RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/728003-16 (Promis) Datum uitspraak: 31 mei 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 juli 2018, 25 september 2018, 12 december 2018, 27 februari 2019, 23 mei 2019, 7 augustus 2019, 9 oktober 2019, 16 december 2019, 12 februari 2020, 15 april 2020, 2 juni 2020, 18 augustus 2020, 14 oktober 2020, 15 december 2020, 8 maart 2021, 9 maart 2021, 10 maart 2021, 15 maart 2021, 17 maart 2021, 18 maart 2021 en 31 mei 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. [officier van justitie 1] en mr. [officier van justitie 2] (hierna: officier van justitie), en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. L.J.G.B. van Kleef naar voren hebben gebracht. 2De tenlastelegging Verdachte wordt – na wijzigingen van de tenlastelegging – kort weergegeven – beschuldigd van: 1. Deelname als leider aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten (gewoonte)witwassen, bezit van (vuur)wapens en munitie en moord in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 (artikel 140 Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr); en/of Deelname als leider aan een criminele organisatie met als oogmerk het voorbereiden/bevorderen van drugshandel in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 (artikel 11b Opiumwet, hierna: Ow); 2. Medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 20 oktober 2017 (artikelen 420ter, 420bis, 420quater Sr); 3. Medeplegen van het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie op 5 juli 2016 (Wet wapens en munitie). Voor zover in het onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde criminele organisatie met als oogmerk het voorbereiden en/of bevorderen van drugshandel is verwezen naar het vierde of vijfde lid van artikel 10A Ow, beschouwt de rechtbank dat als een kennelijke verschrijving nu artikel 10A Ow geen vierde en vijfde heeft en niet is gebleken dat het voor verdachte niet duidelijk was dat het vierde en vijfde lid van artikel 10 Ow werd bedoeld. De rechtbank zal deze kennelijke verschrijving verbeterd lezen. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt van dit vonnis deel uit. 3Voorvragen 3.1. Geldigheid dagvaarding Het verweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 partieel nietig is, namelijk voor wat betreft het onderdeel “luxe goederen, te weten (onder andere) een of meer (exclusieve) horloges”. Volgens de verdediging is de tenlastelegging ten aanzien van dat onderdeel onvoldoende bepaald, nu niet duidelijk is om welke goederen dan wel horloges het gaat. In de tenlastelegging had per tenlastegelegd horloge een concrete beschrijving of vindplaats moeten worden opgenomen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat het verweer tardief is, nu geen bezwaar is gemaakt toen de wijziging van de tenlastelegging werd gevorderd. Subsidiair stelt het Openbaar Ministerie dat voldoende duidelijk is om welke horloges het gaat. Verdachte is immers uitgebreid over de horloges bevraagd en in het requisitoir is duidelijk uiteengezet om welke horloges het gaat. Bovendien worden de specifieke merken van de horloges in de tenlastelegging opgesomd en gaat het om een hoeveelheid horloges die te overzien is. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is allereerst van oordeel dat het verweer van de verdediging niet tardief is. Het staat de verdediging vrij om bij de inhoudelijke behandeling de geldigheid van de dagvaarding ter discussie te stellen, ook als eerder geen bezwaar is gemaakt tegen een wijziging van die tenlastelegging. De verdediging heeft aangevoerd dat niet voldoende duidelijk is waartegen zij zich wat betreft de luxegoederen en horloges moet verdedigen. Bij de beantwoording van de vraag of de tenlastelegging op dit punt voldoende feitelijk en duidelijk is, moet niet alleen worden gekeken naar de letterlijke tekst van de tenlastelegging, maar moet deze mede worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier. De rechtbank overweegt dat in de tenlastelegging de merken van de horloges waar de verdenking van witwassen (mede) op ziet, limitatief zijn opgesomd. Daar komt bij dat uit het dossier is af te leiden op welke plaatsen er horloges, certificaten en doosjes zijn aangetroffen. De hoeveelheid horloges is bovendien te overzien. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – voor wat betreft de horloges voldoende feitelijk en duidelijk is en dat het voor verdachte voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging in zoverre verworpen. Voor zover in de tenlastelegging met de woorden “onder andere” wordt gedoeld op andere luxegoederen dan horloges, is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging partieel nietig moet worden verklaard nu de tenlastelegging op dit punt onvoldoende feitelijk en duidelijk is. Er is op geen enkele wijze geduid welke goederen bedoeld worden. Nu de dagvaarding anderszins voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), is de dagvaarding voor het overige geldig. 3.2. Ontvankelijkheid officier van justitie of bewijsuitsluiting 3.2.1. Specialiteitsbeginsel De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte, blijkens de tekst van de uitleveringsbeslissing van de Chileense Hoge Raad van 15 januari 2018, door Chili niet is uitgeleverd voor het leiding geven aan een criminele organisatie. Op grond van het specialiteitsbeginsel mag verdachte daarvoor nu niet vervolgd worden. In zoverre is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. De officier van justitie is het daarmee niet eens. Uit de stukken die tot de uitlevering hebben geleid, zoals het aanhoudingsbevel en het uitleveringsverzoek, blijkt dat de uitlevering werd verzocht voor het geven van leiding aan een criminele organisatie. Dat is in die stukken met zoveel woorden vermeld. Dat de uitlevering mede is toegestaan voor leiding geven volgt ook uit de omstandigheid dat artikel 140, derde lid, Sr gaat over het leiding geven aan zo’n organisatie. Dit artikel is in het geheel ten grondslag gelegd aan het uitleveringsverzoek en vormde daarmee de basis voor de toestemming om verdachte uit te leveren. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank stelt vast dat in de Chileense uitleveringsbeslissing inderdaad niet expliciet wordt overwogen dat de uitlevering wordt toegestaan voor het leiding geven aan een criminele organisatie. Er wordt toestemming gegeven voor de uitlevering om te vervolgen voor “toebehoren aan een criminele organisatie”. Anders dan de raadsman betoogt, volgt hieruit niet dat geen toestemming werd verleend voor vervolgen voor leiding geven aan een criminele organisatie. Daarvoor is om te beginnen van belang dat uit het uitleveringsverzoek blijkt dat verdachte in Nederland zal worden vervolgd voor het leiderschap van een criminele organisatie. De Chileense autoriteit wist dus dat vervolging van leiderschap gevraagd was. De uitleveringsbeslissing houdt geen expliciete of impliciete afwijzing in van de verzochte uitlevering voor leiding geven, terwijl (taalkundig of juridisch) ook niet kan worden volgehouden dat toebehoren aan een criminele organisatie het leiding geven daaraan zou uitsluiten. Leiding geven aan een criminele organisatie is ook een vorm van toebehoren daaraan en behoefde gezien het verzoek geen afzonderlijke expliciete toewijzing. Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de uitleveringsbeslissing de vervolging daarvoor ook toestond. Voorwaardelijk verzoek Volgens de verdediging zou er tijdens de uitleveringszitting in Chili discussie zijn geweest over de vraag of verdachte zou mogen worden uitgeleverd voor het leidinggeven aan een criminele organisatie. De verdediging heeft daarom voorwaardelijk verzocht om aanhouding van de zaak teneinde de geluidsbestanden van de uitleveringszitting uit te laten werken. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat zij de uitwerking van de geluidsbanden – gelet op de uitleveringsbeslissing en de uitleg die zij daaraan geeft – niet noodzakelijk acht. 3.2.2. Vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek De verdediging heeft bepleit dat er in het voorbereidend onderzoek meerdere onherstelbare vormverzuimen hebben plaatsgevonden. Om die reden moet volgens de verdediging de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel moet bewijsuitsluiting volgen van het onrechtmatig verkregen bewijs. De verweren spitsen zich toe op de volgende onderwerpen: I. Ennetcom-data en de 13Orinus-dataset; II. Rechtmatigheid verleende machtiging ex artikel 126l Sv; III. Sending order. I. Ennetcom-data en de 13Orinus-dataset Inleiding Het procesdossier bevat een grote hoeveelheid berichten die verstuurd zijn met zogeheten Pretty Good Privacy telefoons (hierna: PGP-telefoons). PGP-telefoons zijn telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Deze berichten zijn afkomstig van in beslag genomen PGP-telefoons en van (onder andere) servers van Ennetcom. Ennetcom is een Nederlands bedrijf dat diensten leverde op het gebied van versleutelde communicatie: met telefoontoestellen voorzien van specifieke software konden via emailadressen versleutelde berichten worden verzonden, waardoor de gebruikers van de telefoons en emailadressen (schijnbaar) anoniem konden communiceren met elkaar. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de servers van Ennetcom in Canada. In april 2016 zijn – na een rechtshulpverzoek van Nederland aan de Canadese autoriteiten – de gegevens (data) op de servers van Ennetcom veiliggesteld. Het rechtshulpverzoek had betrekking op vier lopende strafrechtelijke onderzoeken (26Koper, 13Rooibos, 13Rendlia en 26DeVink). Op 19 september 2016 heeft de Superior Court of Justice in Canada (hierna: de Canadese rechter) beslist dat de bij Ennetcom in beslag genomen gegevens weliswaar aan Nederland mochten worden verstrekt, maar dat de gegevens alleen in de vier voormelde onderzoeken mochten worden gebruikt. Omdat de Canadese rechter voorzag dat ook bij andere Nederlandse opsporingsonderzoeken interesse zou kunnen bestaan in de Ennetcom-data, heeft de Canadese rechter bepaald dat – voor toegang tot de Ennetcom-data in andere dan de vier genoemde onderzoeken – een Nederlandse rechter van te voren een machtiging moet afgeven. De Canadese rechter wilde daarmee voorkomen dat de Nederlandse autoriteiten een ‘fishing expedition’ zouden gaan uitvoeren in de grote hoeveelheid Ennetcom-data, en met de eis van een machtiging de rechten van derden beschermen. Inmiddels is in meerdere andere strafrechtelijke onderzoeken door een rechter-commissaris aan de officier van justitie machtiging verleend op grond van artikel 126ng Sv, om aan de Ennetcom-data onderzoek te verrichten. Op grond van artikel 126ng Sv kunnen – na machtiging door een rechter-commissaris – identificerende- en inhoudsgegevens door een officier van justitie van een telecomaanbieder worden gevorderd. Dit kan alleen bij verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Ook in het onderhavige onderzoek, 13Orinus, heeft de officier van justitie op grond van 126ng Sv aan de rechter-commissaris een machtiging verzocht om onderzoek te verrichten aan de Ennetcom-data. Bij beschikking van 12 april 2018 heeft de rechter-commissaris de machtiging verleend, waarna het onderzoeksteam 13Orinus een zoekslag is gestart in de Ennetcom-data. Op 12 juli 2019 is door de rechter-commissaris een machtiging verleend voor een tweede zoekslag. A. Ten aanzien van de eerste zoekslag Het verweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie aan de vordering 126ng, tweede lid, Sv om onderzoek te mogen doen in de Ennetcom-data ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat – kort gezegd – sprake zou zijn van verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Immers, in de onderbouwing van de vordering is vermeld dat het onderzoek 13Orinus een onderzoek zou betreffen naar “een criminele organisatie welke tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties (moord c.q. doodslag), (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen en witwassen”, terwijl verdachte op dat moment in voorlopige hechtenis zat op grond van verdenking van deelname aan een criminele organisatie, witwassen, wapenbezit en leider van een criminele organisatie die drugsfeiten zou voorbereiden. Verdachte zat op dat moment niet in voorlopige hechtenis op grond van verdenking van deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk moord. Ook is betrokkenheid bij grootschalige invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen niet tenlastegelegd. Er was dus op dat moment geen verdenking die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverde. Vervolgens heeft de rechter-commissaris de vordering op 12 april 2018 toegewezen met de onderbouwing dat het een onderzoek betreft naar onder meer “een criminele organisatie welke tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties (moord c.q. doodslag), (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen en witwassen. Dergelijke feiten leveren een ernstige inbreuk op de rechtsorde op”. Ook ten tijde van het verlenen van de machtiging door de rechter-commissaris bestond er echter geen verdenking die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverde. De rechter-commissaris wist – of had moeten weten – dat de vordering van de officier van justitie was onderbouwd met onjuiste informatie. De rechter-commissaris heeft de informatie in de vordering kennelijk niet gecontroleerd. Bij zowel het Openbaar Ministerie als bij de rechter-commissaris was sprake van tunnelvisie die geleid heeft tot een schending van artikel 126ng, tweede lid, Sv waardoor de machtiging van de rechter-commissaris onrechtmatig is verleend. Zodoende hebben de officier van justitie en de rechter-commissaris niet conform de door de Canadese rechter geformuleerde waarborgen gehandeld om ‘fishing expeditions’ te voorkomen en derden te beschermen tegen onrechtmatige toegang tot de Ennetcom-data. Er is sprake van onherstelbaar vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Om die reden moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, of alles wat (in)direct is verkregen als gevolg van de onrechtmatige machtiging van het bewijs worden uitgesloten. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat er vanaf het begin van het onderzoek een verdenking bestond dat verdachte zich bezighield met de handel en import van cocaïne en dat de criminele organisatie van verdachte als oogmerk moord had. Deze verdenking is vanaf het begin van het onderzoek in zowel vorderingen en bevelen als in het Internationaal Arrestatiebevel genoemd. Daarnaast is in de eerste vordering op grond van artikel 126ng Sv – met bijbehorend plan van aanpak – duidelijk omschreven waarop de verdenking van moord was gebaseerd, namelijk op TCI-informatie en op de bevindingen binnen het onderzoek die leidden tot de vondsten van wapens in de Volvo, in de woning van verdachte en bij leden van zijn criminele organisatie. Bovendien is het criterium voor het toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden – waaronder een vordering bij de rechter-commissaris ex artikel 126ng, tweede lid, Sv – niet slechts gelegen in verdenking voor de feiten waarvoor een verdachte op dat moment in voorlopige hechtenis verblijft. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 126ng, tweede lid, Sv bepaalde gegevens, zoals emailberichten, die zijn opgeslagen bij een internetaanbieder kunnen worden opgevraagd 1) indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert en 2) in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het gaat daarbij om een verdenking in de zin van artikel 27, eerste lid, Sv, te weten een – uit feiten en omstandigheden voortvloeiend – redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Dat is dus een ander – minder zwaar – criterium dan de ernstige bezwaren die worden vereist voor een bevel tot voorlopige hechtenis. In de vordering ex artikel 126ng, tweede lid, Sv van de officier van justitie van 4 april 2018 zijn bevindingen uit het onderzoek 13Orinus opgenomen die aanleiding hebben gegeven voor de vordering. Kort samengevat gaat het ten aanzien van de verdenking van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van liquidaties en (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen om onder meer de volgende onderzoeksbevindingen: Een melding van Meld Misdaad Anoniem van 23 september 2015: “Internationaal cocaïne transport. De msc katya r. is op 6 september jl. vertrokken uit Ecuador. Aankomst 24 of 25 september op ddn msc Delta in Rotterdam. Het betreft een droge container met cocaïne. De zender is [verdachte] geboren op [geboortedag] 1975”; Een TNI-melding waarin werd aangegeven dat op voornoemd schip cocaïne aanwezig zou zijn bestemd voor de groep [naam 1] en [verdachte] ; Op 27 september 2015 is op het schip MSC KATYA R in de Rotterdamse haven 440 kilogram cocaïne aangetroffen; Verdachte en [naam 2] zijn gezamenlijk gecontroleerd op 2 december 2015 in Frankrijk, toen zij in een voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] en [kenteken] reden; Op 18 december 2015 werd door het TCI de volgende melding verstrekt: “ [naam 3] heeft een aantal Joegoslavische ex-militairen geregeld, die nog voor Oud en Nieuw liquidaties gaan uitvoeren. [verdachte] heeft opdracht gegeven voor deze liquidaties. [naam 4] regelt een onderkomen voor de Joegoslaven. [naam 5] en [naam 2] zullen de Joegoslaven faciliteren. De beoogde slachtoffers behoren tot de groep van wijlen [naam 6] en betreffen diens broer [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12]”; Uit OVC-opnames uit de bij [naam 2] in gebruik zijnde Volvo blijkt dat verdachte betrokken is bij het aansturen van ‘missies’ en dat voor deze ‘missies’ gebruik wordt gemaakt van voornoemde Volvo door leden van de organisatie, waaronder [naam 13] ; In de Volvo zijn op 5 juli 2016 in een verborgen ruimte twee vuurwapens en munitie aangetroffen; In de woning van [naam 13] zijn op 5 juli 2016 een wapen en patronen aangetroffen; Uit de bakengegevens van de Volvo blijkt dat onder meer [naam 2] regelmatig een bezoek brengt aan het bedrijf [bedrijf 1] . Uit gevoerde tapgesprekken en OVC-gesprekken blijkt dat [bedrijf 1] ‘het kantoor’ wordt genoemd. [bedrijf 1] is het bedrijf van de zus en zwager van verdachte; In het bedrijf [bedrijf 1] is een doosje met vijftig 6,35 Browning patronen aangetroffen; In de woning aan de [adres] – waar verdachte tot 30 november 2007 stond ingeschreven en waarvan poststukken in de woning en auto van [naam 13] zijn aangetroffen – zijn patronen gevonden; In deze woning aan de [adres] is ook – verstopt in de toiletruimte – een krant aangetroffen met een artikel over de vondst van een grote hoeveelheid verdovende middelen op een boot alsmede papieren bescheiden met daarop berekeningen met grote geldbedragen en boten en onderschepte ladingen cocaïne die door middel van grote vrachtschepen vanuit Zuid-Amerika naar Nederland werden verscheept; In een opslagbox bij opslagbedrijf ‘ [opslagbedrijf] ’ zijn tussen spullen van verdachte notities aangetroffen, waaronder een notitie met daarop een lijst van chemicaliën met hoeveelheden. De vermelde chemicaliën zijn zeer geschikt voor het terugwinnen van cocaïnebase uit binnen gesmokkeld waar. Gezien de verhoudingen gaat het volgens de LFO-expert om het terugwinnen en vervolgens kristalliseren van maximaal enkele honderden tot 900 kilo aan cocaïne-HCL. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich schuldig maakte aan deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van liquidaties (moord c.q. doodslag) en (grootschalige) invoer/doorvoer/uitvoer van verdovende middelen. De stelling van de verdediging dat er door het Openbaar Ministerie een verdenking is gepresenteerd die niet bestond en dat er bij het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris sprake was van tunnelvisie, wordt dan ook niet door de feiten geschraagd. De rechtbank concludeert dat de rechter-commissaris in redelijkheid de machtiging ex artikel 126ng, tweede lid, Sv heeft kunnen verlenen. Dat verdachte op dat moment niet ook voor deze feiten in voorlopige hechtenis zat, maakt dat oordeel niet anders nu de toets voor het mogen toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals artikel 126ng, tweede lid, Sv en het kunnen bevelen van de voorlopige hechtenis, niet dezelfde is. Ten aanzien van de tweede zoekslag Het verweer van de verdediging Alle Ennetcom-data die door de tweede zoekslag zijn verkregen moeten volgens de verdediging worden uitgesloten van het bewijs wegens onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat de onrechtmatigheid van de eerste zoekslag ook de tweede zoekslag heeft besmet. Daarnaast is er in strijd gehandeld met de bedoeling van de Canadese rechter, omdat de omvang van deze zoekslag veel te omvangrijk (664.000 adressen) en onvoldoende begrensd was. Artikel 126ng, tweede lid, Sv schrijft voor dat gegevens kunnen worden gevorderd voor zover deze klaarblijkelijk van verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. De machtiging ging echter veel verder dan dat. Het toezicht van de rechter-commissaris schoot volgens de verdediging daarbij tekort. Verder is volgens de verdediging gehandeld in strijd met het recht op privacy zoals beschermd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat door het afgeven van de beschikking niet is voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De schending is aanzienlijk. Gebruik van de Ennetcom-data voor het bewijs leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bepaald in artikel 6 EVRM, omdat de schending van artikel 8 EVRM ten grondslag heeft gelegen aan het verkrijgen van het bewijs, terwijl dit bewijs de basis en het kernbewijsmateriaal vormt voor de verdenkingen tegen verdachte. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft bestreden dat er sprake was van een ‘fishing expedition’. De hoeveelheid onderzochte PGP-accounts is aanzienlijk kleiner dan door de raadsman gesteld, namelijk ongeveer 2.000 accounts. De rechter-commissaris heeft wel toezicht gehouden op het onderzoek in de Ennetcom-data, onder meer door het toetsen van de plannen van aanpak, waarin door het Openbaar Ministerie werd onderbouwd welke accounts en/of zoektermen relevant werden geacht. Verder is de raadsman in de gelegenheid gesteld om alle onderzochte data bij het NFI te bekijken en te controleren en zijn alle in het dossier opgenomen PGP-lijnen volledig aan hem verstrekt. Ook zijn de artikelen 6 en 8 EVRM niet geschonden. Juist om de rechten van andere Ennetcom-gebruikers te beschermen heeft de Canadese rechter restricties gesteld aan de toegankelijkheid van de Ennetcom-data. Ook biedt artikel 126ng, tweede lid, Sv wel degelijk basis voor de bevraging, omdat die bevraging juist valt onder alle varianten van dit artikel. Het oordeel van de rechtbank Artikel 126ng, tweede lid, Sv bepaalt dat slechts van een communicatiedienst gegevens kunnen worden gevorderd voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit zijn gepleegd. De rechtbank overweegt dat in de rechtspraak al eerder is goedgekeurd dat een vordering om in de Ennetcom-data te zoeken wordt gebaseerd op artikel 126ng, tweede lid, Sv (zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 14 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2504, r.o. 6.4.1 en de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 26 juni 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2833). Deze rechtbank ziet geen reden om daar in deze zaak anders over te oordelen. De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de eerste zoekslag dat uit de beschikking van de rechter-commissaris van 12 april 2018 blijkt dat de rechter-commissaris vond dat in de vordering van 4 april 2018 voldoende was onderbouwd dat de gevraagde emailadressen door (onder meer) verdachte en zijn contacten werden gebruikt en dat PGP-berichtenverkeer tussen verdachten in het teken van de verdenking hoogstwaarschijnlijk was. De rechter-commissaris heeft daarbij bepaald dat het onderzoek alleen mocht worden verricht aan de hand van de vooraf door de rechter-commissaris goedgekeurde zoektermen en/of -handelingen. Deze zoektermen en/of -handelingen zijn beschreven in het bij de vordering van de officier van justitie gevoegde plan van aanpak en betreffen de inhoud van specifiek omschreven emailadressen en telefoontoestellen (Kader A) en eventuele toestellen en emailadressen die daarmee direct in contact stonden (Kader B). Daaronder worden begrepen de emailadressen die voorkomen in de contactlijsten van de genoemde toestellen en emailadressen. De rechter-commissaris heeft voorts bepaald dat voor personen en/of contacten die in een verder verwijderd verband staan, afzonderlijk – eventueel in een aanvulling op het initiële plan van aanpak – zal moeten worden gemotiveerd dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat het gaat om gegevens die klaarblijkelijk van verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit zijn gepleegd. Vervolgens heeft de officier van justitie op 8 juli 2019 aan de rechter-commissaris een aanvulling van het plan van aanpak overgelegd en daarmee verzocht om een uitbreiding van de toegestane zoektermen en/of handelingen in de Ennetcom-data. De aanvulling hield allereerst een uitbreiding in van Kader A, waarbij werd verzocht om ook onderzoek te mogen verrichten naar de inhoud van 67 emailadressen die inmiddels waren geïdentificeerd van de 14 personen die onder Kader A vielen alsmede 16 emailadressen van verdachte. Voorts werd verzocht om de inhoud van alle mailbox-accounts waarmee de emailadressen van Kader A in contact staan (Kader B). Daarnaast werd toestemming verzocht om alle adresboeken en opgeslagen bijnamen van Kader C en D op te vragen. Tot slot werd toestemming verzocht om de gegevens op te vragen van de adresboeken van personen die uit Kader D inzichtelijk werden (Kader E). Bij e-mailbericht van 12 juli 2019 heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven om de in de “aanvulling plan van aanpak” verzochte gegevens in de Ennetcom-data op te vragen. Uit het voorgaande volgt allereerst dat het door de rechter-commissaris toegestane onderzoek in de Ennetcom-data wel degelijk in omvang is beperkt. De rechter-commissaris heeft het onderzoek in de Ennetcom-data geclausuleerd door alleen toestemming te geven voor de verzochte kaders A tot en met E. Van een onbeperkte toegang tot de Ennetcom-data was dan ook geen sprake. De rechtbank overweegt voorts dat – anders dan de verdediging heeft gesteld – alleen de inhoud van de mailbox-accounts van kader A en B inzichtelijk zijn gemaakt en niet ook die van kaders C, D en E. Van kader C zijn slechts de communicatie met kader B en de adresboeken en opgeslagen bijnamen verkregen. Van de kaders D en E zijn slechts de adresboeken en opgeslagen bijnamen verkregen. Dat er daarmee sprake is van een ‘fishing expedition’ doordat de inhoud van 664.000 PGP-adressen is verkregen, is dan ook niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit ook niet dat méér inhoudelijke gegevens zijn gevorderd dan de gegevens die klaarblijkelijk van verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldaan aan de vereisten van artikel 126ng, tweede lid, Sv en heeft de rechter-commissaris in alle redelijkheid – op basis van het plan van aanpak alsmede de aanvulling daarop – de machtiging tot het verrichten van onderzoek aan de Ennetcom-data kunnen verlenen. De rechter-commissaris heeft er in voldoende mate toezicht op gehouden dat er geen sprake was van een ‘fishing expedition’, omdat zij het onderzoek in de Ennetcom-data telkens heeft beperkt en het Openbaar Ministerie steeds aanvullende toestemming moest vragen voor verder onderzoek. De werkwijze valt binnen de waarborgen die de Canadese rechter formuleerde en is daarmee niet in strijd. Nu voorafgaand aan en tijdens het zoeken in de data rechterlijk toezicht daarop is geweest, de zoekslagen niet onbegrensd zijn geweest, daar een wettelijke basis voor was en het onderzoek noodzakelijk was in een democratische samenleving in het belang van onder meer de openbare veiligheid is geen sprake van een schending als bedoeld in lid 2 van artikel 8 EVRM en daarmee is artikel 6 EVRM evenmin geschonden. De verweren van de raadsman worden verworpen. II. Rechtmatigheid verleende machtiging ex artikel 126l Sv Het verweer van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie ex artikel 126l Sv heeft kunnen geven, omdat niet met feiten en omstandigheden is onderbouwd dat er sprake was van een verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De onderzoeken 13Kust en 13Luxing hadden immers niets opgeleverd. De afgegeven machtiging is dan ook onrechtmatig verleend. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en moeten de OVC-opnames van het bewijs worden uitgesloten. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat er wel degelijk voldoende onderbouwing is gegeven in de vordering ex artikel 126l Sv. Zij heeft daartoe gewezen op de bevindingen ten aanzien van de Volvo, de waargenomen overdracht van een rugtas, de bevindingen van doorzoekingen in 13Kust en 13Luxing en de koppeling van verdachte aan liquidaties vanuit TCI-informatie. Ook de feitelijkheden in de onderzoeken 13Kust en 13Luxing zijn – in tegenstelling tot wat de raadsman stelt – in de vordering opgenomen. Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 126l Sv kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel. Het moet dan gaan om de verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat – kort gezegd – een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De bevoegdheid mag daarnaast pas worden toegepast indien het onderzoek dit dringend vordert, waarmee de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit tot uitdrukking worden gebracht. Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend, maar dat de rechter-commissaris tevoren een schriftelijke machtiging moet hebben verstrekt. De rechtbank moet beoordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van die machtiging heeft kunnen beslissen. Bij vordering van 12 januari 2016 heeft de officier van justitie aan de rechter-commissaris verzocht om vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel te mogen opnemen in een Volvo met kentekennummer [kenteken] . Deze Volvo was bij [naam 2] in gebruik. Aan de vordering lag een proces-verbaal van verdenking ten aanzien van [naam 2] (documentnummer 6057820) ten grondslag, waarin is onderbouwd dat [naam 2] is aan te merken als verdachte met betrekking tot witwassen, handel in verdovende middelen en als medeplichtige in het kader van voorbereidingshandelingen tot het plegen van liquidaties. In voornoemd proces-verbaal staan onder meer de volgende onderzoeksbevindingen: In januari 2015 is TCI-informatie ontvangen, waarin staat vermeld dat verdachte opdrachtgever is van de liquidatie van [naam 6] ; [naam 2] was aanwezig op de plaats delict van de liquidatie van [naam 14] op 27 december 2014; Opsporingsambtenaren hebben tijdens een zaalvoetbalwedstrijd waargenomen dat [naam 2] op 15 april 2015 door [naam 15] aan het publiek werd voorgesteld als ‘de manager, de man van het geld’; Op 11 oktober 2015 zijn meerdere koffers op een hotelkamer van het Van der Valk hotel te Breukelen achtergelaten. De kamer was geboekt onder de naam [naam 2] . In de koffer bevond zich een iPad, waarbij het account was gekoppeld aan een e-mailadres van verdachte; [naam 2] is op 7 december 2015 waargenomen met [naam 16] . Uit het onderzoek 13Donder blijkt dat [naam 16] gebruik maakt van een voertuig (BMW 5-serie met kenteken [kenteken] ) dat vermoedelijk gebruikt is bij een aanslag op de woning van [naam 17] (beheerder van de website [website] ). [naam 16] behoort tot de [groep] : een grote groep personen die zich bezig houden met het uitvoeren van geweldsdelicten en mogelijk liquidaties; Op 2 december 2015 zijn [naam 2] en verdachte bij een verkeerscontrole in Frankrijk gecontroleerd. [naam 2] reed op dat moment in een voertuig met kenteken [kenteken] , terwijl verdachte reed in een voertuig waarvan het kenteken met één cijfer verschilt van voornoemde kenteken, te weten [kenteken] . De voertuigen staan op naam van het autoverhuurbedrijf [bedrijf 3] Automobile Gmbh. Op naam van dit bedrijf staan meerdere extreem luxe voertuigen; Op 18 december 2015 werd door het TCI de volgende melding verstrekt: “ [naam 3] heeft een aantal Joegoslavische ex-militairen geregeld, die nog voor Oud en Nieuw liquidaties gaan uitvoeren. [verdachte] heeft opdracht gegeven voor deze liquidaties. [naam 4] regelt een onderkomen voor de Joegoslaven. [naam 5] en [naam 2] zullen de Joegoslaven faciliteren. De beoogde slachtoffers behoren tot de groep van wijlen [naam 6] en betreffen diens broer [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12]”. De verstrekte informatie kan als betrouwbaar worden aangemerkt; In oktober 2015 is TCI-informatie binnengekomen over een dreiging op het leven van [verdachte] ; Op 23 september 2015 werd de volgende Bel-M melding gedaan: “Internationaal cocaïne transport. De msc katya r. is op 6 september jl. vertrokken uit Ecuador. Aankomst 24 of 25 september op ddn msc in Rotterdam. Het betreft een droge container met cocaïne. De zender is [verdachte] geboren op [geboortedag] 1975”. In de vordering ex artikel 126l Sv is voorts opgenomen dat uit onderzoeksbevindingen is gebleken dat [naam 2] op 10 januari 2016 in de Volvo zit en kennelijk op iemand wacht, waarna drie minuten later een onbekende persoon instapt die een gevulde rugtas in de Volvo achterlaat. In de vordering is geconcludeerd dat het aannemelijk is dat [naam 2] , dan wel andere personen, in de Volvo gesprekken voeren die zeer waardevol zijn voor het onderzoeksteam en dat het dan ook noodzakelijk is dat er zo spoedig mogelijk apparatuur wordt geplaatst in voornoemde auto ten bate van het opnemen van vertrouwelijke communicatie, teneinde de verdenkingen met betrekking tot [naam 2] nader te onderzoeken en bewijs te verzamelen. Gezien recente informatie dat [naam 2] een faciliterende rol zou hebben bij een nog te plegen liquidatie wil het onderzoeksteam zo snel mogelijk controle hebben op [naam 2] en de bij hem in gebruik zijnde voertuigen. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 13 januari 2016 een machtiging ex artikel 126l Sv met betrekking tot voornoemde Volvo afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat er op het moment dat de machtiging door de rechter-commissaris is verstrekt – op basis van de aan de vordering ten grondslag liggende onderzoeksbevindingen als hiervoor weergegeven – een redelijk vermoeden bestond dat [naam 2] betrokken was bij witwassen, handel in verdovende middelen en als medeplichtige in het kader van voorbereidingshandelingen tot het plegen van liquidaties. De rechter-commissaris heeft ook in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het onderzoek dringend vorderde dat vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in genoemde voertuig zou worden opgenomen. De rechtbank concludeert dan ook dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van de machtiging ex artikel 126l Sv heeft kunnen beslissen. Het verweer van de raadsman dat de machtiging onrechtmatig is verleend, wordt verworpen. III. Sending order van de Canadese rechter Het verweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat alle Ennetcom-data besmet en onbruikbaar zijn omdat niet kan worden uitgesloten dat er gebruik is gemaakt van specifiek door de Canadese rechter verboden bestanden. De raadsman heeft daarvoor gewezen op artikel 3 van de ‘sending order’ van de Canadese rechter dat ontbreekt in de Nederlandse vertaling. Dat artikel geldt echter wel. Omdat nu niet is na te gaan of er bepaalde berichten zijn uitgezonderd, zoals artikel 3 voorschrijft, of toch gebruikt zijn, mogen geen van de Ennetcom berichten worden gebruikt voor het bewijs. