeft hij ten aanzien van de persoon op foto 4 geantwoord dat dat ‘ [verdachte] ’ zou kunnen zijn. De rechtbank neemt waar dat op foto 4 verdachte staat afgebeeld. Op de iPhone van verdachte die in de woning aan de [adres] in beslag is genomen is een WhatsApp-bericht aangetroffen dat is verstuurd naar [naam 48] . In dat bericht staat vermeld: “Goeden avond, dit is [verdachte] .. Ben van het appartament aan de [adres] ”. Tussenconclusie rechtbank: De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande ook ten aanzien van de voertuigen met kentekens [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] en [kenteken] een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat deze zijn betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat getuige [getuige 1] van [naam bedrijf 2] heeft verklaard dat een man genaamd ‘ [verdachte] ’ bij [naam bedrijf 2] is langs geweest en dat deze ‘ [verdachte] ’ heeft gezegd dat hij de eigenaar van de auto’s is. Dat zouden de Mercedes Benz E500 ( [kenteken] ), Mercedes Benz GLE 63 S AMG ( [kenteken] ), Audi RS 3 Sportback ( [kenteken] ), Audi RS 6 Avant (zonder kenteken) en een Mercedes Benz E 63 AMG zijn. De getuige heeft ten aanzien van een aan hem getoonde foto verklaard dat de man op de foto ‘ [verdachte] ’ zou kunnen zijn. Dit kan niet worden beschouwd als een volledige herkenning. In samenhang met alle overige bevindingen ten aanzien van de voertuigen alsmede het gegeven dat de tweede naam van verdachte ‘ [verdachte] ’ is, kan naar het oordeel van de rechtbank echter met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte ‘ [verdachte] ’ is. Het verweer van de verdediging dat verdachte zichzelf nooit ‘ [verdachte] ’ noemt wordt – onder verwijzing naar het WhatsApp-bericht aan [naam 48] waaruit blijkt dat verdachte zichzelf weldegelijk ‘ [verdachte] ’ noemt – verworpen. De rechtbank overweegt voorts dat ook ten aanzien van deze voertuigen geen administratieve koppeling is te maken met verdachte, zodat ook hier sprake lijkt te zijn van een afschermconstructie. De rechtbank overweegt ten aanzien van het voertuig met kenteken [kenteken] in het bijzonder dat op grond van de kasboeken, de bakengegevens van de Volvo met kenteken [kenteken] en de stemherkenning van [naam 13] , kan worden vastgesteld dat op 1 maart 2021 met geld uit de kas van de organisatie van verdachte twee facturen van [naam bedrijf 2] zijn betaald. Eén van de facturen heeft betrekking op een Audi RS6 4.0 liter V8. De rechtbank overweegt ten aanzien van [kenteken] in het bijzonder dat in de A4 map die bij [naam 42] is aangetroffen schriftelijke bescheiden zijn aangetroffen van diverse voertuigen, waarvan slechts één voertuig een Mercedes E 63 AMG betreft. Dit voertuig heeft het kenteken [kenteken] . Nu de getuige heeft verklaard dat ‘ [verdachte] ’ ook de eigenaar zou zijn van de Mercedes E 63 AMG, stelt de rechtbank vast dat de Mercedes E 63 AMG de [kenteken] betreft. Het dossier bevat daarnaast ook bevindingen ten aanzien van een Mercedes S63 AMG. De officier van justitie heeft ten aanzien van dat voertuig ook gerekwireerd dat er sprake is van een vermoeden dat dit voertuig is betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank heeft ten aanzien daarvan acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden. Mercedes S63 AMG In het onderzoek 26Wallis zijn telefoongesprekken van [naam 42] afgeluisterd en opgenomen. Daaruit is gebleken dat [naam 42] op 14 april 2016 belt met een onbekende man met de voornaam ‘ [naam 49] ’, met telefoonnummer [telefoonnummer] . In het gesprek zegt [naam 42] dat ‘ [naam 49] ’ gebeld gaat worden door [verdachte] en gaat vragen over de auto die ze in bestelling hebben. In het onderzoek 26Ontario is informatie opgevraagd bij Mercedes Nederland B.V. Daaruit blijkt dat door [naam 50] bij het autobedrijf [autobedrijf] een Mercedes type AMG S63 4MATIC Cabriolet met chassisnummer [nummer] is besteld. De auto wordt in augustus/september 2016 afgeleverd bij autobedrijf [autobedrijf] en is bestemd voor [naam 42] . De prijs van de auto is € 255.353,56. Blijkens een CIOT bevraging staat het telefoonnummer [telefoonnummer] op naam van [naam 50] , [adres] . Op dat adres zit een Mercedes-Benz dealer gevestigd, genaamd [autobedrijf] staat op de internetsite vermeld als verkoper. Ook in het onderzoek 13Orinus zijn telefoongesprekken van [naam 42] afgeluisterd en opgenomen. Daaruit is gebleken dat [naam 42] op 28 september 2016 telefonisch contact heeft gehad met [naam 50] , waarin [naam 42] onder meer om 14:25 uur vraagt hoe het met zijn Mercedes is en zegt dat ‘er zo effe iemand komt kijken’. Om 16:36 uur belt [naam 49] naar [naam 42] en zegt dat ‘die mannen weg zijn’ en dat hij de auto heeft laten zien. Op 6 september 2016 is een technische actie gestart in de Mercedes-Benz AMG S63 met chassisnummer [nummer] . Uit een OVC-gesprek op 28 september 2016 is gebleken dat er een gesprek plaats vindt tussen [naam 50] en een NN-man met een Marokkaans accent. Het gesprek begint op 16.17 uur en eindigt omstreeks 16.27 uur. In het gesprek wordt gesproken over de Mercedes-Benz, over wat er allemaal in en op het voertuig zit aan accessoires. De stem van de NN-man is herkend als de stem van [naam 2] . [naam 50] heeft op 27 september 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij met [naam 42] contact heeft gehad en dat hij een verkooporder heeft opgemaakt voor een Mercedes S63 AMG Cabrio. De auto zou voor [naam 42] zelf zijn. Tussenconclusie rechtbank: Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er sterke aanwijzingen zijn dat de Mercedes S63 AMG met geld van verdachte is gefinancierd en dat het voertuig in opdracht van verdachte wordt getuned. Gelet op het bekende legale inkomen van verdachte en het feit dat er ook voor dit voertuig geen administratieve link met verdachte kan worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat er ook ten aanzien van dit voertuig sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat dit voertuig is gefinancierd met geld dat van misdrijf afkomstig is. Samenvattend concludeert de rechtbank dat er ten aanzien van de voertuigen met kentekens [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] , [kenteken] en [kenteken] alsmede een Mercedes S63 AMG een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat deze zijn betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank merkt op dat niet alle in het dossier genoemde [kenteken] kentekens hier besproken zijn, omdat aan de hand van bovenstaande het vermoeden van een witwasconstructie met voertuigen al voldoende aannemelijk is geworden. Woning [adres] Op 5 juli 2016 is onder [naam 36] een iPhone 6 (goednummer 5219395) in beslag genomen. De iPhone bevat tientallen foto’s van een luxueus huis waaraan nog verbouwingswerkzaamheden plaatsvinden. De foto’s zijn gemaakt in april en mei 2016. Ook op een andere inbeslaggenomen iPhone (goednummer 5219397) van [naam 36] staat een grote hoeveelheid foto’s van een luxueus huis waaraan kennelijk in de maanden februari, maart, april en mei 2016 is verbouwd. Uit de chats die op de beide iPhones stonden blijkt dat de werkzaamheden plaatsvonden onder leiding