RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/041527-20 (A) en 13/273368-19 (B) (Promis) Datum uitspraak: 15 april 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, naar eigen zeggen verblijvend op het adres [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2021 en mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen bij de politierechter van 12 december 2019 en 1 april 2021 (parketnummer 13/273368-19). De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F. Jironet-Loewe en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.M. Blom naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt er in zaak A van beschuldigd dat hij in de periode van 17 januari 2017 tot en met 14 februari 2020 in Amsterdam grote hoeveelheden goederen met een totale waarde van € 10.552,92 heeft witgewassen en dat hij daar een gewoonte van heeft gemaakt. In zaak B wordt hij verdacht van opzetheling dan wel schuldheling van kentekenplaat [kenteken] op 15 november 2019 in Amsterdam. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide zaken bewezen verklaard kunnen worden. In zaak A heeft zij gesteld dat op basis van de registratie van [bedrijf] kan worden vastgesteld welke goederen door verdachte zijn verkocht. Drie momenten van geregistreerde verkoop worden door camerabeelden bevestigd. Het ging steeds om dezelfde soort producten en verdachte is een keer aangehouden in een auto waarin dezelfde soort goederen lagen. Verdachte had geen legaal inkomen om goederen in te kopen en hij heeft geen onderbouwde verklaring voor de herkomst van de goederen die hij heeft verkocht. Er kan worden vastgesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat de goederen uit enig misdrijf afkomstig waren. Er is een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. In zaak B heeft zij gesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat de kentekenplaten van een misdrijf afkomstig waren. Verdachte wist dat de auto als uitgevoerd geregistreerd stond. Hij wordt aangetroffen met kentekenplaten die gestolen waren en verdachte heeft verklaard dat hij ze langs de weg heeft gevonden. Hij had dus moeten weten dat de kentekenplaten gestolen waren. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit A. Verdachte heeft wel goederen verkocht maar niet de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid. In het dossier bevindt zich geen bewijs dat de goederen een criminele herkomst hebben. De witwastypologieën kunnen hier niet worden toegepast nu het een heel andere situatie is dan gebruikelijk in witwaszaken. Het verwijt dat cliënt wordt gemaakt lijkt meer op een aaneenschakeling van helingen. Als de witwastypologieën toch worden toegepast, geldt dat hier geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Subsidiair gaat het om een veel kortere periode en een veel lager bedrag. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit B. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak van het in zaak A ten laste gelegde De rechtbank acht niet bewezen wat in zaak A is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank vindt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan [bedrijf] de grote hoeveelheid goederen heeft verkocht, zoals die op de tenlastelegging staan. Het is niet vast te stellen hoe vaak verdachte goederen heeft aangeboden, om welke spullen het ging, wat de herkomst van die spullen was en welke bedragen hij daarvoor heeft ontvangen. De rechtbank kan niet enkel van de administratie van [bedrijf] Oost uitgaan, aangezien uit het dossier blijkt dat de lijsten met grote regelmaat niet of niet correct werden ingevuld. De politie heeft op een aantal momenten de camerabeelden van [bedrijf] bekeken en vergeleken met de registratie. Uit het dossier blijkt dat ten aanzien van verdachte in ieder geval op een aantal momenten niet juist geregistreerd werd. Zo komt er in januari 2019 in de administratie een registratie voor op naam van verdachte, terwijl de agenten hem niet op de bijbehorende camerabeelden gezien hebben. In februari en oktober 2019 is verdachte wel op de camerabeelden te zien, maar op die momenten wordt er juist geen verkoop op zijn naam geregistreerd. Van drie momenten (27, 28 en 29 januari 2019) kan de rechtbank op basis van de combinatie van de beelden en registratie wel vaststellen dat verdachte daadwerkelijk goederen heeft verkocht en geld heeft ontvangen, maar dat is te weinig om te kunnen komen tot een vermoeden van witwassen. 3.3.2 Het oordeel over het in zaak B ten laste gelegde De rechtbank stelt vast dat de bij verdachte aangetroffen kentekenplaten gestolen waren. Aangever heeft verklaard dat de pinnetjes, waarmee de kentekenplaten aan de auto bevestigd zaten, waren afgebroken. De platen zijn dus niet verloren maar met kracht door iemand van de auto afgehaald. Een paar weken later worden de kentekenplaten op de auto van verdachte aangetroffen. Verdachte geeft op de zitting van 1 april 2021 als verklaring voor het bezit van de platen dat hij ze in de berm van de weg heeft gevonden. De rechtbank vindt deze verklaring niet geloofwaardig. Verdachte komt pas laat met deze verklaring en hij heeft hem ook niet geconcretiseerd. Op de zitting heeft verdachte verder gezegd dat hij wist dat hij zonder geldige kentekenplaten niet met de auto mocht rijden, omdat deze als ‘uitgevoerd’ geregistreerd stond. Verdachte had dus kentekenplaten nodig en kon niet op legale wijze aan kentekenplaten voor deze auto komen. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wist dat de kentekenplaten van een misdrijf afkomstig waren en dat hij dit probeert te verhullen door te zeggen dat hij de platen heeft gevonden. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor opzetheling. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 15 november 2019 te Amsterdam kentekenplaten ( [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Bewijsmiddelen De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Het overzicht van de bewijsmiddelen is opgenomen in bijlage II bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt daar deel van uit. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 32 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 16 dagen en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 7 weken, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om over te gaan tot een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, dan wel een straf gelijk aan het voorarrest. Zij wijst erop dat verdachte grotendeels op eigen kracht zijn leven een positieve wending heeft gegeven, dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en dat verdachte nog een fikse taakstraf moet uitvoeren. Een voorwaardelijke straf zou geen toegevoegde waarde hebben vanwege een al lopende proeftijd met bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft verder verzocht om de geschorste voorlopige hechtenis op te heffen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van kentekenplaten. Het gaat om voorwerpen die voor een autobezitter essentieel zijn om gebruik te kunnen maken van diens auto. Heling daarvan houdt een markt voor gestolen kentekenplaten in stand. Dit soort feiten brengt dan ook schade toe aan de eigenaren van de gestolen goederen en zij worden bovendien geconfronteerd met ergernis en het moeten aanvragen van vervangende platen. Verdachte heeft daar geen oog voor gehad maar alleen aan zijn eigen belangen gedacht. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar het strafblad (Uittreksel Justitiële Documentatie) van verdachte van 17 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.