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat zij van de zaaksofficier van justitie in het onderzoek 26DeVink heeft vernomen dat laatstgenoemde over artikel 3 van de ‘sending order’ contact heeft opgenomen met de centrale autoriteit in Canada en dat daaruit naar voren kwam dat artikel 3 de e-mails betreft die op de Ennetcom servers binnenkwamen tussen het tijdstip dat de doorzoeking in Canada was aangevangen en het tijdstip dat het daadwerkelijk kopiëren van de data is begonnen. De servers moesten immers nog eerst gepauzeerd worden door de beheerder. Die e-mails beschouwt Canada als ‘stromende data’, vergelijkbaar met tapdata. Deze specifieke data zien slechts op een hele korte periode. Deze data komen dan ook niet voor in Hansken en zijn daarmee niet in de sub dataset van het onderzoek 13Orinus terecht gekomen. Het oordeel van de rechtbank In de ‘sending order’ van de Canadese rechter – waarin door de Canadese rechter voorwaarden zijn opgenomen voor onderzoek in de Ennetcom-data – is in artikel 3 opgenomen: “3. The following data may not be accessed, examined or used for any purpose: a. Undelivered mail residing in Microsoft Exchange mail queue (mail.que) databases, and any associated transaction log files; b. The files that comprise the undelivered mail queue from all of the mail servers seized (listed and attached as Appendix “A” to this order).” De rechtbank stelt allereerst vast dat in de vertaling waarover de rechtbank beschikt artikel 3 niet is opgenomen. Dit betekent uiteraard niet dat artikel 3 niet van toepassing zou zijn. De officier van justitie heeft gesteld dat artikel 3 ziet op de PGP-berichten die op de Ennetcom servers binnenkwamen tussen het tijdstip dat de doorzoeking in Canada was aangevangen en het tijdstip dat het daadwerkelijke kopiëren is begonnen. Gelet op de tekst van artikel 3 lijkt dit een plausibele uitleg, zeker nu Nederland niet beschikt over berichten van ná 19 april 2016, zijnde de dag van de doorzoeking bij Ennetcom. Voor wat betreft de berichten van 19 april 2016 zal de rechtbank deze zekerheidshalve niet meenemen voor het bewijs, nu het tijdstip van de doorzoeking bij de rechtbank niet bekend is. Het verweer van de verdediging dat alle Ennetcom-data onbruikbaar zijn, wordt verworpen. Voorwaardelijk verzoek Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden teneinde de officier van justitie in het onderzoek 26DeVink en [naam eigenaar] - eigenaar van Ennetcom - te horen af. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht zodat zij aanhouding van de zaak niet noodzakelijk vindt. Eindconclusie rechtbank: De dagvaarding is partieel nietig en voor het overige geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding Het onderzoek 13Orinus is begin 2016 gestart naar aanleiding van waarnemingen in een ander onderzoek, genaamd 13Kust. Binnen dat onderzoek was er een TCI-melding binnengekomen van eind 2015, waarin stond vermeld: “ [naam 3] heeft een aantal Joegoslavische ex-militairen geregeld, die nog voor Oud en Nieuw liquidaties gaan uitvoeren. [verdachte] heeft opdracht gegeven voor deze liquidaties. [naam 4] regelt een onderkomen voor de Joegoslaven. [naam 5] en [naam 2] zullen de Joegoslaven faciliteren. De beoogde slachtoffers behoren tot de groep van wijlen [naam 6] en betreffen diens broer [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12]”. Naar aanleiding van deze TCI-melding is onderzoek verricht, waaruit uiteindelijk onvoldoende concrete aanwijzingen zijn gekomen die de informatie uit de TCI-melding bevestigden. Binnen dat onderzoek werd wel waargenomen dat [naam 2] gebruik maakte van een Volvo S60 met kenteken [kenteken] , terwijl deze Volvo niet op zijn naam geregistreerd stond en telkens bij de [adres] werd geparkeerd, een straat die ver verwijderd was van zijn woning. De Volvo bleek op naam te staan van [naam 18] , wonende op de [adres] . Dat adres ligt ook niet in de directe omgeving van de [adres] . Naar aanleiding van deze bevindingen ontstond de verdenking dat de Volvo werd gebruikt voor criminele doeleinden. Dat heeft geleid tot de start van het onderzoek 13Orinus. Binnen 13Orinus is onderzoek gedaan naar strafbare gedragingen van verdachte en een groep personen rond verdachte. Dit heeft geresulteerd in de verdenking dat deze groep, onder leiding van verdachte, gedurende langere tijd in georganiseerd verband het plegen van misdrijven heeft beoogd. Als specifieke doelen van de organisatie zijn in de tenlastelegging opgenomen: (gewoonte)witwassen, het bezit van (vuur)wapens en munitie, het plegen van moorden en/of het voorbereiden/bevorderen van drugshandel (feit 1). Het onderzoek heeft ook geresulteerd in de verdenking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2) en medeplegen van het bezit van (vuur)wapens en munitie (feit 3). Verdachte is op 20 oktober 2017 op verzoek van de Nederlandse autoriteiten aangehouden in Chili. Op 21 maart 2018 is verdachte aangekomen in Nederland. Sindsdien bevindt hij zich in voorlopige hechtenis in de [detentieadres] . 4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd – overeenkomstig het schriftelijk requisitoir – dat verdachte leider is geweest van een criminele organisatie die zich bezighield met moorden, gewoontewitwassen, vuurwapenbezit en het voorbereiden/bevorderen van drugshandel (feit 1). Ook kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen van voertuigen, woningen, luxe goederen en geldbedragen ter hoogte van bijna € 12.000.000,- (feit 2). Tot slot heeft verdachte samen met anderen vuurwapens en munitie voorhanden gehad (feit 3). Volgens de officier van justitie kunnen dan ook alle tenlastegelegde feiten worden bewezen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie zal bij de inhoudelijke bespreking van de tenlastegelegde feiten uitgebreider aan bod komen (paragraaf 4.4.). 4.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit – overeenkomstig de schriftelijke pleitnota – dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ook de door de verdediging gevoerde verweren zullen uitgebreider aan de orde komen bij de inhoudelijke bespreking van de tenlastegelegde feiten (paragraaf 4.4.). 4.4. Het oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte leider is geweest van een criminele organisatie met als oogmerk gewoontewitwassen en een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van moorden (feit 1 eerste cumulatief/alternatief) en voorts dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2). De rechtbank baseert dit oordeel op de inhoud van de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank zal nader ingaan op wat zij bewezen acht in paragraaf 4.4.2. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich, al dan niet als leider, schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het voorbereiden/bevorderen van drugshandel (feit 1, tweede cumulatief/alternatief) en het, al dan niet als leider, deelnemen aan een criminele organisatie met vuurwapenbezit als oogmerk (feit 1, eerste cumulatief/alternatief). Evenmin ziet de rechtbank voldoende bewijs dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie (feit 3). Verdachte zal voor die feiten worden vrijgesproken. Deze vrijspraken zullen nader worden besproken onder paragraaf 4.4.3. Het bewijs in deze zaak is grotendeels gebaseerd op de inhoud van PGP-berichten. De verdediging heeft daartegen enkele verweren gevoerd die hieronder zullen worden besproken (paragraaf 4.4.1. onder A). De rechtbank zal daarna de PGP-adressen/-gebruikers en bijnaam van verdachte bespreken die de rechtbank voor het bewijs gebruikt en daarbij ingaan op de personen die de rechtbank aan andere PGP-adressen en bijnamen koppelt (paragraaf 4.4.1. onder B). 