van [naam 36] . Uit onderzoek blijkt dat het huis is gelegen op het complex [adres] . Tijdens de aanhouding van verdachte in Chili werd in de auto waarin verdachte zich bevond, een iPad aangetroffen (goednummer 5516090). In het tabblad ‘Pictures’ bevond zich ook een aantal van foto’s van een luxueuze woning. Uit vergelijking van de foto’s van de iPad en die op de iPhones die onder [naam 36] in beslag zijn genomen blijkt dat het dezelfde woning betreft. Op 6 augustus 2016 is de woning [adres] door de Spaanse politie doorzocht. In de woning was op dat moment [naam 51] aanwezig. In de woning werden documenten van verdachte aangetroffen, waaronder fotokopieën van het paspoort van verdachte en vliegtickets, een kwitantie van Louis Vuitton, een Life Miles kaart Avianca en een instapkaart op naam van verdachte. Verdachte en [naam 51] hebben met respectievelijk de PGP-adressen [gebruikersnaam] en [PGP-adres 1] (zie voor de koppeling van deze PGP-adressen paragraaf 4.4.1.B.) een gesprek op 9 november 2015. Daarin vraagt [naam 51] aan verdachte of alles ok is met die man van het huis, waarna verdachte zegt dat alles oké is, dat hij hem het geld al heeft gegeven en dat alles rond is. Vervolgens zegt [naam 51] : “Ok ja hij moet ook een beetje aan jou denken vriend… Wij zijn ook goed voor hem geweest… Huis verbouwd altijd netjes de huur…. Zonder die verbouwing zou die het nooit verkopen…”. Daarop reageert verdachte als volgt: “Precies..790.. en ik betaal nog 210 voor andere dingen.. totaal een mil..”. De vorige eigenaar van de woning – [naam 52] – heeft bij de politie in Spanje verklaard dat verdachte in augustus of september 2015 zou hebben verteld dat hij de woning wilde kopen. Verdachte heeft dat tegen [naam 52] gezegd nadat hij de huur van de woning van [naam 51] had overgenomen en de woning was gaan verbouwen. Ze kwamen een verkoopprijs overeen van € 780.000,-. In november 2015 is de verkoopovereenkomst gesloten. In maart 2016 zou verdachte tegen [naam 52] hebben gezegd dat een bedrijf in Dubai contact met hem zou opnemen. Verdachte zou samen met dat bedrijf de woning kopen. Bij een afspraak om dat in orde te maken nam verdachte een man genaamd [naam 53] en een advocaat mee. Verdachte vertelde aan [naam 52] dat [naam 53] de woning zou kopen namens een bedrijf in Dubai. Vervolgens is de verkoopakte door [naam 53] getekend en in juli en september 2017 werden twee bedragen van in totaal ongeveer € 660.000,- door een bedrijf genaamd [bedrijf 5] overgemaakt. In de koopakte wordt [naam 53] vermeld als de koper en is niet vermeld dat hij optreedt in naam van [bedrijf 5] . De rechtbank neemt waar dat op de koopakte van 20 oktober 2017 als koper staat vermeld: [naam 53] . Getuige [naam 51] heeft bij de rechter-commissaris op 7 november 2019 verklaard dat het klopt dat verdachte de woning wilde kopen. Getuige [getuige 2] heeft in 2018 bij de politie in Spanje verklaard dat hij werkt als onderhoudspersoneel in de Urbanisatie [adres] , dat de woning eerst aan [naam 51] werd verhuurd en nadien ‘ [verdachte] ’ tegen hem heeft gezegd dat hij de woning huurde zonder contract en de woning wilde kopen. De getuige heeft voorts verklaard dat ‘ [verdachte] ’ de woning heeft gekocht voor ongeveer € 800.000,-. [naam 53] heeft hij nog nooit bij de woning gezien. Met ‘ [verdachte] ’ bedoelt hij verdachte. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige op 26 mei 2020 verklaard dat hij had gehoord dat ‘ [verdachte] ’ het appartement had gekocht en dat het appartement op naam van ie

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.