4.4.1. PGP-communicatie A. Verweer: artikel 344 lid 1 sub 5 Sv en PGP-berichten Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat informatie afkomstig uit de Ennetcom-data de status heeft van “andere geschriften” als bedoeld in artikel 344, eerste lid, Sv en slechts als bewijsmiddel kan gelden “in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen”. Voorts is de bewijskracht van de Ennetcom-data door de kwetsbaarheid en de manipuleerbaarheid zwakker dan “de bewijskracht die volgens de CAG bij het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2004 (ECLI:NL:PHR:2004:AO9193) aan door verbalisanten uitgewerkte tapverslagen kan worden toegerekend”. Dit speelt eens te meer, omdat de PGP-lijnen veelal niet compleet zijn (geen kop of staart hebben), er sprake kan zijn van desinformatie en de agenda’s van de gebruikers onduidelijk zijn. PGP-berichten kunnen dan ook alleen met behoedzaamheid en slechts als daar ander bewijsmateriaal – niet zijnde een ander PGP-bericht – naast bestaat, als bewijs worden gebruikt. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat niet terughoudend hoeft te worden omgegaan met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs. Zij heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de inhoud van de Ennetcom-data vaak is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen waarin – naast de inhoud van de Ennetcom-data – ook andere feiten en omstandigheden zijn opgenomen. Het gaat dan niet meer om een schriftelijk bescheid, maar om een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Voorts heeft zij aangevoerd dat door de verdediging aangehaalde ‘unus-testis jurisprudentie’ niet van toepassing is, omdat het bij PGP-berichten gaat om de tekst van een e-mailwisseling. Zelfs als de gebruiker of gebruikers van deze telefoons niet bekend zijn geworden, dan nog is er geen sprake van een schriftelijk bescheid inhoudende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet is gebleken als bedoeld in artikel 344a, derde lid, Sv. Het oordeel van de rechtbank De schriftelijke PGP-berichten hebben bewijstechnisch de status van ‘een ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, Sv. Dit betekent dat de inhoud daarvan alleen als bewijs kan dienen als er ook ander bewijs is. Dat andere bewijs kan ook bestaan uit een ‘ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 Sv. In dit dossier bestaat het bewijs niet uitsluitend uit op zichzelf staande PGP-berichten, maar is er sprake van berichtenwisselingen tussen minimaal twee gebruikers van PGP-telefoons. Voorts geldt dat de inhoud van de PGP-berichten is beschreven in ambtsedige processen-verbaal waarin ook andere omstandigheden zijn beschreven die aan het bewijs bijdragen. Aan de eis van artikel 344 lid 1 sub 5 Sv is dan ook voldaan. Ook de rechtbank is van oordeel dat met het gebruik van PGP-berichten voor het bewijs behoedzaam moet worden omgegaan. Het betreffen onderschepte berichten die niet zijn opgesteld om te dienen als bewijs in een strafproces. Er zijn geen gebruikers die als getuige de vermeende inhoud van de berichten hebben bevestigd. In de berichten wordt verder soms versluierde taal gebruikt en het betreft gesprekken die plaatsvinden in een context die voor de gebruikers van de berichten bekend is, maar lang niet altijd voor een buitenstaander. Ook beschikt de rechtbank niet over het volledige berichtenverkeer. Een en ander impliceert dat een interpretatie vereist is om iets over de betekenis van de berichten te zeggen. De rechtbank is zich van dit alles bewust. Om deze redenen is voorzichtigheid geboden. Aan de andere kant is voor de bewijswaarde relevant dat personen die de encrypte berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden. Ook dat neemt de rechtbank in aanmerking. De enkele mogelijkheid dat PGP-berichten ook ‘desinformatie’ kunnen bevatten, maakt niet dat de bewijswaarde beperkt of nihil is. B. PGP-adressen/-gebruikers en bijnamen Het Openbaar Ministerie baseert een groot deel van de beschuldigingen op de inhoud van PGP-berichten die aan (onder meer) verdachte worden gekoppeld. Verdachte heeft niet willen verklaren of hij van specifieke PGP-adressen de gebruiker is en of bepaalde berichten door of naar hem zijn gestuurd. Ook heeft hij geen gerichte vragen willen beantwoorden over de inhoud/betekenis van de PGP-berichten. Verdachte heeft ter zitting ten aanzien van een aantal berichten slechts verklaard dat deze (tekstueel) anders zouden kunnen worden gelezen dan het Openbaar Ministerie dit doet. De rechtbank zal eerst beoordelen of kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is van door het Openbaar Ministerie aan verdachte gekoppelde PGP-adressen. Ook zal de rechtbank beoordelen of kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van verdachte is, zoals door de officier van justitie is gesteld. Ook ten aanzien van de overige gebruikers die aan PGP berichten gekoppeld kunnen worden, zal de rechtbank beoordelen of daarvan de identiteit kan worden vastgesteld, een en ander voor zover dit voor de bewezenverklaring van belang is. Het betreft hier de personen [naam 19] , [naam 20] , [naam 1] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 2] en [naam 23] . Verdachte ‘ [gebruikersnaam] ’ Tijdens de aanhouding van verdachte op 20 oktober 2017 in Chili is onder hem een iPhone 6 inbeslaggenomen. De iPhone bleek na onderzoek eigendom te zijn van [naam 24] met wie verdachte een relatie had. In de telefoon stond een foto van het scherm van een BlackBerry telefoon. Op het scherm was een PGP-bericht te zien dat afkomstig was van een gebruiker met de naam ‘ [gebruikersnaam] ’. In het bericht beklaagde ‘ [gebruikersnaam] ’ zich erover dat de gebruiker van de telefoon waar het bericht naartoe was gestuurd nooit berichten terugstuurt. ‘ [gebruikersnaam] ’ zou de PGP-telefoon annuleren en hem aan iemand anders geven. Het bericht lijkt een onenigheid in de relationele sfeer te zijn. Op [geboortedag] 2015 wordt door de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 1] aan [gebruikersnaam] (hierna [gebruikersnaam] ) gevraagd of hij zijn verjaardag nog gaat vieren. Verdachte is geboren op [geboortedag] 1973. In het onderzoek 13Kust is tijdens de aanhouding van [naam 2] een PGP-telefoon inbeslaggenomen. Deze telefoon lag in een nachtkastje op de slaapkamer waar [naam 2] werd aangetroffen en aangehouden en is gekoppeld aan het PGP-adres [PGP-adres 2] (hierna: [PGP-adres 2] ). De telefoon bevat een PGP-gesprek van 30 november 2015, waarin [gebruikersnaam] omstreeks 17:37 uur aan [PGP-adres 2] vraagt of hij even langs het hotel kan komen en een kamer kan pakken. Daarop antwoordt [PGP-adres 2] bevestigend. Op de camerabeelden van het Van der Valk hotel in Breukelen is te zien dat [naam 2] om 23:10 uur aan de balie staat om een kamer te boeken. Uit beelden bleek ook dat verdachte diezelfde avond bij het Van der Valk hotel te Breukelen verscheen. Verdachte zelf checkte niet in. In de telefoon is ook een PGP-gesprek aangetroffen van 1 december 2015, waarin [gebruikersnaam] aan [PGP-adres 2] vraagt of hij mee naar Spanje gaat. Op 2 december 2015 worden door de Franse politie de inzittenden van twee Audi’s gecontroleerd, met als inzittenden verdachte en [naam 2] . Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker was van ‘ [gebruikersnaam] ’. Niet gesteld of gebleken is dat deze gebruikersnaam of het PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. De rechtbank gaat ervan uit dat het verdachte was die berichten via dit adres verstuurde. ‘ [PGP-adres 3] ’ en bijnaam [bijnaam 1] Het PGP-adres ‘ [gebruikersnaam] ’ komt in meerdere contactlijsten van andere PGP gebruikers voor. In vier contactlijsten is [gebruikersnaam] opgeslagen onder een overeenkomstige naam (‘ [bijnaam 1] ’) als waarmee het PGP-adres [PGP-adres 3] (hierna: [PGP-adres 3] ) in contactlijsten is opgeslagen. Uit adresboeken van enkele Ennetcom-gebruikers blijkt dat zij het PGP-adres [gebruikersnaam] hadden opgeslagen onder de namen ‘ [bijnaam 1] ’, ‘Hermanooo’ en ‘ [bijnaam 1] nieuw’. Op 16 juni 2016 werd verdachte aangehouden in Alcoron in Spanje. M. [naam 38] is toen naar Madrid gegaan waar op 18 juni 2016 een hoorzitting was in de zaak tegen verdachte. Hierover hadden [naam 38] en [naam 36] PGP-contact gehad. In dat gesprek vroeg [naam 36] of de advocaat ‘ [bijnaam 1] ’ had gezien. [naam 38] bevestigde dit. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam van verdachte is. De rechtbank neemt om deze redenen aan dat verdachte ook de gebruiker was van het PGP-adres [PGP-adres 3] . Niet gesteld of gebleken is dat dit PGP-adres door iemand anders werd gebruikt. Het was naar het oordeel van de rechtbank dan ook verdachte die berichten via dit adres verstuurde. De verdediging heeft nog aangevoerd dat ‘ [bijnaam 1] ’ een algemeen gebruikte benaming is en dat het dossier ook PGP-communicatie bevat waarin verdachte en een ander elkaar over en weer aanspreken met ‘ [bijnaam 1] ’. Feit van algemene bekendheid is inderdaad dat het woord [bijnaam 1] in het Spaans wordt gebruikt zoals het Engelse ‘brother/bro’, een term om elkaar aan te spreken, waarmee in de regel niet een specifiek persoon wordt bedoeld, zodat slechts uit de context duidelijk kan zijn wie bedoeld wordt. Ook ziet de rechtbank dat in dit dossier op enig moment het woord [bijnaam 1] over en weer gebruikt wordt. Dit brengt de rechtbank echter niet tot een ander oordeel. Bij het opslaan van een gebruiker onder de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ of een zeer vergelijkbare naam, kan het namelijk redelijkerwijs niet anders zijn, dan dat degene die deze naam opslaat een concreet persoon in gedachten heeft. Het opslaan van de naam in verschillende spellingen of met toevoeging “nieuw” ondersteunt dat. In dit geval kan daarom de conclusie worden getrokken dat in de aangetroffen adresboeken met [bijnaam 1] dezelfde persoon wordt bedoeld en dat dit verdachte is. Overige PGP gebruikers Op grond van de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank voorts van oordeel dat de hierna te noemen PGP adressen zijn te koppelen aan respectievelijk [naam 19] , [naam 20] , [naam 1] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 2] en [naam 23] . [naam 19] ‘ [PGP-adres 4] ’ In de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 vindt er PGP-communicatie plaats tussen de PGP-adressen [PGP-adres 4] (hierna: [PGP-adres 4] ) en de gebruiker van het PGP-adres beginnend met [PGP-adres 5] . De berichten gaan over ‘broertje’, ‘ [naam 25] ’, ‘ [naam 26] ’, ‘ [naam 27] ’, ‘graf van papa’. Ook wordt door [PGP-adres 4] gezegd dat hij alle zussen heeft gesproken over het kopen van kleding voor hun zelf en de kids: ‘ [naam 26] 2 kids’, ‘ [naam 28] 3 kids’, ‘ [naam 29] 4 kids’ en ‘ [naam 27] 1 kid’. [naam 25] is getrouwd met [naam 26] , de zus van [naam 19] . Van [naam 26] is bekend dat zij twee kinderen heeft. [naam 27] is ook een zus van [naam 19] . Van [naam 27] is bekend dat zij één kind heeft. [naam 29] is ook een zus van [naam 19] . Van haar is bekend dat zij vier kinderen heeft. De vader van [naam 19] is in 2005 overleden. ‘ [PGP-adres 6] ’ De telefoonboeken van de PGP-adressen [PGP-adres 4] en [PGP-adres 6] (hierna: [PGP-adres 6] ) komen bijna geheel overeen met elkaar. Ogenschijnlijk zijn de telefoonboeken één op één overgezet van het ene account naar het andere account. Dit kan een sterke aanwijzing zijn dat beide accounts bij dezelfde persoon in gebruik zijn geweest. Tevens is [PGP-adres 6] in diverse andere telefoons opgeslagen onder de bij verbalisant ambtshalve bekende bijnamen van [naam 19] (‘ [bijnaam naam 19] ’, ‘ [bijnaam naam 19] ’ en ‘ [bijnaam naam 19] ’). ‘ [PGP-adres 7] ’ In de contactlijst van [PGP-adres 8] (hierna: [PGP-adres 8] ) staat [PGP-adres 7] (hierna: [PGP-adres 7] ) opgeslagen onder de naam ‘ [naam PGP-adres 7] ’. In diverse andere contactlijsten is dit PGP-adres [PGP-adres 7] opgeslagen onder gelijkende namen (‘ [naam PGP-adres 7] ’ en variaties daarop). Hierbij zijn PGP-adressen vermeld, die al dan niet vermoedelijk in gebruik zijn (geweest) bij [naam 19] , waaronder ook het adres [PGP-adres 4] . Uit de berichten blijkt dat de gebruiker van [PGP-adres 7] dit PGP-adres rond 1 september 2015 in gebruik neemt. Hij bevindt zich rond die tijd in Dubai en schrijft dat zijn kinderen daar naar school gaan. Van [naam 19] is bekend dat hij vier kinderen heeft. Dit bevestigt het vermoeden dat het ook in deze gesprekken daadwerkelijk [naam 19] is die hier communiceert. De rechtbank ziet bevestiging van het gebruik van [PGP-adres 7] door dezelfde persoon als de gebruiker van [PGP-adres 4] in de schrijfstijl van de berichten, waaronder met name het gebruik van de letter “y” waar “ij” de correcte schrijfwijze in het Nederlands is. [naam 20] “ [PGP-adres 5] ” en ‘ [PGP-adres 9] ’ Hiervoor is uiteengezet dat [naam 19] ( [PGP-adres 4] ) in de periode van 16 april 2016 tot 19 april 2016 heeft gecommuniceerd met de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 5] (hierna: [PGP-adres 5] ) over zijn zussen en ‘mama’ en ‘graf van papa’. [naam 19] heeft ook naar [PGP-adres 5] gestuurd: “Ben echt trots op jouw en dan allah iedere dag dat je [contact 3] broertje bent al ben ik hard tegen je hou van je brot tot de dood en erna!!!”. Daarop antwoordt [PGP-adres 5] : “(…) Ben ook trots op jou als broer (…)”. [naam 19] is een broer van [naam 20] . Op 30 maart 2016 stuurt de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 9] (hierna: [PGP-adres 9] ) naar de helpdesk van Ennetcom ( [mailadres] ): “Amigo mij pgp geeft sos aan, hoe kan dat. Hij is pas verlengd. [PGP-adres 5] (…)”. Op 17 april 2016 stuurt [PGP-adres 5] naar het PGP-adres [PGP-adres 10] om 11:40 uur: “(…) Kan je een pgp afgeven aan die jongen die met jou mee was gegaan na club aub”. Op de vraag van [PGP-adres 10] of hij “sims” erin moet doen, antwoordt [PGP-adres 5] : “Ja bro” en “ [PGP-adres 9] Zet mij in die nieuwe toestellen. Met deze mail sir”. Ook vraagt [PGP-adres 5] om 13:09 uur: “Bro tekst mij zo met die nieuwe (…). Zet erbij wie mij tekst, afz [afzender] ”. Vervolgens stuurt de gebruiker van het PGP-adres [PGP-adres 29] om 13:11 uur naar [PGP-adres 9] : “Afz [afzender]”. [naam 1] ‘ [PGP-adres 8] ’, ‘ [PGP-adres 11] ’, ‘ [PGP-adres 12] ’ en bijnamen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ Bij de aanhouding van [naam 1] in Ierland op 7 april 2016 zijn twee PGP-telefoons aangetroffen waaraan de PGP-adressen [PGP-adres 11] (hierna: [PGP-adres 11] ) en [PGP-adres 12] (hierna: [PGP-adres 12] ) zijn gekoppeld. Beide toestellen ontvingen op 9 april 2016 een wipe-verzoek op verzoek van [naam 20] . Binnen het onderzoek 26Tandem, het onderzoek naar de moordaanslag op [slachtoffer 1] , is vastgesteld dat het PGP-adres [PGP-adres 1] (hierna: [PGP-adres 1] ) door [naam 1] gebruikt werd. Na onderzoek in de Ennetcomserver is gebleken dat dit PGP-adres door verschillende personen in de contactlijst van hun PGP-toestel is opgeslagen onder de namen ‘ [opgeslagen naam 1] ’ en ‘ [opgeslagen naam 2] ’. Binnen het onderzoek 26Tandem is gebleken dat [naam 1] zichzelf ‘ [opgeslagen naam 1] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.